Prinses

Sahaar zag er altijd fantastisch uit. Van top tot teen gehuld in felgekleurde lappen. Als ze zich omdraaide dan zwaaiden al haar doeken mee. Toen ze de eerste dag bij ons op school was, waren we diep onder de indruk van haar verschijning. “Wat een mooie meid!” zeiden we tegen elkaar. “I’m a princess”, lachte ze naar ons. Na een paar dagen was de lol er echter af. Ze stak haar vinger niet op als ze een vraag had, nee, dan knipte ze met haar vingers.  En als we dan niet onmiddellijk naar haar toe gingen, dan begon ze ons in het Somalisch uit te schelden. Helaas voor haar renden we niet onmiddellijk op haar af. We probeerden haar vriendelijk doch beslist uit te leggen dat de regels in de klas toch iets anders waren dan zij in gedachten had. Er zat wel iets komisch in haar gedrag, maar ze bracht zoveel onrust mee dat de andere leerlingen meer last dan plezier van haar hadden. Toen Sahaar merkte dat doordrammen geen effect op ons had, richtte ze haar pijlen op de andere leerlingen. En dat deed ze heel slim, omdat ze best begreep dat wij dat niet goed vonden. Er werd veel zelfstandig gewerkt en we gaven veel instructie aan kleine groepen. Zodra we daar mee bezig waren loerde Sahaar de klas rond om te kijken wie ze voor haar karretje kon spannen. Soms was dat het maken van haar werk (als ze geen zin meer had), soms was dat het halen van een glaasje water, en soms, als ze echt niks nuttigs wist te bedenken dan liet ze een andere meid haar nagels lakken. Het werd een sport voor onze prinses om anderen voor haar te laten rennen zodra wij niet keken. Als we haar daar op aanspraken, keek ze ons hooghartig aan en begon ze een preek in half Engels en half Somalisch waar wij geen touw aan vast konden knopen. Ze weigerde ook consequent om Nederlands te spreken, terwijl ze al zo lang in Nederland was dat ze ons best aardig kon verstaan. Ouders om mee te praten waren er niet, aangezien ze een ama (alleenstaande minderjarige asielzoeker) was. Haar voogdes was er nooit. Wij hadden het vermoeden dat ze Sahaar ontliep. Het meest bizarre wat Sahaar uithaalde, was toen er een journalist en een fotograaf van een onderwijsblad op school kwamen. De directeur werd geïnterviewd en de fotograaf fotografeerde de leerlingen die op de foto mochten. En Sahaar lachte breeduit naar de fotograaf en dook steeds voor de lens zodra een foto werd genomen. En omdat ze zo stralend lachte en er zeer kleurrijk uitzag, vond de fotograaf het nog leuk ook. Wij vonden het wat minder. Tegen de tijd dat we het onderwijsblad in handen kregen, was Sahaar alweer vertrokken. Naar een ama-huis. Onze prinses stond op bijna iedere foto. We hoopten oprecht dat er in het ama-huis consequente, betrokken en liefdevolle opvoeders waren. Met héél veel geduld.

