Voetbalprof

Open

Leerlingen op het Praktijkonderwijs hebben niet altijd een reëel beeld van hun toekomstmogelijkheden. Zo ook Nardo. Ja, hij was sportief. Ja, hij liep iedere dag drie kilometer. Ja, hij ging braaf twee keer per week naar de training. En ja, soms mocht hij ook wel eens een wedstrijd meespelen. In de D6. Een profvoetballer zou hij nooit worden. Dat wist iedereen. Behalve Nardo. En zijn ouders. Die hadden het ook niet door.
Nardo liep 3 dagen per week stage in een fabriek waar hij machines mocht schoonmaken en, heel soms, aan de lopende band flesjes mocht vullen. Hij was altijd op tijd, werkte keihard en was een opvallende verschijning: zwart als de nacht met een witte overal, witte overschoenen en een witte fabrieksmuts. En altijd goedlachs. Hij had het er naar zijn zin. Hij vond het zijn leukste stage tot nu toe. Zijn collega’s vonden hem lief en aardig, ook al had hij maar één gespreksonderwerp bij de koffie: voetbal. Zijn baas was, ondanks het lage werktempo van Nardo, blij met zijn stagiair. Dus toen Nardo’s 18de verjaardag naderde vroeg ik aan zijn baas of hij hem niet in dienst wilde nemen. De baas ging nadenken en overleggen en belde mij binnen een week terug. Het antwoord was ja! Er waren goede regelingen en de directie ging akkoord met de indiensttreding van Nardo. Feest! Ik ging meteen naar het bedrijf en de baas en Nardo zaten al in het kantoor. Baas en ik stralend, toen we Nardo het goede nieuws vertelden. Maar Nardo lachte niet mee. Hij zei: “dat kan niet, juf.” Baas en ik keken elkaar verbaasd aan. Wij dachten dat hij dolenthousiast zou zijn. “En, waarom niet Nardo?” Nardo keek ons aan en daar verscheen een grote grijns. “Omdat ik naar Engeland ga verhuizen juf.” Oké. Engeland. “En wat ga je doen in Engeland?” De grijns werd nog groter. “Ik word profvoetballer in Engeland, juf! We vertrekken in de zomervakantie! We gaan bij familie wonen. In Liverpool.” En Nardo stond op. “Ik ga weer aan het werk, juf.” Baas merkte nog op dat hij ook welkom zou zijn als de verhuizing niet door zou gaan, maar Nardo was al weg. Terug op school belde ik moeder. En ja hoor. De coach van de D6 had gezegd dat Nardo het nooit zou maken als voetballer in Nederland en dus had de familie besloten te verhuizen naar een “echt” voetballand. Een land dat de kwaliteiten van Nardo wél zou waarderen. Want dat praktijkonderwijs en die stages, dat was allemaal maar niks. Vader had zijn baan al opgezegd en ze waren al aan het inpakken. Ze hing op, zonder gedag te zeggen. Op de laatste schooldag heb ik Nardo alle geluk van de wereld toegewenst. Ik kreeg een hand en een grote grijns. ”Juf, na de zomer kom ik op TV. Bij de Engelse voetbal. Kijken hoor!” En weg was Nardo. Nooit meer gezien. Ook niet op TV. Ik hoop dat hij in een fabriek in Liverpool machines staat schoon te maken. Met hele lieve collega’s.

 

