Categorie archief: orde houden

orde houden

De aanspreekladder

De aanspreekladder

Er zijn wel eens van die momenten in een klas, waarop je als leraar een leerling moet aanspreken op zijn gedrag. Er zijn natuurlijk momenten waarop je de naam van die leerling hard, of keihard, door het lokaal moet roepen.
Dit zijn van die momenten:
– Als de veiligheid in het geding is.

Er is dus maar één reden om een leerling hardop onmiddellijk te corrigeren. Toch zie ik dit dagelijks gebeuren en meestal verkeert er dan niemand in een onveilige positie.
Hoe kan het beter? Wat kun je beter doen als je een leerling absoluut moet corrigeren, vanwege gedrag of het achterwege blijven van een bepaalde actie?

Je volgt gewoon deze stappen. Als de eerste niet werkt ga je door met de volgende.
1. Je zoekt oogcontact met de leerling en laat non-verbaal zien dat je hem of haar in de gaten hebt.
2. Je zet de rest van de klas aan het werk en loopt naar de leerling toe. Je vertelt onder vier ogen wat je hebt gezien en wat je van de leerling verwacht. Je loopt weg.
3. Je neemt de leerling mee naar de gang en vraagt hoe het komt dat hij of zij nog steeds…. Je antwoordt begrijpend en geeft hem de keus tussen 2 of 3 opties.
4. Je zet de leerling apart, zo dicht mogelijk bij je, zodat je steeds non-verbaal kunt corrigeren als dat nodig is.
5. Je zet de leerling in een andere klas met zelfstandig werk.
6. Je stuurt de leerling naar de directeur of IB-er (of wat er ook is afgesproken).
7. Je belt de ouders en nodigt ze uit voor een gesprek met de leerling erbij. De vraag is: hoe kunnen we samen tot een oplossing komen?

Belangrijk: iedere keer als een leerling doet wat je zegt, dat bedank je hem, complimenteer je hem (of haar). Dat kan zowel verbaal als non-verbaal, dat hangt van de situatie af.
Tussen de regels door complimenteer je de leerlingen die wel doen wat jij zegt uitgebreid.

Succes!

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

Omdenken voor leraren

Omdenken voor leraren

Laten we eerlijk zijn. Soms zegt een leerling iets tegen je en je weet niet wat je moet antwoorden. Je staat met een mond vol tanden. Je kunt dan natuurlijk boos, verdrietig of sarcastisch reageren, maar dat heeft helaas niet altijd het gewenste effect. Wat kun je dan wel doen? Er de humor van inzien: draai het om. Hieronder vind je zeven voorbeelden.

De truc zit ‘m er in dat je:
a. Het heel serieus meent. Voorkom een sarcastische toon.
b. Meteen na jouw antwoord stopt met het geven van aandacht aan die leerling. Je loopt weg en gaat verder waar je gebleven was.

1. Leraar: “En nu ga je eruit!”
Leerling: “Nee!” (Of hij gaat gewoon niet…)
Leraar (juicht en kijkt de andere leerlingen aan): “Horen Julie dat? Wat geweldig! X blijft in de klas zitten en dat betekent dat hij binnen een minuut zijn boeken heeft gepakt en meedoet met de les. Fantastisch!” En terloops tegen de leerling: “Dankjewel”.

2. Leerling: “Ik kan het niet.”
Leraar: “Niet verder vertellen hoor, maar ik kan het ook niet. Daarom wil ik dat jij het voor me doet.”

3. Leerling: “Jij moet mij altijd hebben!” (of een variatie daarop).
Leraar: “Dat klopt inderdaad. Ik zou je inderdaad het allerliefst willen inpakken en meenemen, maar helaas is dat niet toegestaan volgens de wet.”

4. Leerling komt voor de 100e keer te laat.
Leraar: “Wat ben ik blij dat je toch nog bent gekomen. Ik miste je al. Mijn dag is nu meteen nog beter dan eerst. “

5. Een leerling liegt over iets.
Leraar: “Wat heerlijk dat je zo’n goed ontwikkeld fantasieleven hebt. Daar ga je nog heel veel plezier van hebben als je een boek gaat schrijven. Draag je het boek aan mij op? Fijn, dat vind ik leuk. Kom na schooltijd even bij me, dan schrijf ik alvast het voorwoord voor je op.”

