Categorie archief: pedagogisch klimaat

pedagogisch klimaat

Zon zon zon…

Vandaag is het veel te mooi weer om een blog te schrijven.

Ik spijbel! En ik hoop dat jij ook van de zon geniet!

download

Wil je toch iets zien of lezen?

Klik dan HIER door naar een oude blog. Eentje die ik in ere houdt, omdat hij over mijn meest favoriete collega gaat.

Fijn weekend nog,  misschien een fijne vakantie en tot volgende week.

Moeilijke klas – hoe doe je dat?

Moeilijke klas – hoe doe je dat?

Een moeilijke klas overnemen… hoe doe je dat?
Ik krijg altijd veel verzoeken om hulp van leraren die plotseling een moeilijke klas over moeten nemen. Ze beginnen enthousiast, maar na een paar weken gaan ze met lood in hun schoenen naar school. Natuurlijk: kinderen proberen een nieuwe leraar uit, dat is normaal. Maar in moeilijke klassen wordt het uitproberen van de leraar overstegen door negativiteit. Negatief gedrag is de norm geworden.

Wat zijn de symptomen van een moeilijke klas?
• De leerlingen letten de hele tijd alleen maar op elkaar.
• Ze reageren op alles; verbaal en onverbaal.
• Leerlingen lijken niks te pikken; niet van hun klasgenoten en niet van de leraar.
• Straffen en belonen lijken geen enkel effect te hebben.
• De groep wordt heel moeilijk stil. Als dat eindelijk is gelukt, beginnen ze weer opnieuw.
Allereerst is het zaak om een aantal zaken te onderzoeken. Wat is er aan de hand? En wat kan je met de antwoorden op jouw vragen?
• Neem een sociogram af. Het geeft je inzicht in welke relaties er in de groep zijn.
• Bekijk welke leerlingen een “etiket” hebben. Praat met deze leerlingen, hun ouders en je collega’s en vraag welke benadering bij deze leerlingen zou kunnen werken.
• Zoek uit wie de informele (negatieve) leider is van de groep. Deze leerling geef je geen speciale aandacht meer.
• Zoek uit welke leerlingen eigenlijk wel positief zijn, maar dit niet meer durven te laten merken. Deze leerlingen geef je extra positieve aandacht.
• Vraag naar het verleden van de groep. Wanneer is deze sfeer ontstaan? Wat zouden de oorzaken kunnen zijn?
• Zoek uit of je gesteund wordt door je leidinggevende, je collega’s en de ouders. Zo nee: leg je plan van aanpak voor en vraag vervolgensom hun uitgesproken steun en hulp.
In de klas zelf is het zaak om te focussen op je lessen en je klassenmanagement.
• Zorg voor een duidelijke, voorspelbare structuur en routines.
• Trek het je nooit persoonlijk aan. Het heeft niets met jou te maken, maar met groepsprocessen uit het verleden. Zie het als een uitdaging om het tij te keren.
• Benoem alle gedrag dat je ziet. Negatief gedrag kap je kort en duidelijk af, bij positief gedrag complimenteer je extra.
• Ga nooit in discussie. Spreek duidelijk je verwachtingen uit en geef twee keuzes.
• Voorkom stemverheffing. Praat zacht.
• Gebruik technieken die continue de aandacht op jou vestigen.
• Wees snel, kort en effectief.
• Blijf rustig, tactvol en lief. Zorg voor een warme ondertoon, hoe streng je ook bent.

En tot slot:
• Houd vol!!!!
• Blijf lachen!
• Koester ieder klein succesje.
• Blijf geloven in een ommekeer.

Faalangst bij leerlingen

Open

Faalangst bij leerlingen

Het lijkt wel of er steeds meer leerlingen in onze klassen zitten die lijden onder faalangst. Bang om af te gaan. Bang om fouten te maken. Bang om iets verkeerds te zeggen. Waar komt dat toch vandaan?