Voetbaldrama

De jongens op de AZC-school waren dol op voetbal. En ja; ze waren er ook goed in! Ik niet, maar ik kan wel heel goed doen alsof. Dus toen er een straatvoetbaltoernooi voor scholen werd uitgeschreven, wierp ik mijzelf op als coach en trainden ze iedere dag op het plein. De jongens konden niet wachten tot het zover was. Ze waren er van overtuigd dat ze iedereen wel even zouden inmaken en met de cup naar huis zouden kunnen. En ik? Ik deed verwoede pogingen om hen de Nederlandse commando’s en termen aan te leren (ze hielden het zelf bij steenkolenengels) en floot bij ieder overtredinkje. Ik had geen idee hoe goed ze waren, maar ik had het idee dat de heren zichzelf nogal overschatten.
Na een paar maanden was het zover. Op woensdagmiddag gingen de 2 jongens die een fiets hadden op de fiets en ik met de rest in de auto. De jongens kletsten honderduit. Ze hadden allemaal een wit T-shirt gekocht of geleend, bij gebrek aan schoolshirt. Ze wisten zeker dat ze gingen winnen. Ze keken ernaar uit om Nederlandse jongens te ontmoeten en om tegen ze te spelen. Want die zouden toch ook goed moeten kunnen voetballen. Vanwege Marco van Basten en Ruud Gullit. Ik hield mijn hart vast en hoopte dat ik met mijn peptalk, pakjes sinaasappelsap en gezonde koeken de boel gemotiveerd kon houden.
Maar mijn angst kwam niet uit. Ze waren echt goed. Ze wonnen de eerste wedstrijden allemaal dik en kwamen al snel in de halve finale. De jongens hadden het enorm naar hun zin. Alleen het contact leggen met de Nederlandse kinderen ging niet zo goed als ze hoopten en verwachtten. In de pauzes probeerden ze steeds een praatje aan te knopen, maar de tegenstanders haakten snel af. “Asielzoekers. Pfff….”, hoorde ik een paar keer fluisteren.
Ook de halve finale werd gewonnen. Nipt, maar toch. En nu wachten op de finale. Die kwam vrij snel. Toen kwam ik voor een probleem te staan; niemand wilde reserve zijn. De heren kregen knallende ruzie! Ik was resoluut en liet de besten aan de kant. Die konden dan wisselen met de mindere goden. Klaar. De wedstrijd begon. Het was loeispannend. We kwamen namelijk snel op achterstand. En flink ook; 0-4. Gauw de andere spelers in het veld. En beng! Daar gingen ze. Nog steeds boos omdat ze niet de hele wedstrijd mochten spelen knalden ze het ene doelpunt na het andere in het net. En dat zijn echt kleine doeltjes! In een mum van tijd stond het 5-4, was de tegenstander compleet de kluts kwijt en lamgeslagen en na het laatste fluitsignaal had ik 7 hele blije, uitgelaten jongens om me heen. We hadden de cup! Ik was zo trots op ze. Ze kregen een beker (waarvan de grootte nogal tegenviel bij de heren), een medaille en een vaantje. Bijna 6 uur. Het was echt tijd om naar huis te gaan. We wachtten nog op Rafik, die naar het toilet was. Het duurde en duurde…. Toen kwam Rafik aanrennen. Helemaal in paniek. Hij zwaaide met zijn armen en benen en schreeuwde. Er kwam een hele club jongens achter hem aan. De tegenstanders uit de finale. Ze waren woedend dat ze verloren hadden van “die asielzoekers” en wilden Rafik in elkaar slaan. Ik keek uit naar de coach van de jongens, maar die was in geen velden of wegen te bekennen. Wat nu. Ondertussen stonden mijn jongens bij de fietsen, de aanvallers op kleine afstand. Omdat ik er stond, durfden ze niets te doen. De bedreigingen kwamen van alle kanten. “We pakken jullie!” “We komen achter jullie aan!” “Wacht maar!” “We krijgen jullie wel”. Ondertussen was er geen andere volwassene meer te bekennen op het plein. Wat nu. Ik nam een beslissing. Ik zei de jongens hun fiets aan de hand mee te nemen en zo liepen we rustig naar mijn auto. De woedende meute achter ons aan. Nog steeds scheldend. Ik deed de achterklep van de auto open, we stapelden de fietsen achterin, ik bond alles zo goed en zo kwaad als het ging vast en propte alle jongens in mijn auto. Het lijkt niet te kunnen, maar als het moet kan alles. Ze zaten op elkaars schoot, je wilt niet weten hoe het rook, ik zag niets achteruit, maar zo zijn we ontsnapt. We zijn nog een paarhonderd meter achtervolgd, maar toen waren ze weg. Pfffff. Aangekomen op het AZC, stond iedereen op het plein. En ja, de jongens waren erg blij met hun cup. Maar ze vertelden vooral over hún juf, die hen had gered van een woedende meute. Want ik had gezegd: “Nee! Jullie mogen niet alleen terug fietsen! Ik wil dat al mijn jongens veilig thuis komen.” En dat hadden mijn jongens prachtig gevonden. Mijn jongens. Ja, dat waren ze.

