7 dingen die op jouw bureau niet mogen ontbreken

De 7 dingen die op jouw bureau niet mogen ontbreken:

Ligt jouw bureau ook altijd helemaal vol? Een laptop, pennen, stickers, een plantje, stapels schriften, de boeken en handleidingen die je die dag nodig hebt en natuurlijk je kopje thee en de resten van een traktatie van gisteren. Dom, dom dom. Je bureau is voortaan leeg, op 7 dingen na die je niet wilt missen. De dingen die je nodig hebt voor je lessen (zoals de klassenmap, handleidingen en je nakijkpen), liggen op een aparte plank of tafel. Afgesproken?

1. Een spreekstok. Wie de spreekstok vast heeft mag spreken. Alle anderen luisteren.
2. Hele bijzondere plaatjes (of een stempel) voor de leerlingen die iets speciaals hebben gepresteerd. Je hebt er maar 3 per dag. Of 2. Of 1.
3. Een to-do-lijstje in blokvorm. Hier staan dingen op die je vandaag niet moet vergeten en die alleen met leerlingen te maken hebben.
4. Een boek met energizers. Je haalt er activiteiten uit op het moment dat je klas in slaap dreigt te vallen, of zomaar.
5. Water. Om te drinken.
6. Drie hele speciale pennen, waar je niet zomaar mee mag schrijven. Daar moet jij (of een leerling) eerst iets voor doen..
7. Een envelop met de naam van een collega erop en een briefje met een nonsensvraag erin. Dan heb je altijd een loopje voor een leerling die niet meer op zijn stoel kan blijven zitten.

 

Zeven tips voor het omgaan met moeilijke collega’s

Zeven tips voor het omgaan met moeilijke collega’s:

1. Ontloop ze. Knik vriendelijk als ze iets tegen je zeggen.

2. Voorkom dat je gaat roddelen over deze collega.

3. Ga eens in zijn of haar schoenen staan en bekijk het eens van de andere kant.

4. Houd jezelf eens een spiegel voor. Waarom vind jij deze collega moeilijk? Wat is de allergie die bij jou opspeelt?

5. Neem alles wat deze collega zegt heel serieus, en vraag hem/ haar dagelijks om tips en advies. Houd het positief en luchtig!

6. Vertel deze collega wat jij allemaal erg goed en leuk aan hem/ haar vindt.

7. Verwijt niets en niemand. Breng altijd een “ik-boodschap” en vermijd in alle zinnen het woordje “maar…”.

 

Niet een gastblog en vier tips voor de ouderavond

Niet een gastblog en vier tips voor de ouderavond

Een gastblog… van Sabine Wolters:
Niet over opvoeden. Niet lezen als je niet nieuwsgierig bent.

Luister je wel naar mij?
Heb je ook wel eens dat kinderen juist dat doen waarvan je net gezegd hebt dat je dat niet wilt? Je hebt het nog zo duidelijk gezegd en toch, op een of andere manier dringt het niet tot ze door.
‘Niet oversteken’ en hup… daar rennen ze de straat op. Of …. ‘vandaag gaan we niet op de computer’ en geheid wordt er even later gevraagd ‘wanneer mag ik op de computer?’. Of je zegt ‘vrijdag ben ik er niet’ en de volgende dag wordt er aan je gevraagd ….. ‘waar was je nou?’. ‘Niet laten vallen’ en hupsakee daar ligt het op de grond.Typische voorbeelden waarbij je juist het tegenovergestelde krijgt van wat je wél wilt. Hoe kan dat nou?
In voor een experiment?
Ik laat je iets ervaren, lees het volgende stukje rustig door om het echt zelf te ervaren:

‘Denk niet aan jouw huisnummer,
niet aan de kleur van je ogen,
niet aan je moeder
en zeker niet aan jouw favoriete tv programma,
niet aan jouw postcode en al helemaal niet aan jouw geboortedatum’

Wat gebeurt er? Inderdaad. Je denkt juist direct aan dat wat ik je vraag niet te doen. Hoe kan dat nou?
Het onbewuste kan geen ontkenning vasthouden.
Het woordje NIET bestaat in het onbewuste niet. Om ergens niet aan te denken moet je eerst een beeld maken van dat wat je niet wilt, om er vervolgens een streep door te zetten.
Wanneer kinderen (en uiteraard ook volwassenen) dus te horen krijgen dat ze iets niet mogen, maken ze er een plaatje van en dat beeld onthouden ze. En eigenlijk doen ze dus precies dat waarvan ze denken dat jij dat gezegd hebt. Het woordje niet is namelijk niet tastbaar en dat vergeten ze dus.
Hoe dan wel?
Veel effectiever is direct benoemen wat je wél wilt.
Wil je dat ze niet oversteken, zeg dan wat je wel wilt, bijvoorbeeld: ‘Blijf op de stoep’.
‘We gaan vandaag niet op de computer’ –  ‘Morgen mag je weer op de computer’.
‘Vrijdag ben ik er niet’ – ‘Vrijdag ben ik weg’.
‘Niet laten vallen’ –  ‘Goed vasthouden’.
Word je bewust van wat je eigenlijk zegt en geef een directe boodschap. Zeg wat je wèl wilt.
Eigenlijk telt dit precies zo voor je eigen doelen. Wat zeg jij tegen jezelf? Focus jij je op dat wat je niet wilt of juist op dat wat je wèl wilt?
Ga het verschil maar eens ervaren….. en mocht je je nou voornemen om niet meer te zeggen wat je niet wilt……
Je weet nu wat het woordje NIET niet voor je doet. 😉

Sabine heeft een geweldig leuk E-boek geschreven over hoe je de groepsdynamiek kunt beïnvloeden. Je kunt het HIER gratis downloaden.

En dan nu: vier dingen die je niet moet vergeten op een ouderavond:

1. Spreek af in welke gevallen je wel en wanneer je geen contact opneemt met de ouders.
2. Deel aan alle ouders visitekaartjes uit met je telefoonnummer (op school), wanneer je daar bereikbaar bent, met je (werk) e-mailadres, je vak en alles wat je nog meer wilt delen.
3. Doe een quiz(je). Dat kan gaan over hun kind, jouw vakgebied of de plaats waar jullie wonen. Kahoot is leuk als iedereen een smartphone bij zich heeft.
4. Neem van alle ouders persoonlijk afscheid, met een hand en een klein (leuk) woordje over hun kind.

 

Ben ik een goede leerkracht (of docent)?

Ben ik een goede leerkracht (of docent)?
Heb jij jezelf dat ooit afgevraagd?
Heb je ooit aan jezelf getwijfeld?
Ooit wakker gelegen op de laatste zondagnacht van de vakantie met een malend hoofd “kan ik het nog”?
Gedroomd dat het compleet uit de hand liep in een klas, met leerlingen die niet luisterden, vliegtuigjes, en grote rampen?
Ach ja… wie niet? Ik wel. Maar ik denk altijd… zolang ik kan blijven bijleren, ben ik een goede leerkracht (en docent). Denk jij dat ook?

De volgende vier dingen kunnen je helpen reflecteren als het even wat minder gaat:

1. Je maakt je eerste lessen te ingewikkeld. Je wilt teveel.
2. Je schiet in de verdediging als een leerling, ouder of collega kritiek op je heeft.
3. Je betrekt de ouders te laat bij schoolzaken die hun kind betreffen.
4. Je vraagt niet om hulp op het moment dat je eigenlijk wel hulp nodig hebt.