Supermeid

Open

Ik heb ooit een klas gehad met 15 jongens en 1 meisje. Valeria. Lang, donker en goedlachs, maar niet het type waar de heren op vielen. Ze behandelden haar net zoals elkaar; met stompen op de schouder en zo nu en dan een “diss”. Valeria vond alles best, ze was niet bezig met jongens, zei ze. Op schoolfeesten zag ik haar met vriendinnen uit andere klassen dansen. Nooit schuren. Terwijl ze op een leeftijd was waarop de hormonen door haar lichaam zouden moeten gieren. In de klas was Valeria een harde werker. Altijd haar huiswerk af, enthousiast over haar stage bij de Blokker en gezellig in de klas. Een model-leerling.
Op een dag was ze niet op school. Niet ziek gemeld, niks. Na schooltijd belde ik moeder. Er werd niet opgenomen. Ook de volgende dag was Valeria niet op school. De jongens misten hun maatje. Ze hadden geen idee waar ze was. Drie jongens boden aan om na schooltijd langs haar huis te gaan. Ze woonden in haar buurt. Ik stemde in en belde moeder nog een keer. Er werd weer niet opgenomen.
De volgende dag deden de jongens verslag van hun bezoek. De gordijnen waren dicht en er werd niet open gedaan. Ik belde haar stageadres. Maar die wisten ook van niets. Al hoewel… wist ik dat ze een vriendje had? Na haar stage werd ze steeds opgehaald door dezelfde jongen. Hij hing al een half uur voor sluitingstijd voor de winkel en nam haar mee nadat ze de winkel hadden afgesloten. Ze hadden ook wel eens ruzie gemaakt, omdat ze niet met hem mee wilde. Ik bedankte en hing op. En ik had geen flauw idee wat ik moest doen, behalve dan een melding doen bij de leerplichtambtenaar.
Na een paar weken was Valerie weer op school. Ze zei niets, ging op haar plaats zitten en ging aan het werk. Ze werkte harder dan ooit tevoren. Maar haar lach was weg. De jongens lieten haar. Geen stompen, geen “diss”. Na schooltijd vroeg ik Valeria even te blijven. De volgende dag zou een stagedag zijn. Ze moest bellen of ze nog welkom zou zijn. Valeria keek me recht aan. “Juf, ik wil een nieuw stageadres. Ik kan daar niet meer heen.” Verder wilde ze niets vertellen. Ze zou de volgende dag naar school komen en dan zouden we gaan zoeken. Dus dat deden we. Blokker afgebeld. De volgende ochtend nam ik haar mee naar een lunchroom. En ik zei: “jij gaat nu praten. Je hoeft niet alles te vertellen, maar ik wil wel weten waarom je niet op school was.” Toen kwam het hele verhaal eruit. Haar nichtje was gepakt door een loverboy. Nadat het nichtje aangifte had gedaan, hadden ze Valeria gevonden op haar stageadres. En bedreigd. Ze durfde niks tegen mij te zeggen, omdat het goed ging op haar stage. En op school. Ik vroeg door: als de politie al betrokken was, waarom was ze dan niet naar de politie gegaan? Dat had ze gedaan. Maar de politie kon niets doen. Daarom waren ze ondergedoken, met de hele familie. Maar ze wilde weer naar school, daarom was ze terug gekomen. Ik voelde me naar. Wist niet hoe ik haar kon helpen. Valeria dronk haar koffie op. “Juf, ik denk dat ik hier wel stage wil lopen. Zullen we het vragen?” Ze lachte. “Juf, het komt wel goed. Ik zal nog even bang zijn, maar zodra ze die jongens te pakken hebben, dan komt alles goed.” En ze stond op en liep naar de kassa. En Valeria vroeg met haar liefste glimlach: “zou ik de bedrijfsleider even mogen spreken alstublieft?” Wat een supermeid! Ik was zo trots op haar!