Trotse ouders

Open

Toen Mehmet bij ons in de eerste op de praktijkschool kwam, maakte hij een lieve, bedeesde indruk. Hij had een rond gezicht, grote bruine ogen en was klein voor zijn leeftijd. Een schatje dus. Dachten we. Maar Mehmet bleek een groot probleem te hebben met gezag. Ik heb nog nooit een jongen gezien die zo onbeschoft uit de hoek kon komen. Als ik heel eerlijk was, was ik blij dat ik hem maar een uurtje per week in de klas had. Binnen twee weken was Mehmet er al minimaal een keer per dag uitgestuurd en kwamen zijn ouders op school om te praten over “hoe het nu verder moest”. Maar nee, vader en moeder wisten het ook niet. Thuis ging het allemaal prima. Mehmet was wel veel buiten, maar hij was altijd op tijd thuis voor eten en slapen. Mehmet was immers de oudste en enige zoon, dus die wist best hoe het hoorde. Mehmet was hun oogappel. Ze waren trots op hem. Maar ze wisten niet met wie Mehmet buiten was. Met vriendjes, voetballen, zei hij altijd. Maar wij wisten wat Mehmet echt deed in zijn vrije tijd. Een van de collega’s woonde toevallig in de buurt waar Mehmet ’s middags en ‘s avonds rondhing. Een buurt waar gedeald werd. Een buurt waar jongens rondliepen waarvan geen enkele ouder wil dat zijn zoon daar mee “voetbalt”. De juf probeerde ouders omzichtig te vertellen waar het “voetballen” uit bestond. En Mehmet keek met zijn grote bruine ogen naar zijn ouders en juf en zei dat dat maar een keer was geweest. Per ongeluk. En dat ie het nooit meer zou doen. Vader en moeder namen hun zoon opgelucht mee. Maar juf keek ze bezorgd na. Want die juf wist inmiddels al wat de beloftes van Mehmet voor waarde hadden. Nul komma nul. En inderdaad. Binnen een paar maanden moest Mehmet voor de kinderrechter verschijnen voor een inbraak in een loods. Hij had op de uitkijk gestaan. De dag tevoren was hij op school en vertelde hij iedereen wat hij allemaal wel niet tegen die “***-rechter” zou zeggen. De dag erna kwamen zijn ouders op school. Ze kwamen afscheid nemen. En hun zoon van school halen. De rechter had begrip getoond voor Mehmet en zijn ouders aangeraden om Mehmet  uit de invloedssfeer van de buurt te halen. Mehmets vader nam dus een hele rigoureuze beslissing: Mehmet ging naar opa en oma in Turkije. Geiten hoeden. Want dat Mehmet nooit een diploma zou halen, hadden ze inmiddels begrepen. Dus dit was volgens hem en de rechter de beste beslissing. En wij vonden het briljant! We hebben Mehmet allemaal enthousiast een hand gegeven toen hij afscheid kwam nemen. En hem heel veel succes gewenst in Turkije. En weet je, ik denk nog steeds dat hij daar tussen de geiten echt beter tot zijn recht kwam dan hier, tussen de dealers.

Koprol

10 jaar oud, een stofwisselingsziekte en een moeder die “heel goed voor je zorgt”. Kun jij het je voorstellen? 10 jaar oud en tonnetje rond? Nooit mogen snoepen. Altijd aan je medicijnen denken. En steeds uitgescholden worden voor “vetzak!”. En dan zit zwaarlijvigheid ook nog eens in de familie. Ik vond het wonderbaarlijk dat Frank lachend door het leven ging. Op school werd hij nooit uitgescholden. En op straat? “Ach juf, ze doen maar. Ze weten niet beter”. Frank was letterlijk “een “gezellige dikzak”. Altijd behulpzaam, altijd enthousiast. Hard werken, goed opletten en zo nu en dan een flauwe mop of een geintje uithalen met de juf. Een heel gewoon kind dus. Maar nee. Ik vond Frank bijzonder. Omdat hij nooit opgaf. Ik weet niet waar hij de moed vandaan haalde, maar om met zo’n lijf (en vooral: in combinatie met die ziekte) zo vrolijk door het leven te gaan… ik had (en heb) daar een grenzeloze bewondering voor.
Het mooiste was toen we een “echte” gymmeester kregen. En die ging ook turnen met de leerlingen. Oei. Met ieder willekeurig balspel deed Frank enthousiast mee. Hij was niet snel, maar wel stevig en met een “oeps sorry” tijdens een duw kreeg hij menig bal te pakken die eigenlijk niet voor hem was. En nu moest Frank leren om een koprol te maken. Hij probeerde het oprecht, maar hij viel steeds om. En omdat dat best een komisch gezicht was, werd er ook nog om hem gelachen. Het was voor het eerst dat ik Frank niet vrolijk zag. Ik haalde de groep op uit de gymzaal en het viel meteen op. Frank brandde meteen los na mijn vraag wat er was. “Juf, ik wil het kunnen. Ik wil het. Stomme koprol.” Ik begreep het. Wat nu. De gymmeester had geen tips. Volgens hem zou hij het pas leren als hij minimaal 10 kg zou afvallen. Maar dat was medisch gezien geen optie de komende jaren. Frank vroeg of hij na schooltijd mocht oefenen. In de speelzaal, want daar waren ook matten. En natuurlijk mocht dat. En niemand mocht kijken, maar Frank hield ons op de hoogte van zijn voortgang. Het moeilijkste was om zijn kin goed op zijn borst te krijgen. Op de een of andere manier kwam hij steeds scheef uit. Maar Frank bleef het proberen. Dag na dag. Net zo lang tot hij het (min of meer) kon. De maandag erop: weer gymles. Ik had de gymmeester ingeseind en de mat lag klaar. Daar ging Frank. Kin op de borst en hoppa! Het was een koprol! Hij ging scheef, maar Frank viel niet om. Ik heb de gymmeester nog nooit zo verbaasd zien kijken. De rest van de klas juichte, ik applaudisseerde en Frank hief, als een volleerd voetballer, zijn vuisten in de lucht. Gelukt! De gymmeester was zo sportief om hem te feliciteren. En de week erna had hij een appel voor hem meegenomen, ingepakt in goudpapier. “Voor de beste volhouder van het jaar”, stond erop. En zo was het.