Blunder in drievoud

Elizabeth was een prachtig meisje. Lang voor haar 8 jaar, trots en slim; als een koningin paradeerde ze door de klas. Alleen haar gedrag liet nogal eens te wensen over. Brutale antwoorden, zomaar door de klas lopen, schreeuwen naar andere leerlingen; ik had er mijn handen aan vol. Het was mijn eerste langdurige invalbaan en het zag er naar uit dat ik toch echt vriendjes met haar moest worden, als we het schooljaar samen gezellig wilden afmaken. Ik besloot haar tot mijn “personal assistent” te maken. In het begin vond Elizabeth dat prachtig! Ze stond iedere dag stralend klaar om potloden te slijpen, plantjes water te geven en ze poetste zelfs iedere dag het aanrecht. Dat ze daar een halve fles jif voor gebruikte, zag ik door de vingers. Dat was mijn eerste blunder. Het gedrag van Elizabeth leek verbeterd, maar toen werd ik er door de andere leerlingen op gewezen dat Elizabeth haar “macht” stiekem aan het misbruiken was… Zij mochten niets meer! Elizabeth gedroeg zich als de directeur generaal. Ik sprak haar er op aan en kreeg zo’n verschrikkelijke scheldkanonnade over me heen dat ik niets anders kon doen dan haar straffen; ik ontsloeg haar van haar taak. Dat was mijn tweede blunder. Daarna ontspoorde haar gedrag zodanig dat er van haar schoolwerk ook niets meer terecht kwam. Ik worstelde de me de dagen door en was gewoon blij als ze een dagje ziek was. Ik had geen hekel aan haar, maar ik had geen flauw idee hoe ik hier mee om moest gaan. De directeur had ik allang om hulp gevraagd, maar die vertelde me dat ze na de zomer naar een ZMOK zou gaan en dat we het tot die tijd “met haar uit moesten zien te houden”.  Dus dat deed ik dan maar. Ik deed verwoede pogingen om de breuk tussen Elizabeth en mij te lijmen. Op sommige dagen ging het goed. Dan kreeg ik wel eens een glimlachje. Maar op andere dagen spuugde ze naar me. Het ging moeizaam… Toen kwam de ouderavond. En daar beging ik mijn grootste blunder. De hele familie was aanwezig. Vader, moeder en vijf of zes oudere broers en zussen. Ik vertelde over het gedrag van Elizabeth en over haar schoolprestaties. Dat ik het zo jammer vond dat het mis was gegaan, maar dat haar gedrag echt niet door de beugel kon. De hele familie knikte begrijpend. Hun enige vraag was of ze echt naar “die andere school” zou moeten. Ik knikte. De rest van de groep had erg te leiden onder haar gedrag. De volgende dag keek Elizabeth me niet aan. Toen we naar de gymzaal liepen draaide ze zich om en rende weg, gillend: “IK GA NIET GYMMEN!!!! Ojee…. Wat nu. Ik parkeerde de klas op de stoep en vloog achter haar aan. Ik zag dat ze de school in rende en rende weer terug. In de gymzaal belde ik de school en een andere klas ving haar op. Na schooltijd probeerde ik met Elizabeth te praten. “Waarom wilde je niet meedoen met gym?” Ze keek me aan en haar ogen spuugden vuur. “Kijk wat je hebt gedaan!” En ze draaide zich op en trok haar trui omhoog. Haar rug lag helemaal open. Overal rode striemen, het bloed zat er nog op. Haar vader en broers hadden haar gestraft voor haar gedrag in de klas. Met een riem. Ik barstte in tranen uit. Elizabeth deed haar trui weer goed, draaide zich om en liep de klas uit, kin omhoog. Het kwam niet meer goed tussen haar en mij…

Play Station

Het ging niet zo goed op school met Anthony. Zijn cijfers waren op het randje en zijn huiswerk was nooit af… Hij dreigde af te zakken van TL naar kader en dat vonden we allemaal jammer. We wisten zeker dat hij het zou kunnen. Wat zijn mentor echter het meeste zorgen baarde, was de enorme toename in gewicht van Anthony. Het was geen kleine jongen, maar hij dreigde breder dan lang te worden. Zijn buik puilde over zijn broek. Dat was ook geen wonder, want in de pauze propte Anthony zich vol met chips en broodjes kroket. Hoog tijd dus om zijn moeder uit te nodigen voor een gesprek. Niet over Anthony’s cijfers, maar over zijn voedingspatroon. Lees verder Play Station