Categorie archief: orde houden

orde houden

En ze praten maar door…

En ze praten maar door…

Ik hoor vaak van (startende) leraren dat ze soms een klas hebben die niet meer stopt met praten. Ze praten maar door. Soms zijn het een of twee leerlingen die hun mond niet kunnen houden, en in de tijd dat jij die leerlingen bestraffend (?) toespreekt, beginnen andere leerlingen hun eigen conversatie. En als je die eindelijk stil hebt, zijn er andere leerlingen weer begonnen met praten. Het kost je zoveel energie. En tijd. En het verpest (meestal) de sfeer in de klas.

Herken je dat?

Allereerst is het van belang om na te gaan waarom ze maar blijven praten. De volgende vragen kunnen je daarbij helpen:

* Praten ze omdat ze het gezellig vinden in de klas? Omdat de sfeer goed is en ze het idee hebben dat er “een doorlopend theekransje” plaatsvindt?

* Praten ze om jouw les te verstoren? Om je te pesten? Om te kijken waar jouw grens ligt? Omdat ze willen weten wanneer jij “uit je vel springt”?
Of omdat de sfeer zo negatief is (geworden) dat ze niet (meer) anders kunnen?

* Praten ze omdát ze niet anders kunnen? Omdat ze “geprogrammeerd zijn” om meteen verbaal te reageren op alles wat er gebeurt in de klas? Meestal betreft dit een of twee leerlingen waar de rest van de klas ook last van heeft.

Waarschijnlijk weet jij zelf het antwoord op deze vragen. Maar welke van de drie redenen het ook is, in alle gevallen heb jij een probleem dat je wilt en kunt oplossen.

Ben je bang dat dit teveel tijd kost?
Ga voor jezelf na of je de investering in tijd en energie over hebt om de situatie zo te krijgen zoals jij wilt.

Als je blijft doen wat je deed, dan blijft het zoals het is.

Ik zet (per antwoord) wat handvatten op een rij die jou kunnen helpen om het tij te keren.

* Praten uit gezelligheid.
Meestal is dat een hele sociale groep, die oprecht alles met elkaar deelt. Je kunt je probleem gewoon bij hen neerleggen, waarbij je hun behoefte aan sociale conversaties ook benoemt. Belangrijk is om goed uit te leggen op welke momenten en waarom je wilt dat iedereen zijn mond houdt. Deze momenten kun je met de leerlingen inventariseren. Je vraagt ook aan de leerlingen welke sanctie past bij het overtreden van de regel “je ben stil op deze X momenten”. Jij kiest uit de sancties van de leerlingen die sanctie die jij passend vindt.

Daarnaast geef je ook ruimte aan hun behoefte door meer samenwerkopdrachten te geven en misschien zelfs (aan het begin- en/ of aan het eind van de les) “praatpauzes” van vijf minuten in te plannen.

* Praten om jou te pesten.
In dit geval zal je opnieuw moeten beginnen met de groepsvorming. Deze groep heeft een negatieve houding naar jou toe en die zal je moeten doorbreken. Hier moet je echt veel tijd en energie in investeren en het werkt pas echt goed als je ouders en je eventuele duo-partner (of een collega) hierbij betrekt. Voor een betere sfeer in de groep is een goed stappenplan onontbeerlijk:

1. Je gaat met je duo-partner om de tafel zitten en je maakt duidelijk dat je het voortaan anders wilt (en hoe dan). Je vraagt de hulp van je duo-partner (of collega). Zeker als je deze klas maar een of twee dagen per week hebt, gaat het zonder zijn of haar steun niet lukken. Jullie maken samen een plan. Breng het hele team op de hoogte. Betrek je leidinggevende erbij.

2. Jullie sturen (samen) naar alle ouders een e-mail om ze te vertellen dat jullie je zorgen maken over de groep en dat jullie de komende weken de sfeer in de groep “positiever gaan maken”. Omdat dan ook de leerprestaties sterk zullen verbeteren. En dat jullie daarbij de steun en hulp van de ouders nodig hebben. Vraag ouders ook vooral om hun eigen tips, ideeën en aanvullingen. Nog beter is om ook nog een extra ouderavond te organiseren waarbij jullie je mail mondeling toelichten en (nog eens) om de mening van de ouders vragen.

3. Jullie vertellen de leerlingen dat het zo niet langer kan (en waarom) en dat jullie de komende weken iedere dag aandacht gaan besteden aan groepsvorming.

4. Je begint met een groepsgesprek over normen en waarden in de klas. Jij vertelt wat je van de leerlingen verwacht en je vraagt aan de leerlingen wat ze van hun klasgenoten verwachten in jouw les. Je geeft alleen die leerlingen de beurt waarvan je weet dat zij een positieve insteek hebben. Zo zet je een positieve norm. Zo hoef je alleen steeds te herhalen en te bevestigen. De hieruit ontstane regels (waarden) zet je op het bord en hang je ook op in de klas.