Een goede test

Open

Een van onze leukste stageadressen was bij Jan. Jan de Zwart. Jan maakte namelijk diepvriesproducten. Kroketten, frikadellen, bitterballen… een favoriet hapje voor onze leerlingen. Maar ook… een goede test. Maar dat wisten de leerlingen zelf niet. Het ging als volgt. We hadden natuurlijk wel ieder jaar een leerling die eigenlijk stage moest gaan lopen, maar die zich de meeste tijd nog als een kleuter gedroeg.  Zo ook Roger. Hij was 16, maar kroop nog iedere les onder de tafel. Het spel was dan om bij het opnoemen van de absenten heel hard te zeggen: “oooo wat jammer zeg. Roger is er niet.” En dan sprong hij tevoorschijn: “Tadaaa!” De eerste les was het nog grappig. De tweede ook, maar de derde les begon het te vervelen. Na een maand waren zelfs zijn klasgenoten het zat. En Roger moest op stage. Ik zat dus met mijn handen in het haar, als beginnend stagedocent. Gelukkig. Collega Frits wist de oplossing. Roger moest maar naar Jan de Zwart. Dus ik nam Roger mee om kennis te maken. Frits en ik hadden hem lekker gemaakt met de kroketten en frikadellen. Frits had Roger verteld dat hij, als hij erg zijn best deed, iets lekkers kreeg bij de lunch en dat hij, als hij de stage netjes afmaakte, een doos naar keuze mee naar huis mocht nemen. Nou, dat zag Roger wel zitten. En hij zag Jan ook zitten. Jan was een grote man van weinig woorden. Hij sprak in commando’s (wat voor onze leerlingen wel lekker duidelijk was) en verder geen gedoe. De koffie moest ik zelf inschenken. Jan gaf Roger een hand en vroeg aan mij: “is het er een voor een test?” En ik knikte. Jan maakte zich breed. Hij keek streng naar Roger. “Ik zie je morgen. Handschoenen mee. Zeven uur hier. Geen brood mee.” Roger keek me aan. “ Zeven uur? Zei hij zeven uur?” Ik knikte. “Ja, maar dan ben je ook om vier uur weer klaar.” De volgende ochtend was Roger keurig op tijd. Hij mocht meelopen en kijken wat er allemaal gebeurde in de fabriek. Hij vond het ‘reuze relaxed’ en de lunch geweldig. De week erop was hij 5 minuten te laat. Jan was niet blij. Roger kon meteen fijn aan de slag in de vriescel. Dozen opstapelen. De hele ochtend. De week erop was hij op tijd. Roger dacht: dan hoef ik niet in de vriescel. Maar helaas. Jan zei: “je mag pas weer wat anders doen als ik zeker weet dat je niet meer te laat komt”. Roger dacht er nog een keer onderuit te komen door zijn handschoenen te vergeten, maar helaas. Jan had er genoeg liggen. Ik heb Roger nog wel een paar keer moeten helpen herinneren aan de doos lekkers die hij mee zou krijgen als hij de 12 weken keurig vol zou maken. En natuurlijk prees ik hem in de klas de hemel in: “echt stoer, die Roger! Een hele ochtend in de kou werken. Dan hebben jullie het maar makkelijk.” Dan straalde Roger. En ja, hij heeft de stage afgemaakt. Hij slaagde glansrijk voor de test; hij kreeg 3 dozen frikadellen mee naar huis. En hij heeft nooit meer onder de tafel gezeten. Hij was nu kleuter af.