Op huisbezoek bij honden

Een van de grappigste huisbezoeken die ik ooit heb afgelegd, was bij de familie de Wit. Jojanneke de Wit zat in mijn klas. Een gezellige, leuke doorsnee leerling. Altijd een praatje klaar, altijd haar werk af, altijd enthousiast. Het enige was, dat ze altijd zat te gapen in de klas, dus ik had het vermoeden dat ze veel te laat naar bed ging. Dat leek mij een aardig onderwerp voor het huisbezoek.
Nou, daar gingen we dan. De fiets van Jojanneke in mijn kofferbak, Jojanneke op de achterbank en zij wees de weg. Dat lukte heel aardig, tot we bij een fietspad kwamen waar ik met de auto echt niet in mocht. Ik schoot in de lach, Jojanneke lachte als een boer met kiespijn… want een van de vooropdrachten was geweest: weet de weg voor de juf met de auto! Uiteindelijk kwamen we er. Keurig rijtjeshuis, keurige tuin, gordijnen en vitrages.
Toen we voor de deur stonden barstte er een luid kabaal los. Honden! O ja, dat wist ik eigenlijk wel. Jojanneke vertelde met regelmaat over haar lievelingsdieren. Ik zou alle namen moeten weten, maar eerlijk gezegd wist ik niet eens meer hoeveel het er waren. Nou, het bleken er zes te zijn. Herders. En ze konden hun mond niet houden. Moeder stuurde ze een hoek in en heette mij van harte welkom. Ik kreeg een kopje thee, werd op de bank neergepoot en Jojanneke kwam gezellig naast me zitten. De huiskamer was klein. Of eigenlijk: de meubels waren enorm groot, van die ouderwetse grote eiken kolossen. Grote fauteuils, grote kasten. En dan zes honden. En er stond ook een enorme TV. En die stond aan. Met geluid. De moeder van Jojanneke zat tegenover me. Ik zag haar mond bewegen, maar ik kon niet verstaan wat ze zei, door de TV en het geblaf. Ik vroeg of de TV uit mocht. Moeder verstond me niet. Ik vroeg het aan Jojanneke. Die haalde haar schouders op. “TV staat altijd aan”, zei ze. O. Ik stond op en liep naar moeder. Ik ging naast haar staan, in de hoop een paar woorden te kunnen wisselen. IJdele hoop. Moeder stond op en schonk opnieuw thee voor me in. Nu mocht ik op haar fauteuil en ging zij op de bank zitten. Tja. Ik dronk snel mijn thee op en liep weer terug naar de bank. Ik wilde nu natuurlijk heel graag Jojanneke’s kamer zien. En ja, dat wilde Jojanneke ook heel graag dus daar gingen we, naar boven. En o nee… de hele hondenmeute kwam achter ons aan. Hijgend renden ze de trap op en vulden Jojanneke’s kamer. Ze blaften even niet, gelukkig. Dus kon ik een hoop complimenten uitbrengen over de gezellige roze kamer van Jojanneke. Jojanneke straalde. “De honden slapen hier ook.” Oké. “En waar slapen ze dan?” vroeg ik. Het antwoord liet even op zich wachten. “Op mijn bed.” Aha. Er vielen wat kwartjes. “En waar slaap jij dan?” Jojanneke aaide een van de honden. “Dit is Bummer, hij is mijn lievelings. Hij slaapt naast mij. Maar soms komen de andere erbij.” Ik knikte. “En dan slaap jij niet meer.” Jojanneke keek schuldbewust naar de grond. Ik had haar al zo vaak gevraagd of ze wel genoeg had geslapen…. Het antwoord was altijd: “ja hoor!” Met een big smile… Ik keek moeder aan. Moeder zei kattig tegen haar dochter: “ik heb al zo vaak gezegd dat het niet goed is om met de honden te slapen Jo!” Jojanneke keek even heel brutaal naar moeder, maar moeder zag haar kans om mijn gezag in te schakelen en die kans greep ze: “De juf zegt dus ook dat het niet goed is als de honden bij je slapen. Toch juf?” Ik knikte en stak een speech af over goede nachtrust en voldoende zuurstof en miljoenen honden-bacteriën in je bed. Jojanneke aaide de honden en haalde haar schouders op. “Oké dan. Mogen ze dan wel op de gang?” Moeder vond het goed en ontspande zichtbaar. Dus ik riep enthousiast: “dan lust ik nog wel een kopje thee”. Beneden aangekomen was dat snel geregeld. En zodra we in de huiskamer zaten, begonnen de honden weer te blaffen. Volgens mij was er ook echt een causaal verband tussen het geluid van de TV en het geluid van de honden. Maar goed, ik had mijn doel bereikt en ik besloot mijn hand niet te overspelen. Dat was iets voor een volgend huisbezoek, besloot ik. Want Jojanneke kwam voortaan uitgeslapen op school. Yes! Soms lukken dingen gewoon!