5. Iedere dag doe je met de klas een activiteit waarbij deze waarden “getest worden”. Ook in de lessen komt je er steeds op terug. Je beloont goed gedrag. Je evalueert met de leerlingen.

6. Het kan wat weken duren, maar alle leerlingen zullen zich uiteindelijk neerleggen bij de nieuwe normen en waarden. Met de leerlingen die dit echt niet kunnen (als dat voorkomt), maak je een aparte afspraak. (Zie volgende…)

7. Houd en breng de ouders & collega’s steeds op de hoogte van de voortgang van het proces. Vraag hulp zodra je dat nodig vindt. Gebruik je duo-partner (of collega) als klankbord.

* Praten omdat ze niet anders kunnen.
Dit betreft meestal een leerling of een kleine groep. Met deze leerlingen maak je een aparte afspraak voor een gesprek, waarin je vraagt wat deze leerling nodig heeft om zich zo te gedragen zoals jij wilt. Doe dat per leerling individueel, nooit als groep bij elkaar.

Stel jouw grenzen hierbij heel duidelijk. Als een leerling bijvoorbeeld zegt: “Ik heb nodig dat jij weg gaat”, is dat (helaas voor die leerling) een onacceptabel antwoord, want jij gaat niet weg. Dat zeg je dus ook. En je stelt de vraag opnieuw.
Als een leerling zegt: “Ik weet het niet”, dan zegt jij: “En hoe ziet het er dan uit als je het wel zou weten?” Of: “Hoe doe je dat dan bij meneer X?” Soms zijn dit lange gesprekken, omdat je soms lang moet wachten op een antwoord wat voor jullie allebei acceptabel is.

Je eindigt altijd met een afspraak (een deal!). Laat de leerling zelf een sanctie bedenken in geval van overtreding.

* In alle gevallen:
Laat alle leerlingen (bijvoorbeeld door hand-opsteken) zich aan deze nieuwe afspraken committeren. Zo kan er nooit discussie ontstaan.

Van belang is natuurlijk dat je jezelf en de leerlingen hier heel consequent aan houdt. Grijp meteen in zodra het anders gaat dan jullie hebben afgesproken.

Ik hoor graag van jullie nog meer tips en trucs!
Zet ze in het commentaarveld.

Hoe krijg jij je klas stil?

Hoe krijg jij je klas stil?

Statemanagement als methode om een klas stil te krijgen en te houden

Statemanagement is een term uit de NLP.

Een state is een vorm van “zijn”. Je bent verdrietig, nieuwsgierig, boos, opgelucht… enzovoort. In feite kan iedere emotie die enige tijd voortduurt een “state” zijn.

Als je voor de klas staat, is jouw state van grote invloed op de leerlingen.
De state van de leerlingen heeft veel invloed op jou.

Als je voor een klas staat, is het van belang om 3 dingen op te merken, te “zien”:

1. Wat is jouw eigen state?
2. Wat is de state van de groep?
3. Wat is de state van de “leider” van de groep?

Dit betekent dat je goed moet kijken naar je leerlingen. Hoe zitten / staan ze erbij? Wat doen ze? Waar kijken ze naar? Wat zeggen ze?
En jijzelf?
Zodra je deze drie antwoorden hebt, kun je invloed uit gaan oefenen op alle states.

Je kunt bijvoorbeeld je eigen state radicaal omgooien. Van boos naar vrolijk. Of van ongeduldig naar verdrietig of boos (als een rol die je speelt; niet echt!).

De leerlingen moeten ook zien dat jij jouw state verandert. Dus dat betekent dat je iets ONVERWACHTS doet, om hun aandacht te pakken.

Bijvoorbeeld:
Je laat een kopje vallen.
Je begint op en neer te springen.
Je blaast een luchtzoen naar een leerling.
Je laat een bom ontploffen op het digibord.

Vervolgens reageer je op jouw eigen actie in jouw nieuw gekozen state.

Bijvoorbeeld:
He, daar viel een kopje. Geeft niks. Fijn dat jullie er nu bij zijn. Vanaf nu gaan jullie meedoen met de les en dat ziet er als volgt uit:

Ik leg in 5 minuten uit wat de opdracht is.
Jullie gaan zelfstandig met de opdracht aan de slag. Je mag overleggen met je buurman of buurvrouw. Je krijgt daar 20 minuten de tijd voor. Als je klaar bent dan ga je in boekje X verder. Over 25 minuten gaan we klassikaal nakijken en dan hoor je meteen welk cijfer je hebt voor de opdracht.
Iedereen weet nu wat er verwacht wordt toch?
En er is niemand die zich hier aan wil onttrekken, toch?

Als het goed is, knikken de leerlingen tweemaal.
Het kan zijn dat de leider van de groep nog even dwars gaat liggen. Daar maak je meteen korte metten mee door zijn of haar gedrag en state te kopiëren en uit te vergroten. Of door onmiddellijk straf te geven, als je dat wilt.

Er zijn nog veel meer manieren om een klas stil te krijgen. Wat is jouw beste manier? Laat het weten in het commentaarveld.