Muts

Open

Als je werkt op een school voor asielzoekerskinderen, neem je iedere dag afscheid van leerlingen en heet je iedere dag leerlingen welkom. Het is een voortdurend proces. Een proces dat went, maar het afscheid nemen? Ik was er dubbel in. We maakten er een heel ritueel van. Met een grote kaart de klassen rond. Een mooie foto maken. Met de hele klas de auto of de bus uitzwaaien. Vaak stond ik daar met een brok in mijn keel, ook al had de familie een verblijfsvergunning en een huis. Soms werden ze overgeplaatst naar een ander AZC, soms werden ze teruggestuurd; naar het land waar ze het laatst waren geweest voor ze in Nederland aankwamen.
Dit laatste gebeurde steeds vaker. En steeds vaker kwam het voor dat de politie de leerlingen uit de klas kwam halen. Dat was het ergste wat kon gebeuren. Alle leerlingen van slag… wijzelf niet het minst. De agenten walsten naar binnen, riepen een naam en namen het kind mee. Buiten stond de rest van de familie met een tas of koffer, andere agenten er om heen. We zwaaiden (meelopen mocht niet) en ik troostte de huilende vriendjes. En na schooltijd ruimde ik de kastjes van de leerling leeg en hoopte dat hij of zij nog ergens op de foto stond. Ja. Het wende.
De familie van Eri wist dat ze uitgezet gingen worden. Eri fluisterde me in dat ze naar Engeland gingen vluchten. Hij mocht eigenlijk niks vertellen, maar daar hadden ze familie. Terug naar Somalië was geen optie, dus ze gingen verder. Maar hij wist niet precies wanneer. Vanaf dat moment nam hij iedere dag zijn schoolspullen mee naar huis. Zogenaamd om huiswerk te maken, maar ik verdacht hem ervan dat hij tijdens de reis gewoon wilde doorleren. En ja. Op een dag was hij weg. Gelukkig stond hij op de foto. Met zijn muts van Galatasaray. Die had hij altijd op. Behalve in de klas, want dat mocht niet van mij. De klas was wel van slag, want ze wisten niet waar hij was. Ik vertelde dat hij was verhuisd. Meteen iedereen blij: “Eri heeft huis!” Ik liet het maar zo. Na schooltijd deed ik uit gewoonte zijn kastje open om het leeg te maken. Er zat niks in. Dacht ik. Maar er zat wel wat in. Zijn muts. Kedong. De tranen sprongen in mijn ogen. Ik heb de muts bewaard en ik heb hem nog steeds. Ik weet niet of hij Engeland heeft gehaald. Maar ik hoop dat het hem goed gaat. Ook zonder muts.

Winkelwagentje

Open

Als juf in het praktijkonderwijs heb je altijd minimaal twee ADHD-ers in je klas. En soms zijn het ook nog eens hele dikke vrienden. Zo ook Marco en Albert. Hoe ver ik ze ook uit elkaar zette, ze hadden altijd contact met elkaar. Muziek aan in de klas? Hoppa! Binnen 3 seconden stonden ze als wilden te dansen. Ik kon niet eens zien wie de eerste was. Viel er ergens een pen op de vloer? Als volleerde buikschuivers probeerden ze beiden als eerste bij de pen te zijn, om deze vervolgens door de klas te gooien in de richting van de eigenaar. Wesp in het lokaal? Een groot feest, waarbij de meiden natuurlijk begonnen te gillen en Marco en Albert zich opwierpen als heldhaftige cowboys die (het liefst de een zittend op de rug van de ander) met een schrift of boek op wespenjacht gingen. Iedere dag was het bal met die twee. Gelukkig hadden ze ook een goed gevoel voor humor, wat voor mij maakte dat ik het niet zo heel erg vond om steeds weer te moeten wachten tot de heren weer zaten en rust was terug gekeerd. Helaas stelde niet iedereen hun gevoel voor humor op prijs. Voor het vak Cuma moesten de leerlingen in duo’s prijsonderzoekjes doen in de plaatselijke supermarkt. Dat gebeurde gewoon onder schooltijd, tijdens het zelfstandig werken. De mensen van de supermarkt waren ingelicht, er waren duidelijke afspraken gemaakt en Marco en Albert lagen op hun knieën voor mijn neus “of ze alsjeblieft lieve, lieve juf voor deze ene keer de opdracht samen mochten doen. Mijn gevoel zei me dat het geen goed idee was, maar aan de andere kant moest ik ze toch ook eens een kans geven dus: “oké. Voor deze ene keer dan.” Toen volgde er natuurlijk een rondedans door de klas en toen ik ze weer rustig had liet ik ze een contract ondertekenen waarin zij plechtig verklaarden, met de hand op het hart, dat er geen klachten zouden komen en dat ze de opdracht perfect zouden uitvoeren. Een paar dagen later was het zo ver. Driekwart van de leerlingen had de opdracht al gedaan, de heren waren de hele dag al rustig en redelijk geconcentreerd aan het werk dus… ze mochten. Ik kruiste mijn vingers. Maar helaas. Na 20 minuten werd ik gebeld door de bedrijfsleider van de supermarkt. Of ik die twee idioten even kwam ophalen. Ze hadden een karretje genomen, Marco was er in gaan zitten en Albert duwde. Ze scheurden als een formule1wagen door de winkel, schreeuwend dat iedereen opzij moest, botsten tegen schappen en onschuldige winkelaars aan. O nee! Duizendmaal excuses! Gelukkig was het net pauze en kon ik de heren ophalen. Ze stonden al buiten de winkel. Ze keken zeer schuldbewust. De bedrijfsleider stond ernaast. Hij keek woedend. De heren en ik boden nog eens onze excuses aan, maar het hielp niet. Geen enkele leerling uit mijn klas mocht van hem ooit nog een opdracht doen in zijn winkel. Ik baalde. Toen we terugliepen naar school mopperde Albert: “Juf, u kunt er niks aan doen hoor. Die man heeft gewoon geen gevoel voor humor.” Marco knikte instemmend: “Ja juf, en wij wel, dat zegt u zelf altijd.”