Ouwe zeurpiet die nodig met pensioen moet

Ik had mijn eerste vaste baan in het onderwijs en ik vond het geweldig! Ik trok meteen allerlei taken naar me toe, deed enthousiast mee met alle buitenschoolse activiteiten en probeerde alles even perfect te doen. Een van de taken die ik had, was die van ICT-coördinator. En uit hoofde van die functie mocht ik driemaandelijks naar het gemeentelijk scholenoverleg van alle ICT-coördinatoren. En ook dat vond ik erg leuk. Ik maakte de notulen, zocht op waar leuke software te koop was en bemoeide me overal mee. De meeste leden van de commissie bezagen mijn enthousiasme met vrolijkheid, maar Eduard niet. Eduard werkte op een school aan de andere kant van de stad en klaagde alleen maar. De computers waren steeds stuk. De door mij gekozen software diende zijn doel niet. De leerlingen waren vervelend en zijn directeur ook. Binnen een paar bijeenkomsten hadden we ruzie. Ik nam nooit een blad voor de mond en noemde hem een “ouwe zeurpiet die nodig met pensioen moet”. Hij keek me aan en zweeg.
Vlak voor de zomervakantie had mijn directeur een mededeling. Wegens uitbreiding zouden we nieuwe collega krijgen aan het begin van het nieuwe schooljaar. Eduard dus. Ja, en toen stak ik natuurlijk een retirade af over die “ouwe zeurpiet die nodig met pensioen moet”. Dat zou toch echt geen aanwinst voor ons team zijn. En mijn directeur keek mij heel streng aan. “Ik wil dat nooit meer horen. Eduard verdient een nieuwe kans. Hij heeft iets geweldigs gedaan en daar moet je respect voor hebben.” Ik werd nieuwsgierig. Mijn directeur vertelde. Het bleek dat Eduard op een dag in de klas aan de leerlingen had gevraagd of hij wel een leuke meester was. Of hij geen zeurpiet was. De leerlingen zeiden niet zoveel. Het ging wel. Hij gaf best goed les. Hij was er altijd. Maar een leerling vroeg: “Meester, wilt u hier altijd blijven werken? Tot u doodgaat?” Op die vraag had hij geen antwoord, maar hij was er wel over gaan nadenken. En de volgende dag vroeg hij overplaatsing aan. Naar onze school. Omdat wij een “jong, fris team” hadden. En hij wilde eigenlijk wel weer “jong en fris” worden.
En dat deed Eduard. Hij nam mijn ICT-werk over (ik ging in de feestcommissie), vroeg overal advies over software, deed mee aan alle buitenschoolse activiteiten en organiseerde van alles en nog wat. Ik heb hem nooit meer horen zeuren. En het bleek dat hij prachtige verhalen kon vertellen. Met heel veel humor. Geweldige collega, Eduard. Hij is een paar jaar geleden overleden, maar ik denk nog steeds aan hem terug met diep respect. En ja: op de eerste schooldag heb ik excuses aangeboden voor mijn rotopmerking. Dat vond hij netjes van me.

Vliegeren

Ik weet niet of jullie de film “de Vliegeraar” hebben gezien, maar zo ja, dan weet je dat vliegeren in Afghanistan de nationale hobby is. Of was, want de taliban heeft vliegeren verboden.
Op een bepaald moment hadden we heel veel Afghaanse leerlingen op de AZC-school. En toen zij doorkregen dat vliegeren hier wel mag, waren ze niet meer te stuiten. Menige handvaardigheidsles werd gevuld met het maken van vliegers, staarten en prachtige versieringen. En iedere pauze en na schooltijd was het raak. Een prachtig gezicht: al die vliegers in de lucht. Want ze waren er allemaal erg goed in.
Achter het terrein waarop het AZC was gevestigd, stond een huis van bewaring. Er stond een enorme muur omheen. En ja… er verdwenen regelmatig vliegers naar de andere kant van de muur. En daar woonde niet een buurman waar je zomaar even bij aanbelde.
Dus bedachten ze dat ze een brief gingen schrijven! Kun je je een betere taalles voorstellen? Ze moesten het juiste adres vinden en de naam van de directeur. Er mochten geen spelfouten in de brief komen en hij moest ook nog formeel worden opgesteld. Hoe vraag je netjes aan een directeur van een gevangenis of je je vliegers terug mag hebben? Een hele week zijn we er iedere taalles mee bezig geweest… maar toen keurde ik hem goed. We hebben hem gezamenlijk op de post gedaan.
Een paar weken later kregen we antwoord. Een brief van een medewerker die ons uitnodigde voor een rondleiding in het huis van bewaring. Want de vliegers… die hadden ze helaas weggegooid… Die teleurstelling werd snel vervangen door een gevoel van spanning… rondkijken in een gevangenis: spannend!
Ik belde met de medewerker en weer een paar weken later gingen we op bezoek. Het was een zeer leerzame middag… vooral voor mij! De leerlingen waren namelijk alleen maar geschokt en jaloers. Het leek niet op een gevangenis. Het leek op een luxe hotel! Een eigen kamer, met TV. Een fitnessruimte. Alles schoon, en nieuw en de stilte… Allemaal vroegen ze of ze daar mochten komen wonen. Pas toen realiseerde ik me hoe het afschuwelijk het is om op een ACZ te wonen. De vliegers waren vergeten. Maar het huis van bewaring niet. Nog weken daarna wilden ze een brief schrijven naar de directeur. Ze wilden nog eens op bezoek. Of ze daar niet mochten logeren, desnoods in de vakantie…. Maar helaas. Die vlieger ging niet op.