Contact maken. En dan echt contact!

Contact maken. En dan echt contact!

Je hebt een gesprek met ouders. Misschien is het een 10-minutengesprek. Misschien heb je de ouders op school gevraagd om een probleem te bespreken. Misschien zijn deze ouders onverwacht binnen komen lopen en willen ze je heel graag spreken. Je bent best een beetje zenuwachtig. En dat mag ook. Jij wilt immers het beste voor jouw leerlingen en dat willen de ouders ook.

Je hebt een gesprek met een leerling. Het loopt niet zo lekker. Of je hebt gedrag gezien waar je niet blij mee bent. Of je wilt gewoon oprecht antwoorden op de vragen die je hebt.

Je hebt een gesprek met je leidinggevende. Misschien is het tijd voor je functioneringsgesprek. Of je beoordeling. Ook zo’n gesprek kan heel spannend zijn, zeker als jouw aanstelling in het geding is.

Dit zijn gesprekken waar je echt contact moet maken met de ander. Omdat je dan een win-winsituatie creëert. Iedereen “krijgt wat hij wil”.

De ouders luisteren naar jouw tips en jij staat open voor hun ideeën.
Het probleem dat je had met de leerling is opgelost, jij hebt je antwoorden en de leerling is ook opgelucht.
Je hebt een goed gesprek met je leidinggevende. Jij kunt je zegje doen in openheid en jouw leidinggevende heeft ook zijn doel bereikt.

Tijdens mijn NLP-opleiding heb ik geleerd hoe ik goed contact kan maken in gesprekken met anderen. Deze tips deel ik graag met jou.

1. Maak “rapport”. Dat wil zeggen dat je heel goed kijkt en luistert naar de ander. Waar kijkt de ander naar? Maakt diegene bewegingen met armen of handen? Hoe houdt de ander zijn hoofd? Wat is de houding van de ander? Rechtop? Of in elkaar? Signaleer.

2. Vervolgens ga je net zo zitten als de ander. Kopieer diens houding. Niet exact, maar ongeveer. Knik regelmatig. Zeg “m, m” ter bevestiging.

3. Er wordt vaak gezegd dat je moet samenvatten wat de ander zegt (LSD), en dat mag, maar het is beter om dat pas te doen op het eind van het gesprek. Tijdens het gesprek herhaal je letterlijk wat de ander zegt. Soms wat woorden, soms een hele zin. Dat voelt en klinkt in het begin een beetje vreemd, maar omdat de ander zijn eigen woorden terug hoort, voelt diegene zich gehoord en begrepen. En dat is de basis van een goed gesprek. Nu is er contact.

Orde in de zaal!

Orde in de zaal!

In een zaal vol met mensen is het als spreker niet altijd makkelijk om de orde te bewaren of terug te nemen. Er gebeurt namelijk zoveel, er zijn zoveel prikkels, dat men afgeleid en bezig is met hele andere dingen en eigenlijk vergeten is dat jij iets belangrijks te vertellen hebt…

In een klas is het eigenlijk precies hetzelfde.

Er zijn twee redenen waarom je de orde verliest:

1. Je pakt het onhandig aan. Je didactiek is niet in orde, je legt niet goed uit, je spreekt een leerling verkeerd aan

2. Je laat het er bij zitten:
a. Je voelt je niet verantwoordelijk
b. Je denkt dat je er geen last van hebt
c. Je durft geen grenzen te stellen
d. Je weet niet goed wat je moet doen
e. Je weet wel wat je moet doen, maar je kunt het (nog) niet
f. Je bent bang om het nog erger te maken

In het eerste geval is het belangrijk om serieus te luisteren naar de signalen uit de klas. Je leerlingen zijn dan waarschijnlijk in opstand gekomen, omdat jij iets verkeerd, of onhandig hebt aangepakt. In dat geval helpt dit stappenplan:

1. Leg de les stil en vertel je leerlingen dat je serieus naar ze zult luisteren, en dat je daar hun hulp bij nodig hebt.

2. Jij vertelt de regels en de procedure (en daar houd je de leerlingen aan).

3. Je inventariseert de “klachten” en vraag om serieuze (!) oplossingen.

4. De oplossingen inventariseer je ook.

5. Je kiest de oplossing(en) die voor jou werken en je vraagt commitment aan de leerlingen door hun hand op te laten steken.

6. Je gaat verder met de les (als daar nog tijd voor is…).

In het tweede geval is sprake van een ordeprobleem. Hier is het belangrijk om na te gaan wat jij wilt. Pas als je dat op een rijtje hebt, kun je verder:

1. Welke regels vind jij echt belangrijk?
2. Wat mogen de leerlingen beslist niet?
3. Wat verwacht jij van de leerlingen?
4. Wat verwachten de leerlingen van jou?
5. Wat kunnen de leerlingen verwachten als zij zich niet aan het voorgaande houden?