6. Veel leerlingen hangen onderuit.
Leraar: “Wil iemand even de vuilniszakken buiten zetten?” (en als er dan wazig wordt gekeken): “Anders krijg ik allemaal ouders op mijn nek die willen dat ik de rekening van de fysiotherapeut betaal.)”

7. Leerling heeft een grote mond.
Leraar: “Zo’n grote mond heb ik nog nooit gezien. Jemig. Wat past daar allemaal wel niet in?”

En wat je altijd kan zeggen als je het niet meer weet: “Je weet toch dat ik van je houd?”

Ik kan niet garanderen dat het altijd werkt, maar de leraren die gedrag van leerlingen pareren door om te denken, hebben in ieder geval wel veel meer lol.

Ruim alsjeblieft je lokaal op!

Ruim alsjeblieft je lokaal op!

Afgelopen week ben ik in veertien verschillende klaslokalen geweest. En in elf daarvan schrok ik van de enorme puinhoop die ik daar aantrof. Puinhoop in de zin van: Spullen. Spullen met een hoofdletter. Wel gezellig, maar ook erg prikkelend.
Lokalen vol opgestapelde boxen en dozen – soms tot aan het plafond, volle vensterbanken, uitpuilende kasten, rommelige bureaus en vooral: volle tafels van leerlingen. Vol met bakjes, plantjes, flesjes, rommeltje en dingetjes.
Lokalen waar ik spontaan ADHD van kreeg zodra ik om me heen keek en de prikkels over me heen liet komen. Het verbaasde me niet dat er in iedere klas meer dan twee leerlingen met een studybuddy zaten. Ik zou er ook een willen als ik in zo’n lokaal les zou krijgen.
Ik kwam in die veertien lokalen om juffen te helpen. Invallende juffen, die moeite hadden met het houden van orde. In hele onrustige klassen. Bij leerlingen die steeds aan het rommelen en kletsen waren. Zoveel onrust. Niet makkelijk te hanteren voor een invaller.
De eigen juf of meester redt het meestal wel, omdat er een band is ontstaan. De eigen juf of meester zegt het zelf ook: “het is wel een hele drukke klas hoor…”. En de invaller is ten einde raad: “ze luisteren niet, ik kan het niet…”. En de eigen juf of meester komt terug en treft een puinhoop aan. Die invallers ruimen ook nooit op…”.
Weet je? Ik snap het wel. Een lokaal is toch een soort huiskamer en je wilt dat het daar gezellig is. Maar ik adviseer je om toch eens anders naar je klas en je lokaal te kijken. En vooral: op te ruimen. Leeg te maken. Ongezellig? Dat hoeft niet. Er zijn andere manieren om leerlingen zich thuis te laten voelen, zonder overprikkeld te worden. Dus alsjeblieft, ruim je lokaal op…

1. Zorg dat alle tafels leeg zijn tijdens de instructie. Echt LEEG! Zonder IETS. Dus ook geen pen of plantje of flesje. Leeg is leeg.
2. De volgende stap is het pakken van dat wat echt WEL nodig is. Doe dat in stappen!
3. Gooi eens vaker wat weg.
4. Zet kasten op de gang, als je je spullen niet kwijt kunt.
5. Hang planken (hoog!) op om spullen op te zetten.
6. Verf je muren in plaats van alles vol te hangen.
7. Zorg voor een of twee muren met plek voor een of twee instructieposters en verwissel die regelmatig.
8. Zorg voor een plek met werk van de leerlingen en verwissel die regelmatig.
9. Maak deuren in open kasten, of hang er een (effen) gordijn voor.
10. Houd je lokaal opgeruimd. Maak leerlingen medeverantwoordelijk.

Succes!

Moeilijke klassen… deal er maar mee

Moeilijke klassen… deal er maar mee

Ik krijg altijd veel verzoeken om hulp van leraren die plotseling een moeilijke klas over moeten nemen. Ze beginnen enthousiast, maar na een paar weken gaan ze met lood in hun schoenen naar school. Natuurlijk: kinderen proberen een nieuwe leraar uit, dat is normaal. Maar in moeilijke klassen wordt het uitproberen van de leraar overstegen door negativiteit. Negatief gedrag is de norm geworden.