Auto-ongeluk

Open

Ik liep stage op de basisschool-afdeling van een particuliere ZMOK-school. Een bijzondere school; de hele afdeling bestond uit 5 leerlingen van 8 tot 12 jaar en ze zaten verstopt op de zolder van een oud gebouw. En daar gaf ik mijn eerste les aan de groep. Een van de leerlingen was Marco. Een jaar of 10. Klein, stil, muizig, peper-en-zout-kleurig haar.
Ik ging tekenles geven. Ik had een leuke les voorbereid waar men bomen moest tekenen. De mentor van de groep had mijn lesvoorbereiding goedgekeurd en ik ging aan de slag. Mijn 5 leerlingen letten goed op tijdens de instructie en gingen enthousiast aan de slag. Ze waren 10 minuten voor de pauze klaar, waardoor ik de les nog kon nabespreken. Les gelukt! Dacht ik… De opbrengst was 4 tekeningen met bomen en de tekening van Marco. Marco had een auto-ongeluk getekend. Veel rondvliegend blik, stofwolken en bloed. En een gebroken lichaam op de weg. Geen boom te zien. Ik begreep het niet, maar complimenteerde de klas met hun mooie resultaten. Toen de bel ging hield ik Marco tegen en vroeg hem waarom hij zich niet aan de opdracht had gehouden. Marco haalde zijn schouders op. “Boeit me niet.” De mentor kwam erbij zitten. “Misschien moet je deze juf vertellen waarom je het ongeluk getekend hebt. In plaats van bomen.” Marco liep rood aan. “Ik ken haar niet.” De mentor legde haar hand op zijn arm. Marco trok zijn arm weg. “Ze is hier nog heel lang. Ik denk dat je het moet vertellen.” Maar Marco schudde zijn hoofd en stond op. “Nee!” En hij gooide zijn stoel om. “Nee!” En hij gooide een tafel om. De mentor en ik stonden op. “Ga even zitten.” “Nee!” En daar ging nog een tafel. En Marco rende het lokaal uit. Zonder jas of tas. De mentor belde naar de conciërge, die beloofde Marco bij de voordeur tegen te houden. Wij naar beneden, 5 trappen af. En in de hal stond Marco, vastgehouden door drie collega’s. Marco vocht voor zijn leven, leek het wel. Ik was geschokt; kon alleen maar toekijken. Een van de docenten nam Marco in een soort houdgreep en Marco kalmeerde. Hij haalde diep adem en barstte in huilen uit. We namen Marco mee naar een kamertje. Glaasje water, zakdoekjes, enzovoort. Ik haalde Marco’s jas en tas. Marco deed zijn jas aan, wilde weg. Maar de mentor vroeg hem nog even te blijven. “Ik vertel het haar wel, oké?” Marco aarzelde maar knikte. “Marco had vroeger een beste vriend. Hij heette Marius. En Marius is voor zijn ogen geschept door een auto toen ze op weg naar school waren. Marius ging daar op straat dood, waar Marco bij was. En dat is nu het enige waar Marco aan kan denken. De hele dag door. Hij kan niets anders tekenen. Hij kan niets anders schrijven. Zijn hoofd blijft vol zitten met het ongeluk. Daarom zit hij hier op school. Wij willen hem graag helpen.” Het was even stil. Tranen stroomden over Marco’s wangen. “Jullie kunnen me niet helpen. Niemand kan me helpen. Marius komt nooit meer terug.” En hij veegde zijn gezicht schoon. “En nu wil ik naar huis.” De mentor liep met Marco mee naar buiten. En ik zat daar maar. Hoe ga je hier mee om? Dat had ik niet geleerd op de Pabo… De mentor kwam terug. “Weet je dat het al bijna 4 jaar geleden is? Hij heeft al 4 psychiaters versleten. Zijn ouders weten het ook niet meer. Hij komt er niet uit.” “Ik denk dat we alleen maar lief voor hem kunnen zijn”, zei ik aarzelend. En dat deden we. Het hele verdere schooljaar. Maar het hielp niet.