Als je de antwoorden hebt op deze vijf vragen, dan kun je die aan de leerlingen vertellen. En ze vragen om zich hier aan te committeren. En dan kun je opnieuw beginnen.

En het is waarschijnlijk heel verstandig om bij dit proces hulp te vragen aan een collega.

Het is dan wel heel belangrijk om consequent te zijn en te blijven. In het begin kost dat veel geduld en moet je steeds opnieuw beginnen. Want leerlingen zijn a. gewoontedieren en b. snel afgeleid…

(Vrij naar “Een leraar van Klasse” van Bram Lagerwerf en Fred Korthage)

De Streepjesmeester

De Streepjesmeester

(vrij naar een verhaal van Bianca)

Er was eens een jongeman; Peter en Peter kwam stage lopen bij Hans. Hans had een bovenbouwklas in de Schilderswijk in Den Haag. Best pittig dus.
Peter had eigenlijk alleen nog maar les gegeven op scholen en in klassen waar de leerlingen het altijd leuk vonden als hij een dagje kwam. Maar nu moest Peter niet “een dagje” maar een lange periode aan de slag. Als LIO. Hij moest aan de bak. En dat viel niet mee.

Peters eerste lessen verliepen onrustig, maar hij was niet ontevreden. Hans had altijd flink de wind eronder. Als een leerling door de klas riep, zette Hans de naam op het bord met een streepje er achter. En vijf streepjes betekende strafregels schrijven. Er kwam zelden iemand voorbij de vier; dan moest het wel heel hard stormen.

Peter wilde het liefst zo snel mogelijk zelfstandig de klas gaan draaien. Hans bedacht dat dat helemaal geen slecht idee was, dus hij bereidde samen met Peter een woensdagochtend voor en wenste hem veel succes. “En je weet het. Als iemand zijn mond open doet, dan zet je een streepje achter zijn naam.”

Het eerste uur ging prima. Estafette lezen en dictee. Tijdens de rekenles werd het onrustig. Peter werd onzeker over een strategie in het boek. Iemand riep: “Meester Hans legt veel beter uit!”. Peter zette het eerste streepje. Daar kwam veel commentaar op. “Mag hij zijn mening niet geven?” “We wonen toch in een vrij land?” “Democratie Meester!” “Dictator!” Meester Dictator!”

En zo ging het maar door. Omdat Peter steeds streepjes aan het zetten was, zag hij niet meer wat er in de klas gebeurde. Iedereen riep door elkaar, leerlingen liepen door de klas. Een paar leerlingen hadden wel tien streepjes achter hun naam en het huilen stond Peter nader dan het lachen.

En toen werd het plotseling doodstil in de klas. Hans stond in de deuropening. Een van de meisjes had hem opgehaald uit de teamkamer, waar hij werkstukken zat na te kijken. En Hans herstelde de orde, ging achterin zitten en vertelde dat Meester Peter nu verder ging met de rekenles. En dat deed Peter. De ochtend kroop voorbij, maar achteraf was hij blij dat hij het gedaan had. Met Hans achterin groeide zijn zelfvertrouwen weer en ging het steeds beter.

Tijdens de nabespreking stak Hans de hand in eigen boezem. “Ik had je nooit het idee van de streepjes mogen opdringen. Dat is mijn systeem. Ik ben De Streepjesmeester. Jij moet je eigen manier vinden om orde te houden. En daar ga ik je mee helpen. Stap voor stap.”

En zo gebeurde het. En toen Meester Peter afscheid nam, vonden alle leerlingen het jammer dat hij wegging. Een paar meisjes huilden zelfs.

Als je in een nieuwe klas begint, is het belangrijk om met de leerlingen te bespreken wat jij belangrijk vindt en wat de leerlingen belangrijk vinden.

Regels. Routines. Afspraken. Welke overtredingen zijn er en wat zijn de consequenties van die overtredingen.

Welke beloningen zijn er te verdienen en wanneer krijg je die.

Als de leerlingen precies weten wat ze aan jou hebben, dan verdien je daar respect mee.

Als jij jouw grenzen duidelijk aangeeft en bewaakt, is het makkelijker om de orde te bewaren.

Een manier om dergelijke afspraken duidelijk in beeld te brengen, is door middel van het maken van een poster met Pictochart (en ja, dat is gratis).

download

Je kiest (een) onderwerp(en) en laat alle leerlingen daar zelf een poster van maken. Jij kunt bepalen wat erop komt, maar je kunt hen ook vragen om voorbeelden te maken ter inspiratie.

Het is hoe dan ook belangrijk dat je je leerlingen betrekt bij alle afspraken die gemaakt worden aan het begin, en dit is een leuke, beeldende manier.

O help… hoe houd ik ze bezig?

Ken je dat?

Dat gevoel van de laatste schoolweken?

De onrust slaat toe.

Iedereen is moe.

En je moet nog zoveel weken.

Lesgeven…

Toetsen afnemen…

Leerplicht…

 

O help… hoe houd ik ze bezig?