Wat zijn de symptomen van een moeilijke klas?
• De leerlingen letten de hele tijd alleen maar op elkaar.
• Ze reageren op alles; verbaal en onverbaal.
• Leerlingen lijken niks te pikken; niet van hun klasgenoten en niet van de leraar.
• Straffen en belonen lijken geen enkel effect te hebben.
• De groep wordt heel moeilijk stil. Als dat eindelijk is gelukt, beginnen ze weer opnieuw.

Allereerst is het zaak om een aantal zaken te onderzoeken. Wat is er aan de hand? En wat kan je met de antwoorden op jouw vragen?
• Neem een sociogram af. Het geeft je inzicht in welke relaties er in de groep zijn.
• Bekijk welke leerlingen een “etiket” hebben. Praat met deze leerlingen, hun ouders en je collega’s en vraag welke benadering bij deze leerlingen zou kunnen werken.
• Zoek uit wie de informele leider is van de groep. Deze leerling geef je geen speciale aandacht meer.
• Zoek uit welke leerlingen eigenlijk wel positief zijn, maar dit niet meer durven te laten merken. Deze leerlingen geef je extra veel positieve aandacht.
• Vraag naar het verleden van de groep. Wanneer is deze sfeer ontstaan? Wat zouden de oorzaken kunnen zijn?
• Zoek uit of je gesteund wordt door je leidinggevende, je collega’s en de ouders. Zo nee: leg je plan van aanpak voor en vraag vervolgens om hun uitgesproken steun en hulp.

In de klas zelf is het zaak om te focussen op je lessen en je klassenmanagement.
• Zorg voor een duidelijke, voorspelbare structuur en routines.
• Trek het je nooit persoonlijk aan. Het heeft niets met jou te maken, maar met groepsprocessen uit het verleden. Zie het als een uitdaging om het tij te keren.
• Benoem alle gedrag dat je ziet. Negatief gedrag kap je kort en duidelijk af, bij positief gedrag complimenteer je extra.
• Ga nooit in discussie. Spreek duidelijk je verwachtingen uit en geef twee keuzes.
• Voorkom stemverheffing.
• Gebruik technieken die continue de aandacht op jou vestigen.

En tot slot:
• Houd vol!!!!
• Houd de moed er in.
• Koester ieder klein succesje.
• Blijf geloven in een ommekeer.

Namen enzo…

Namen enzo…

Als leraar is het handig om de namen van je leerlingen te kennen. Het liefst zo snel mogelijk. Omdat voor elkaar te krijgen zijn er verschillende trucjes. Ik noem er een paar:
• Naamstickers opplakken
• Naambordjes maken
• Alle leerlingen een spreekbeurt laten houden (van een minuut) over hun naam
• Alle leerlingen minimaal vijf keer per dag aanspreken met hun naam; als jij een foute naam zegt, krijgen de leerlingen een beloning
• Een smoelenboek (foto’s en namen) uit je hoofd leren. Liedjes en rijmpjes kunnen hier zeer behulpzaam bij zijn.

Maar oké. Nu ken je de namen van jouw leerlingen. Maar wanneer spreek je een leerling bij de naam aan? En ook: wanneer vooral niet?

Wel:
• Bij het geven van complimenten. Het liefste dwars door de klas en hardop.
• Als je een leerling als voorbeeld wilt stellen. Positief (spreekt voor zich) of negatief (als de leerling zeer grensoverschrijdend gedrag vertoont en jij precies weet hoe je deze leerling tot de orde moet roepen).
• Bij het geven van beurten, cijfers en dergelijke aankondigingen.

Niet:
• Als je wacht tot leerlingen stil zijn, hun boek gepakt hebben en wat dies meer zij. “Ik wacht nog op 2 mensen…”
• Bij het aanspreken op kleine overtredingen. (Dat doe je onder vier ogen en dan is een naam meestal niet nodig).
• Bij het stellen van vragen waarvan je wilt dat iedereen als antwoord “ja!” geeft. “Steek je vinger op als….” De leerlingen die geen vinger opsteken spreek je aan onder vier ogen.

Zijn hier variaties op mogelijk? Ja. Vast heel veel. En uitzonderingen ook. Ik lees ze graag in het commentaarveld!

De regels van anderen… hoe ga jij daarmee om?

De regels van anderen… hoe ga jij daarmee om?

Er zijn wel eens regels waar je het eigenlijk niet mee eens bent. Bijvoorbeeld de regels van de school. Toen ik dramalessen gaf op een grote MBO-school had ik er bijvoorbeeld best veel moeite mee.