Sabbelen

 

Johan was een bijzonder kind. Klein voor zijn 5 jaar, spichtig met blond piekhaar. Hij zat al 3 maanden op de IOBK bij mij in de groep en al die tijd had hij nauwelijks iets gezegd en nog nooit gelachen. Hij speelde alleen maar in de bouwhoek. Al zaten ze er met hun vieren; Johan speelde in zijn eentje. Hij bouwde altijd een vrachtwagen om zichzelf heen; zijn vader was vrachtwagenchauffeur, dus dat vond ik wel logisch. Hij pakte gewoon de blokken van de andere kinderen af, haalde stoelen uit de kring en deed dat alles met een vanzelfsprekendheid die ik heel bijzonder vond. Al met al vond ik dat het best aardig ging. Hij zong mee met de liedjes, deed mee met de kringactiviteiten en vertelde zelfs wel eens wat in de kring. Over de vrachtwagen van zijn vader, dat wel. Als er geknutseld moest worden, werd het een vrachtwagen. Tekenen? Een vrachtwagen. Een keertje in de poppenhoek? Hij was de vrachtwagenchauffeur die in de bouwhoek zijn vrachtwagen had staan. Ik liet het maar zo. Ik dacht, ach… als “vrachtwagen” straks in groep 3 het eerste is wat hij kan lezen, dan komt het nog wel goed met Johan.
Maar het kwam niet goed. Tegen het eind van het schooljaar begon Johan zich weer terug te trekken. Hij bouwde niet meer, zat stilletjes in de kring. En steeds vaker vond ik hem bij het aanrecht… waar hij sabbelde aan het vaatdoekje dat er lag. Vaak met lijm en verf erop…. De eerste keer dat ik hem betrapte, greep ik hem in mijn schrik bij zijn arm en Johan begon te huilen. “Juf, ik moet tanken. De benzine is op.” Ik vertelde dat hij dan beter een bekertje water kon drinken. Maar het hielp niet. Er zat niets anders op dan alle vaatdoekjes hoog wegbergen, wat weer niet handig was omdat de meeste leerlingen inmiddels keurig hun eigen tafel konden schoonmaken. Vervolgens begon Johan aan de kwasten te sabbelen, zowel van de verf als van de lijm. De psychologe had al enige observaties in de klas gehouden en zij was vooral verbaasd over het feit dat Johan het niet eens stiekem deed. Johan likte en sabbelde aan alles alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Wat het voor hem ook was. Inmiddels waren er al gesprekken gaan de met de schoolarts, de ouders, de IB-er… maar niemand had een idee. De ouders, lieve mensen, begrepen er niets van. Hij deed het alleen op school en niet thuis, zeiden ze… Ik ging ernstig aan mijzelf twijfelen en wist nu zeker dat ik iets heel erg fout deed. De psycholoog besloot Johan te laten observeren in een kinderpsychiatrisch centrum. Ik wist niet of ik nu blij moest zijn of niet, maar daar sabbelde hij gewoon door. Het centrum heeft Johan gehouden. Hij is nooit meer terug bij ons op school geweest, zelfs niet om afscheid te nemen. Ik ben zo bang dat hij nooit vrachtwagenchauffeur is geworden. Aan de andere kant… je weet maar nooit :-).