 

Vandaag negen manieren om de laatste schoolweken zo door te komen dat:

– het voor iedereen zinvol is

– de sfeer goed blijft

– de stress niet toeslaat

 

1. Sommige groepen gaan zich onbewust vervelend gedragen.
Het is immers makkelijker om afscheid van elkaar te nemen als de sfeer op het eind niet meer goed is.
Als leider kun je dit, met rituelen en het benoemen van wat je ziet gebeuren, in goede banen leiden.
Betrek de leerlingen bij het naderende afscheid.
Bedenk en benoem samen in welke sfeer je de vakantie in wilt gaan en wat daar voor nodig is.

2. Je kunt een zogenaamde “kamelenrace” houden.
Je verdeelt de klas in teams.
Jij geeft opdrachten die de teams moeten uitvoeren in de les.
Het zijn opdrachten met een twist; dus met leerstof erin verwerkt, maar dan op een andere manier.
Zo kan je een groep de opdracht geven om een bepaald aspect van een les (bv onregelmatige werkwoorden) uit te leggen aan de hele klas.
Of het maken en van elkaar nakijken van 100 sommen.
Of het organiseren van een limbodanswedstrijd.
Het componeren, inoefenen en presenteren van liederen waar formules in verwerkt zitten.
Je kunt ook het maken van toetsen hierin verwerken.
Zodra een opdracht is uitgevoerd, mag de kameel van die groep weer een stapje vooruit.
Het doel is uiteindelijk dat alle kamelen de finish bereiken; daar staat een grote beloning klaar; zo voorkom je competitie (als je dat niet wilt) en bevorder je samenwerking.

3. Een variatie voor zelfstandige groepen: de teams bedenken de opdrachten voor elkaar.
Jij geeft dan wel duidelijk aan aan welke crite
ria de opdrachten moeten voldoen. 

4. Zorg ervoor dat je zelf niet meer of harder gaat werken.
Houd je energie op peil door veel te sporten en genoeg te slapen.
Drink veel water.
Laat je niet verleiden tot gevit en gezeur uit moeheid.
Geniet van iedere dag.

5. Maak een lijst van alles wat je nog “moet”, stel prioriteiten en delegeer.
Als je iets niet wilt doen, bedenk dan een manier om het niet te hoeven doen.
Kies wat echt belangrijk is en wissel af met dingen die je echt leuk vindt (en die lekker onbelangrijk zijn).

6. Maak toetsen leuk.
Bereid toetsen samen voor met activerende werkvormen waarin je de stof “nog even doorneemt”.

7. Geef een gedeelte van je lessen buiten.
Als je zelf geen idee hebt hoe je dat moet doen of regelen, vraag het aan je leerlingen.
Jij vertelt wat het lesdoel is, zij bedenken hoe en waar ze dat buiten kunnen bereiken.
Stel van te voren de kaders vast (maak ze duidelijk zichtbaar, bv. op het bord en toets alle voorstellen daaraan).

8. Laat los!
Accepteer dat iedereen moe is en jij ook. Dat is namelijk helemaal niet erg. Er tegen vechten kost teveel energie.
Perfectie is niet (meer) mogelijk. Dat is ook niet erg!

9. Maak van iedere dag een feestje.
Zorg ervoor dat ook de leerlingen meer dan genoeg bewegen en (water) drinken.

Een wijze les

Een wijze les

Het verhaal van deze week kreeg ik in mijn schoot geworpen. Het is het verhaal van juf Tina, die aan de Pabo studeert. Ik deel het verhaal graag met jullie en ik hoop dat jullie willen reageren. Tina en ik zijn heel nieuwsgierig wat jullie ervan vinden, of jullie het herkennen en of jullie tips hebben voor andere Pabo-studenten.

 

Een wijze les van Juf Tina

Vandaag heb ik na een goed gesprek een waardevolle les geleerd: Het onderscheid maken tussen het betrokken zijn en grenzen stellen. Maar ook de connectie hier tussen zien.

Vanuit mezelf ben ik heel erg betrokken, een hele sterke eigenschap die zonder na te denken aanwezig is.. In mijn eerste stage van dit jaar is ook in mijn beoordeling geschreven: ‘jouw inlevingsvermogen is jouw kracht!’. Was zo blij dat ik een mentor had die verder keek dan het beoordelingsformulier! Heb mijn betrokkenheid toen ook echt in kunnen zetten in mijn stageklas. Waardoor ik heel veel kinderen weer vooruit kon helpen.

Grenzen stellen daarin tegen, is voor mij -als juf in opleiding- soms een behoorlijk struikelblok. Vooral ook om hier consequent in te blijven. Omdat ik daar steeds zo over na moet denken.. In eerste instantie reageer ik vanuit begrip. Ik wil niet steeds bij ieder klein dingetje ingrijpen, dat maakt de sfeer weer zo negatief. Probeer vooral dingen met positiviteit op te lossen. Afgelopen semester kreeg ik toch vaak de feedback om echt grenzen te stellen en consequent te blijven als ik voor de klas sta. Ik ben vaak veel te lief. Iedere keer begin ik goed door aan te geven wat ik verwacht, maar gedurende de dag glipt het me steeds door de vingers om consequent te blijven. Ergens gaf het mij geen goed gevoel om ‘streng’ te zijn.