Voorbeelden?
Er mochten geen petten gedragen worden. Maar tijdens de les vond ik het tijdens het maken van toneelstukjes en sketches natuurlijk logisch dat er wel een pet gedragen werd.
Er mocht niet gedronken worden in de les. Maar ik had vaak blokuren, waarin flink bewogen werd. Natuurlijk kreeg iedereen op gezette tijden dorst en er was ook nog eens een kraan aanwezig in het lokaal.
Mobiele telefoons waren verboden. Maar ik deed vaak een kahootquiz om te kijken wie had onthouden wat ze vorige les hadden geleerd en daarvoor heb je toch echt een telefoon nodig.
De leerlingen mochten niet naar het toilet tijdens de les. Maar er was altijd wel een meisje dat prompt haar periode kreeg en dus streek ik weer over mijn hart. Controleren is ook weer zo wat in zo’n geval.

En zo waren er nog wat schoolregels waar ik in de praktijk “last van had” en ja… ik lapte ze dus aan mijn laars. En de eerste paar maanden ging dat goed. Tot het moment dat drie leerlingen doodleuk de klas binnenwandelden met een kop thee. Ik had het niet in de gaten, want ik was in gesprek met een leerling die nogal emotioneel was en net haar verhaal aan mij deed. Vlak achter de drie leerlingen stormde de directeur mijn lokaal in, die razendsnel zag hoe de vlag erbij hing: thee, flesjes water, telefoons, petten en een juf die er niets van zei. Oeps.

Natuurlijk werd ik op het matje geroepen en mij werd vriendelijk doch dringend verzocht mij aan de regels te houden. Hoe ging ik dat voor elkaar krijgen? Ik wilde me niet aan de schoolregels houden, maar ik moest wel. De directeur had eigenlijk gewoon gelijk. De sfeer in mijn lessen was ronduit chaotisch geworden. Ik had veel minder orde dan aan het begin van het schooljaar en de leerlingen gingen met me in discussie als ik eens iets verbood (zoals bijvoorbeeld de thee). Ik was niet (meer) consequent. En eigenlijk had ik daar wel last van.

Hoe heb ik het opgelost?
Ik heb de schoolregels weer in ere hersteld, met de leerlingen doorgenomen en duidelijke procedures met ze opgesteld:
1. Pet af in de klas. Als je een pet op wilt in een toneelstuk, dan krijg je er een van de juf.
2. Niet drinken in de les. Sorry. Geen uitzonderingen.
3. Telefoon inleveren bij de juf. Ik deelde ze uit als het echt nodig was (voor een opname of een quiz).
4. Toiletbezoek verboden. Sorry dames. (En prompt bleven de periodes uit.)

Het heeft me een maand strijd gekost, maar daarna verliepen mijn lessen weer prima. Er was weer rust, orde en structuur.
Dus helaas: schoolregels, daar moet je je gewoon aan houden.
Anders moet je een andere school zoeken. Of een andere baan.

Let op je woorden in de klas deel 3 – JA MAAR

Let op je woorden in de klas deel 3 – JA MAAR

“Ja, maar…” is misschien wel het meest gegeven antwoord in het onderwijs.
“Ja maar… ik heb geen, ik kan niet, ik weet niet, ik doe niets, ik…”
En natuurlijk de variatie daarop: “Ja maar hij …… (of zij…)”
Het eerste woord dat je hoort is “ja”. Fijn, denk je dan. De wil is er. En nu de actie nog.
Maar die actie komt niet. Omdat er weerstand zit tussen de JA en de ACTIE. Een drempel. Een slagboom. Een muur misschien.

Hoe ga je daar mee om? Ik geef je drie mogelijkheden:

1. Als je die weerstand wilt vergroten, dan ga je in discussie. Je luistert beslist niet naar de “maar” en eist dat de actie volgt op de “ja”. Je gaat de strijd aan. En een strijd kun je winnen of verliezen.
“Geen ja, maar, gewoon doen. Nu graag. Onmiddellijk.” Blijf de leerling daarbij strak aankijken, net zolang tot het gebeurt. De leerling kan er dan voor kiezen om de weerstand uiteindelijk weg te halen. De slagboom is open.

