Blogvakantie…

Sterke School heeft BLOG-vakantie…

images (4)

Op 4 september 2016 verschijnt er weer een nieuwe blog:

Een goed pedagogisch klimaat in 7 stappen.

Let op je woorden in de klas deel 3 – JA MAAR

Let op je woorden in de klas deel 3 – JA MAAR

“Ja, maar…” is misschien wel het meest gegeven antwoord in het onderwijs.
“Ja maar… ik heb geen, ik kan niet, ik weet niet, ik doe niets, ik…”
En natuurlijk de variatie daarop: “Ja maar hij …… (of zij…)”
Het eerste woord dat je hoort is “ja”. Fijn, denk je dan. De wil is er. En nu de actie nog.
Maar die actie komt niet. Omdat er weerstand zit tussen de JA en de ACTIE. Een drempel. Een slagboom. Een muur misschien.

Hoe ga je daar mee om? Ik geef je drie mogelijkheden:

1. Als je die weerstand wilt vergroten, dan ga je in discussie. Je luistert beslist niet naar de “maar” en eist dat de actie volgt op de “ja”. Je gaat de strijd aan. En een strijd kun je winnen of verliezen.
“Geen ja, maar, gewoon doen. Nu graag. Onmiddellijk.” Blijf de leerling daarbij strak aankijken, net zolang tot het gebeurt. De leerling kan er dan voor kiezen om de weerstand uiteindelijk weg te halen. De slagboom is open.

2. Als je de weerstand wilt verkleinen of laten verdwijnen, dan luister je goed naar de “maar”. Indien nodig vraag je door en ga je in op de antwoorden. Je neemt de obstakels weg en committeert de leerling aan de actie. Je hebt de “maar” weggenomen en biedt de leerling de kans om in actie te komen. Erg handig bij het ontbreken van pennen en andere ontbrekende zaken.
“Dus als je wel een pen hebt dan kun je beginnen? Mooi, dan heb je hier een pen. Alsjeblieft. Begin maar.”

3. Je kunt de weerstand ook gewoon negeren en de verantwoordelijkheid bij de leerling leggen. Het kan zijn dat dat problemen oplevert voor andere leerlingen, dan is het zaak om die problemen voor te zijn. Duidelijke afspraken kunnen hier bij helpen.
“Oké, prima. Dan mag je het zelf oplossen. Kun jij dit zelf oplossen op een positieve manier waar iedereen mee kan leven? Fijn, ga je gang. Dan laat ik het verder aan jou.”
Als een leerling “nee” antwoordt, dan grijp je terug naar optie 1 of 2.

Let op je woorden in de klas deel 2 – NIET

Let op je woorden in de klas deel 2 – NIET

Nog zo’n fijn woord: NIET.
* Je hebt toch duidelijk gezegd dat Johanna NIET meer moet praten, maar ze doet het toch…
* Je hebt toch uitgelegd dat het NIET met potlood moet maar met pen, en de helft levert het met potlood in.
* Als ze zich NIET gedragen, krijgen ze NIET de beloning, en ze zijn boos dat ze de beloning niet krijgen.

NIET is een raar woord. Je denkt dat je heel duidelijk bent als je het woordje NIET gebruikt, maar je bent dat NIET. Je bent gewoon ONDUIDELIJK. Sorry.

Hoe dat komt?
Dat komt omdat onze hersenen (en dus ook die van je leerlingen) het woord “niet” moeilijk kunnen verwerken. Als ik “niet” zeg, dan verwacht ik van jou dat jij iets verwijdert in jouw hersenen. Maar hoe kun je iets verwijderen waar ik net de nadruk op heb gelegd?

Een voorbeeld?
Een hele beroemde. Probeer hem maar uit: “Denk NIET aan een roze olifant!”
Onmiddellijk projecteren jouw hersenen een roze olifant in jouw hoofd. Het is dus onmogelijk om er niet aan te denken.
Dus als jij tegen Johanna zegt dat zij NIET moet praten, dan vangen haar hersenen het woordje “PRATEN” op, en mag jij drie keer raden wat Johanna gaat doen.

De oplossing?
Lijkt mij simpel: Je vertelt wat je wel wilt.
En je vertelt dus ook hoe de leerling dat moet doen. Dan help je nog eens extra.
Of je vraagt hoe de leerling dat gaat doen. Dan help je nog veel meer.
En geef complimenten als het lukt.

Weet jij nog meer van zulke woorden? Dan komt er nog een deel 3.