Ik zeg ook wel eens tegen de kinderen: ‘Jammer dat ik zo vaak moet mopperen of dat ik boos moet worden tot het stil is.’ En dan probeer ik ze mee te laten denken hoe we het een volgende keer beter kunnen doen. Zodat er niet steeds gemopperd hoeft te worden. Maar ja, daar komt een stukje consequent zijn bij, zodat het dan ook echt een volgende keer op de besproken manier gaat. Heb de laatste weken soms (nog net niet met de handen in het haar) voor de klas gestaan met de gedachte: help, wat nu?! Uiteindelijk is de chaos in de klas dan net zo groot als de chaos in mijn hoofd.. En dan moet ik wel optreden als ‘juffrouw Bulstronk’ voordat het mis gaat. Helemaal niet mijn ding!

Vanmiddag kreeg ik op mijn stage te horen dat er nog niet voldoende verbetering in is gezien op pedagogisch gebied. En dat dat toch wel het belangrijkste is om te beheersen, wil ik een klas draaiende kunnen houden. Ik dacht echt: “ik kan het blijkbaar gewoon niet”. Heb ik zo mijn best gedaan om mezelf te ontwikkelen, voor mijn gevoel zoveel geprobeerd om het te verbeteren.. En dan waarschijnlijk voor de 2e keer een onvoldoende voor mijn stage.. Merkte dat ik een beetje moedeloos werd.

Tot dat gesprek van vanmiddag.. Het duurde even tot het bezonken was.. De persoon die ik aan de telefoon had, liet mij bedenken waarom grenzen gesteld worden? Na even nadenken kwam ik erop: -vertrouwen, -veiligheid, -zorgen dat ieder kind zichzelf kan zijn in de klas. En ga zo maar door. Omdat ik vanuit een ander perspectief naar grenzen keek, verdween het negatieve gevoel wat ik erbij had. Want ook grenzen zijn nodig om meer betrokken kunnen zijn bij de kinderen. Grenzen en betrokkenheid gaan hand in hand, ondanks de verschillen. Want als ik consequent ben en grenzen stel in de klas, dan weten de kinderen ook wat ze aan mij hebben, waardoor het vertrouwen en het veilige gevoel zullen groeien. En er wederzijdse betrokkenheid kan ontstaan.

Dus al haal ik dinsdag misschien een onvoldoende voor mijn stage, ik ben blij dat ik deze wijze les vandaag geleerd heb. Dinsdag bij mijn lesbezoek, hoop ik met het gevoel wat ik nu heb over grenzen, met meer zelfvertrouwen voor de klas te staan. En daardoor hoop ik ook mijn laatste stagedag positief af te kunnen sluiten. Wat het cijfer ook zal worden, ik denk maar zo: als iets niet meteen lukt, zegt dat niet dat ik het niet kan. En ik weet van mezelf dat ik mijn best heb gedaan. Heb echt ontzettend veel geleerd. En dit besef is voor mij misschien wel de waardevolste les van het afgelopen half jaar!

Het probleem van de rotklas

HET PROBLEEM VAN DE ROTKLAS

Vanmorgen was ik op een school. Op een hele gewone school voor Voortgezet Onderwijs, met hele gewone leerlingen en hele gewone leraren. Geen speciaal onderwijs, geen achterstandswijk; geen probleemschool. En toch was ik uitgenodigd om een groot probleem te helpen oplossen. Het probleem van de “rotklas”. Een tweede brugklas in dit geval. Je kent misschien ook wel zo’n klas.

Zo’n klas waar het al vanaf het begin van het schooljaar niet lekker loopt.
Zo’n klas waar de leerlingen continu een wedstrijd “wie durft vandaag de grootste rotopmerking te maken” lijken te houden.
Zo’n klas waar de hormonen je tegemoet vliegen zodra je de deur open doet.
Zo’n klas waar gecommuniceerd wordt door middel van blikken naar elkaar en kleine bewegingen.
Zo’n klas waar de mentor overspannen is afgevoerd en een jonge enthousiaste leraar het mag proberen.

En die jonge enthousiaste leraar riep tegen mij: “Kan ik het gewoon niet? Wat doe ik verkeerd?”

Doe jij dat ook altijd? Eerst de fout bij jezelf zoeken?
Terwijl je in de teamkamer al meerdere malen hebt gehoord: “Heb jij die rotklas? Pfff, nou succes. Of: dapper hoor!”

En nee, het ligt niet aan jou. Het is zo gegroeid. Aan het begin van het schooljaar is de groep niet op de juiste wijze begeleid en nu is het uit de hand gelopen. Er is een kans dat jij al de zoveelste invaller bent die het mag komen proberen.