2. Als je de weerstand wilt verkleinen of laten verdwijnen, dan luister je goed naar de “maar”. Indien nodig vraag je door en ga je in op de antwoorden. Je neemt de obstakels weg en committeert de leerling aan de actie. Je hebt de “maar” weggenomen en biedt de leerling de kans om in actie te komen. Erg handig bij het ontbreken van pennen en andere ontbrekende zaken.
“Dus als je wel een pen hebt dan kun je beginnen? Mooi, dan heb je hier een pen. Alsjeblieft. Begin maar.”

3. Je kunt de weerstand ook gewoon negeren en de verantwoordelijkheid bij de leerling leggen. Het kan zijn dat dat problemen oplevert voor andere leerlingen, dan is het zaak om die problemen voor te zijn. Duidelijke afspraken kunnen hier bij helpen.
“Oké, prima. Dan mag je het zelf oplossen. Kun jij dit zelf oplossen op een positieve manier waar iedereen mee kan leven? Fijn, ga je gang. Dan laat ik het verder aan jou.”
Als een leerling “nee” antwoordt, dan grijp je terug naar optie 1 of 2.

Let op je woorden in de klas deel 2 – NIET

Let op je woorden in de klas deel 2 – NIET

Nog zo’n fijn woord: NIET.
* Je hebt toch duidelijk gezegd dat Johanna NIET meer moet praten, maar ze doet het toch…
* Je hebt toch uitgelegd dat het NIET met potlood moet maar met pen, en de helft levert het met potlood in.
* Als ze zich NIET gedragen, krijgen ze NIET de beloning, en ze zijn boos dat ze de beloning niet krijgen.

NIET is een raar woord. Je denkt dat je heel duidelijk bent als je het woordje NIET gebruikt, maar je bent dat NIET. Je bent gewoon ONDUIDELIJK. Sorry.

Hoe dat komt?
Dat komt omdat onze hersenen (en dus ook die van je leerlingen) het woord “niet” moeilijk kunnen verwerken. Als ik “niet” zeg, dan verwacht ik van jou dat jij iets verwijdert in jouw hersenen. Maar hoe kun je iets verwijderen waar ik net de nadruk op heb gelegd?

Een voorbeeld?
Een hele beroemde. Probeer hem maar uit: “Denk NIET aan een roze olifant!”
Onmiddellijk projecteren jouw hersenen een roze olifant in jouw hoofd. Het is dus onmogelijk om er niet aan te denken.
Dus als jij tegen Johanna zegt dat zij NIET moet praten, dan vangen haar hersenen het woordje “PRATEN” op, en mag jij drie keer raden wat Johanna gaat doen.

De oplossing?
Lijkt mij simpel: Je vertelt wat je wel wilt.
En je vertelt dus ook hoe de leerling dat moet doen. Dan help je nog eens extra.
Of je vraagt hoe de leerling dat gaat doen. Dan help je nog veel meer.
En geef complimenten als het lukt.

Weet jij nog meer van zulke woorden? Dan komt er nog een deel 3.

Let op je woorden in de klas deel 1 – NEE

Let op je woorden in de klas deel 1 – NEE

Je staat voor de klas. Je hebt net een vraag gesteld en je krijgt NEE te horen. Heb jij dat ook wel eens meegemaakt? Ik best heel vaak. En ik raakte dan verzeild in strijd met een leerling. Strijd = onrust = niet leuk.

Herken je dit?
Je zegt: “Stop met … !” En je krijgt als antwoord: “Nee.”
Of ze zeggen “ja”, maar doen “nee”.
Voor je het weet ben je verzeild geraakt in een vervelende discussie (of strijd) die je teveel tijd en energie kost en die je misschien nog verliest ook…
Hoe voorkom je dit soort gedoe???
Je voorkomt dit soort gedoe door in de klas op je woorden te letten. Door je zinnen en opdrachten op een andere manier te formuleren.

Je vraagt: “Stop met … !” En je krijgt als antwoord: “Nee.”

Er zijn vier soorten nee:
De nee van het slachtoffer. Hij wil wel maar hij weet niet hoe.
De nee van de vechter. Hij wil de strijd met jou aangaan.
De nee van de verhevene. Hij wil zich beter voelen dan jij.
De nee van de vluchter. Hij wil er echt onderuit komen.
Het is zaak om er heel snel achter te komen wat voor “nee” je hebt gekregen. Als het goed is kun je dat goed inschatten door de toon van de stem, de houding en de gezichtsuitdrukking. Vraag wel even na of jouw interpretatie klopt. Benoem wat je hoort en ziet.