Nagels

Melissa was wat we tegenwoordig een “Queen Bee” zouden noemen. Altijd een sleep meiden achter zich aan, altijd meteen een antwoord; zelfs als er geen vraag werd gesteld. Op het randje van brutaal, of net erover. Ik viel een dagje in in groep 7 van de school waar ik de andere 4 dagen een kleutergroep (ook als invaller) vermaakte. Melissa stond meteen klaar om me uit te proberen: “eens even kijken of we dat kleuterjuffie onderuit kunnen halen”. De rest van de klas steunde haar in het begin onvoorwaardelijk in haar pogingen, dus ik had het zwaar. Melissa trok al mijn beslissingen onmiddellijk hardop in twijfel: “bij onze eigen juf mogen we altijd…” Naar de WC als we moeten. Niet lezen als we geen zin hebben. Sommen overslaan. Eten en drinken in de klas. Door de klas lopen. Hardop kletsen. Enzovoort. Ik kapte iedere opmerking van Melissa onmiddellijk af: “vandaag ben ik jullie juf, dus vandaag houden jullie je aan mijn regels. Punt”. Melissa had daar onmiddellijk een brutale reactie op. Meestal een over mijn uiterlijk, of over mijn stem, of wat dan ook. Alles werd een persoonlijke aanval, gevolgd door gegiechel van de andere meiden en een dodelijke blik van mijn kant. Dan was het stil, konden we aan het werk en bij de volgende les begon het hele ritueel weer opnieuw. Er waren wel leerlingen die het gemekker van Melissa snel zat waren. Er werd steeds minder gelachen om haar brutale opmerkingen, maar niemand durfde iets te zeggen. De spanning in die klas voelde niet prettig aan. In de pauze riep ik Melissa bij me. Ik wilde de lucht geklaard hebben voor de volgende les begon. Maar Melissa werkte niet mee. Ze wilde naar buiten en wenste niet door mij aangesproken te worden. Met haar neus in de lucht liep ze richting deur. Er knapte iets in me. Ik liep haar achterna, greep haar in haar nek en draaide haar om. “Zitten jij! En luisteren!” Melissa ging zitten. Ze keek me nog steeds recht aan, net iets minder hooghartig. Ik hield een preek over hoe ze zich diende te gedragen. Ze beloofde dat ze dat zou doen. Ze wist best hoe het hoorde, jawel. En ik stuurde haar naar buiten. En het hielp. De rest van de dag hield Melissa haar mond. Ik zei niets op de heimelijke blikken die ze haar vriendinnen toewierp. Ik keek alleen maar streng. En zo kon ik de dag goed afmaken. Na schooltijd ging ik met een tevreden gevoel achter het bureau zitten nakijken. Na een uurtje kwam de directeur het lokaal binnen, gevolgd door Melissa en een mevrouw. Haar moeder dus. Ik was benieuwd. Moeder begon meteen te schelden en te tieren. “Kindermishandeling! Ontslag!” En dan nog wat nare scheldwoorden. De directeur kalmeerde haar en zei mij dat deze moeder mij wilde aanklagen voor kindermishandeling. Ik had alleen geen idee waar moeder het over had. Moeder duwde Melissa’s hoofd op haar borst en trok haar haar opzij: “hier! Kijk maar!” En ojee. Ze had gelijk. Er stonden vijf nagelafdrukken in de nek van Melissa. Mijn nagels. Geen bloed of zo, maar wel de afdrukken van toen ik haar in haar nek greep. “Ze heeft geprobeerd mijn kind te killen! Moordenaar!” En moeder begon weer te krijsen. Ik ging verslagen zitten. Melissa had het bloed onder mijn nagels vandaan gehaald, maar dat was natuurlijk geen reden om ze in haar nek te zetten. Ik besloot door het stof te gaan en bood 3000 keer mijn excuses aan en dat ik het niet zo bedoeld had, enzovoort, enzovoort. Moeder nam er genoegen mee. Ze nam Melissa bij de hand en walste het lokaal uit. Melissa wierp me nog even een triomfantelijke blik toe. De directeur kwam naast me zitten. “Ik snap het wel. Ik ken Melissa. Haar eigen juf heeft er ook de handen aan vol. Nou ja, vooral aan moeder.” Hij stond op. “Ik zie je morgen weer, bij de kleuters.” Hij liep weg en draaide zich om bij de deur: “maar wel vanavond nagels knippen, he”.