Kees van Overveld zegt het heel goed in zijn boek Groepsplan Gedrag VO “Gedragproblemen zijn interactieproblemen”.
De leerlingen hebben geleerd op een manier met elkaar en naar anderen te communiceren die jij niet wenselijk vindt.
Deze “foute” manier van communiceren zit geheel in hun systeem. Ze kunnen niet meer anders.
Het is nu jouw taak, als invallende startende leraar, om deze leerlingen opnieuw te leren communiceren. Op de manier die jij wilt.

EN JA, DAT KAN!

Wat heb jij daarvoor nodig?

1. Een hele lange adem. Je zult heel lang, heel consequent moeten volhouden. Weken lang! Dat gaat je heel veel energie kosten, maar de aanhouder wint. Niet opgeven is het devies!
2. Steun van je duopartner (als je die hebt), je leidinggevende en de ouders. Vertel wat je gaat doen (en waarom) en vraag ze om je te helpen en te steunen.
3. Een stappenplan. En dat stappenplan krijg je van mij.
HET STAPPENPLAN:

1. Begin opnieuw met deze leerlingen. Spreek per les een of twee regels af en laat iedereen daarmee instemmen.

2. Leer elkaar opnieuw kennen. Mensen die elkaar kennen, die een relatie hebben, pesten elkaar niet. Doe kennismakingsspelen. Verbind. Geef zelf het goede voorbeeld.

3. Herhaal deze regels aan het begin van iedere les en maak duidelijk dat je de les stopt zodra iemand een van deze regels overtreedt. Doe dat ook, heel consequent, en vertel steeds waarom je de les hebt gestopt en wat je voor overtreding hebt gezien. Benoem gedrag en geen leerlingen.

4. Stel een beloning in het vooruitzicht als er geen regel overtreden wordt in deze les.

5. Geef heel veel compimenten en spreek bemoedigende woorden uit. “Het gaat al 5 minuten goed! Wat fijn!”

6. Je gaat niet in discussie. Je accepteert geen “ja, maar”. Je ben duidelijk en consequent. Je stelt geen vragen! Gewoon zeggen. Gewoon doen.

7. Leerlingen die de les verstoren spreek je niet door de klas heen aan. Je loopt erheen, je benoemt wat je ziet (het gedrag), vertelt wat je wel wilt zien en geeft de keus: “je doet xxxx (wat jij wilt dat de leerling doet), of je kiest xxxx (dat is dan de consequentie, zoals bijvoorbeeld strafregels schrijven en ouders worden gebeld).

8. Gebruik humor. Als de sfeer akelig wordt (en dat gaat gebeuren!), dan zeg je dat ook. Laat de “sfeer los” met z’n allen en begin weer opnieuw. Maak, zodra de situatie dat toelaat, een grapje. Behoud je goede humeur.

9. Volhouden!

10. Blij zijn met iedere les die goed gaat.

11. Zoek iemand waar je je ervaringen mee kan delen. Goed en slecht. Je moet een klankbord hebben, iemand waar je bij kunt spuien.

12. SUCCES!

N.B. Als jij ook zo’n klas hebt (en ik ben niet in de buurt): koop in ieder geval het boek “Groepsplan Gedrag” van Kees van Overveld. Er is een versie voor VO en een voor PO. Verkrijgbaar bij Uitgeverij Pica

Zeven inzichten in de oorzaak van pesten

 

 

 

 

M5 is een van de methodes om structureel pesten te stoppen en sociale veiligheid te waarborgen. Meer hierover vindt je op de website van de M5 groep. www.pestaanpak.nl.

 

Los van iedere anti-pestmethode, is er kennis en inzicht nodig over de oorzaken van structureel pesten. Daarom deze zeven inzichten in de oorzaak van pesten waarop de M5 methode gebaseerd is.

Zeven inzichten in de oorzaak van pesten

  1. Waar pesten niet of nauwelijks over gaat.

Pesten gaat niet over de huidskleur, kleding of anders zijn. Het heeft maar voor een klein deel te maken met de vaardigheden van de pester, het slachtoffer, de leerkracht of de schoolleiding. Er is ook gebleken dat het weinig uitmaakt op de school klein of groot is, of in een stad of in een dorp staat. Het maakt ook niet uit of je een jongen of een meisje bent.

  1. De oorsprong van pesten.

De oorsprong van pesten is de structurele onveiligheid voor kinderen binnen het schoolsysteem door gebrek aan sociale controle door volwassenen. Het is niet zo vreemd dat volwassenen nagenoeg onmachtig zijn om vergaande beschadiging van kinderen door pesten te voorkomen. Vooral het destructieve pesten gebeurt bewust buiten het zicht van volwassenen. Het is in de meeste gevallen dus niet vreemd dat een school er niets van heeft gemerkt.