Je volgende stap is:
Het slachtoffer vraag je hoe je kunt helpen.
De vechter laat je in zijn sop gaar koken of geef je een keus.
De verhevene bejegen je tactisch. Toon begrip, beweeg mee en stel hem voor de keus  te kiezen wat jij wilt zonder dat hij gezichtsverlies lijdt.
De vluchter zal je eerst moeten uitvragen… waarom wil hij er onderuit komen? Wat levert hem dat op? Pas daarna weet je hoe je verder moet reageren. Je komt dat meestal op een van de reacties hierboven uit, maar soms is er iets anders aan de hand wat eerst opgelost moet worden.

Of ze zeggen “ja”, maar doen “nee”.

Dat betekent dat ze van jou de mogelijkheid hebben gekregen om iets te vermijden. Het is beter om een duidelijke keus te geven (en ze daar ook aan te houden). Gebruik het woord OF:
“Ga je je werk nu afmaken OF na schooltijd?”
“Ga je nu stoppen met praten OF ga je op de gang 3 minuten tegen de muur praten en dan terugkomen en opletten bij de les?”

Wees je bewust van je woorden, hoe je reageert op de NEE van de ander. Schiet niet zelf in de weerstand, maar besef dat jij de ander de mogelijkheid hebt gegeven om NEE te zeggen.

Als je geen NEE wilt horen, zorg er dan voor dat de ander geen NEE kan zeggen.

Pak de orde terug in vijf stappen

Pak de orde terug in vijf stappen

Het is mij best wel vaak gebeurd. Dat ik een klas heb waar het wel aardig loopt. Er zitten wel wat stoorzenders tussen de lieverdjes van leerlingen, maar die weet ik over het algemeen best in het gareel te houden. Meestal gaat het prima met mijn orde in de klas.

Maar dan gebeurt het. HET. Ik ben moe of sacherijnig of wat dan ook en in ieder geval niet alert. En ik reageer verkeerd op een leerling. Ik maak een verkeerde opmerking, kijk de verkeerde kant op, of mijn hele houding is gewoon FOUT. En ik voel de orde als zand tussen mijn vingers wegglijden.

Ik probeer dan nog krampachtig te redden wat er te redden valt, maar meestal lukt het niet, is het een kwestie van de les uitzitten en volgende les opnieuw proberen. Het fijne is dat dat ook lukt, omdat leerlingen je altijd weer een nieuwe kans geven. En als je dan zelf alert bent (en uitgeslapen en vrolijk) dan is het net alsof die vorige les nooit geweest is.

Eén keer deed ik iets compleet anders dan anders. En dat werkte echt supersnel; ik had de orde binnen no time terug. Ik heb er vijf stappen van gemaakt die ik hier met jou deel:

1. Ik ging op een andere plek staan; achter in het lokaal en vroeg de leerlingen op zachte toon om hun spullen op te ruimen en even naar me te luisteren. Ik keek daar heel ernstig, bezorgd bij. Omdat ik iets onverwachts deed, luisterde iedereen redelijk snel. De leerlingen moesten zich omdraaien en waren daardoor met mij bezig en niet meer met elkaar.
2. Ik stond heel stevig in de grond. Ik haalde een paar keer diep adem en keek omhoog. Dat gaf me nieuwe energie. Ik keek alle leerlingen een voor een aan.
3. En ik bood mijn excuses aan voor het verstoren van de orde.
4. En ik stelde de leerlingen voor de keuze. Degenen die geen zin meer hadden in deze les mochten (in stilte) hun huiswerk gaan maken. Degenen die de les nog wel wilden volgen, mochten naar mij luisteren. Twee leerlingen wilden door met de les. De rest ging aan het werk. Ik had de orde terug. Binnen tien minuten deed iedereen weer mee met de les.
5. Na afloop bedankte ik de leerlingen voor hun coöperatie.

Maak hier je eigen variatie op; je eigen stappenplan.
1. Zorg voor (echte) afleiding.
2. Geef jezelf aarde en energie.
3. Bied je excuses aan.
4. Geef de leerlingen de keus. Wel een keus die als vanzelf stilte (en geen geloop door de klas) vereist.
5. Bedank je leerlingen, of geef ze een compliment.