  1. Als je veiligheid aan kinderen zelf overlaat, gaat het mis.

Er zijn per dag genoeg ‘vrije’ momenten waarop de veiligheid aan kinderen zelf wordt overgelaten. In die situaties moeten kinderen het met elkaar uitzoeken. Aan kinderen vragen om hun veiligheid op een volwassen en gezonde manier te regelen is hen overvragen. Pesters en de groep daarom heen zijn niet bezig met vijandigheid, maar met veiligheid. Zij regelen hun veiligheid ten koste van de andere kinderen in de groep. Kinderen weten dat ze niet moeten pesten, maar ervaren dat ze geen keus hebben.

  1. Bij sociale onveiligheid regeert de angst

Kinderen zijn bang wanneer zij in situaties terechtkomen waarin het sociaal onveilig is. Op die momenten reageert hun lijf instinctief en roept een vecht-vlucht reactie op. Deze automatische reactie is een natuurlijke overlevingsreactie. De ‘slachtoffers’ vluchten weg. Ze roepen zo onbedoeld een aanval op van kinderen die juist geneigd zijn om te vechten. Pesters reageren door te vechten en openen (aanvankelijk net zo onbewust als de vluchters) de aanval. Ze proberen de ander banger en onzekerder te maken, dan zij zelf zijn.

  1. Kinderen doen er het zwijgen toe.

Kinderen vertellen niets over het pesten omdat zij bang zijn voor repercussies van de pesters én omdat zij hebben ervaren dat volwassenen het toch niet voor hen op kunnen lossen. Van jongs af aan hebben zij, impliciet of expliciet geleerd, dat klikken niet fair is. Er geldt een zwijgplicht voor degene, die toevallig wel iets heeft waargenomen. Zij zwijgen om zelf niet de klos te worden.

  1. Structureel pesten is een blinde vlek.

Omdat het zo lastig is om pestgedrag helder te krijgen, richten we ons zelden op de dader. Het is voor volwassenen veiliger om zich te richten op de slachtoffers. Wie het gedaan heeft is doorgaans onduidelijk, maar het is vaak wel duidelijk wie zich slachtoffer voelt. Het advies is dan vaak simpel: dit kind moet zich weerbaarder opstellen (advies ouders: terug slaan), of op cursus (advies school). De onderliggende boodschap die slachtoffers feitelijk krijgen is dat het aan hen ligt en dat zij hun gedrag moeten veranderen. Als kind ben je na verloop van tijd wel klaar met dit soort hulp. Kinderen die na een cursus nog ernstig gepest worden, willen de volwassenen om heen niet langer teleurstellen en ondergaan hun lot daarom liever in stilte.

  1. Waarom je niet al het pesten moet voorkomen.

Er is een onderscheid tussen incidenteel en structureel pesten. Incidenteel pestgedrag is cruciaal voor de persoonlijke ontwikkeling van kinderen. Het is sociaal leergedrag en als je dat probeert te voorkomen, doe je hen tekort. Het is niet altijd leuk, maar in principe eerder louterend dan beschadigend. Bij structureel pesten is er sprake van een chronische vorm van geweld, dat aanhoudend en herhaaldelijk wordt toegepast bij één of verschillende slachtoffers. Wie de impact van structureel pesten kent snapt dat de omschrijving ‘geweld’ van toepassing is.

Bovengenoemde zeven inzichten in pesten zijn een greep uit een veelheid aan inzichten op dit terrein. Het is een aanzet tot een beter begrip over het fenomeen pesten. Wat wij geprobeerd hebben is om te laten zien dat pesten een symptoom is van iets fundamenteels, namelijk sociale onveiligheid.
(volgens M5)

Zeven tips voor het motiveren van ongemotiveerde leerlingen

 

Zeven tips voor het motiveren van ongemotiveerde leerlingen

Je kent “ze” wel…

* ze vinden school maar niks
* ze staan onverschillig t.o.v. leraren, leerstof en cijfers
* ze lopen de kantjes er van af
* ze worden niet uitgedaagd
* ze geven toe dat ze niet gemotiveerd zijn

Deze zeven tips kunnen helpen, mits je de leerling serieus neemt en betrekt bij jouw probleem (want ja sorry… het is jouw probleem :-))

1. Probeer in een gesprek te achterhalen wat precies de oorzaak is; problemen thuis, de leerstof sluit niet aan, jouw wijze van lesgeven sluit niet aan, etc.

2. Breng samen in kaart welk(e) korte-termijn-doel(en) mogelijk kunnen helpen om enigszins gemotiveerd te worden.

3. Stel samen een straf- en beloningssysteem in werking en houd je daar consequent aan. Zorg voor commitment!

4. Pak een doel tegelijk aan en controleer steeds of het doel nog helder voor ogen staat.

5. Grijp bij iedere kleine aarzeling onmiddellijk in door na te gaan wat nodig is om de leerling weer te betrekken.

6. Breng  medeleerlingen, collega’s en ouders op de hoogte (mits met toestemming van de leerling) en laat hen helpen de leerling te steunen.

7. Geef de leerling positieve affirmaties mee voor die momenten waarop het moeilijk is en jij niet in de buurt bent.