Zijn het de ouders die steeds hogere eisen stellen?
Is het “de maatschappij” die vindt dat iedereen perfect moet zijn?
Worden er teveel toetsen afgenomen?
Zijn wij het, de leraren, die teveel druk leggen op onze leerlingen?
Of is het misschien een aangeboren afwijking; een gemuteerd gen?

Flauwekul natuurlijk, die laatste twee. Maar ook bij de bovenste drie kun je je afvragen of het wel waar is. Maar eigenlijk gaat het niet over de oorzaken. Waar het omgaat is hoe jij er mee omgaat in de klas. Want een leerling met faalangst kan oprecht heel ongelukkig zijn. En daar hebben wij leraren last van. Want wij willen dat onze leerlingen gelukkig zijn. Maar wat kun je er aan doen, als leraar? Je kunt een leerling met faalangst natuurlijk op een cursus doen. Maar ook in de klas kun je een leerling van zijn of haar faalangst afhelpen.

Het begint bij aandacht. Er zijn leerlingen die geen faalangst hebben, maar een tekort aan aandacht. Het is belangrijk om allereerst het juiste onderscheid te maken tussen die twee. Leerlingen met een tekort aan aandacht moet je alleen aandacht geven op andere, positieve punten. Als je dat consequent doet en de aanstellerij van de leerling afkapt en verder negeert, dan zul je zien dat de faalangst als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Leerlingen met echte faalangst kun je op de volgende manier helpen:
1. De leerling moet zich bewust worden van het moment waarop de faalangst toeslaat. Je moet de leerling aanleren om op dat moment een teken te geven. Dan kan bijvoorbeeld door iets op tafel te zetten. Dan weet jij dat je iets moet doen: vragen stellen en doorvragen.
2. Vervolgens moet je de eerste vraag stellen aan de leerling. Niet hardop in de klas, maar altijd onder vier ogen en steeds weer opnieuw zodra de leerling het teken van faalangst geeft. Deze eerste vraag is: “Wat is het allerergste dat kan gebeuren als je nu faalt?” De leerling mag daar best even over nadenken. Maar er moet uiteindelijk een (mondeling!) antwoord gegeven worden. Er mogen ook meerdere antwoorden gegeven worden. Als leraar ga je vervolgens doorvragen. “Waarom is dat zo erg?” “Kun je nog iets ergers bedenken?” “En wat gebeurt er als er nog iets ergers gebeurt?” “En wat gebeurt er dan met jou?” “En dan?” “En wat gebeurt er dan?” “En waarom is dat erg?” Enzovoort. Door eindeloos door te vragen relativeer je de angst, maar neem je de leerling ook serieus.
3. Zodra de leerling zelf die denkstappen maakt en daardoor zelf leert te relativeren, zal de faalangst afnemen. De angst voor de angst is namelijk altijd groter dan de angst zelf en de enige manier om daar doorheen te breken is door de angst hardop te benoemen.
Succes!

Pak het probleem aan

Pak het probleem aan

Ik zie in klassen regelmatig gebeuren dat de meeste leerlingen niet (willen?) nadenken. Ze beginnen er niet eens aan. Ze roepen meteen “ik snap het niet!” voordat je goed en wel hebt uitgelegd wat ze precies moeten doen. Onze leerlingen zijn lui geworden. Alles moet vanzelf gaan. Ik vind dat een probleem. Als jij het ook een probleem vindt, lees dan verder…

Heb jij ook zo’n klas? Dan wordt het de hoogste tijd om gebruik te gaan maken van de “leerkuiltechniek”. Dat wil dus zeggen dat je begint met te vertellen dat het logisch is dat ze het niet snappen. Want: als ze het al zouden snappen, dan hoefden ze het niet meer te leren! Ze hebben gewoon een probleem, en problemen zijn er om op te lossen.

Dan pak je de poster er bij (zie de gratis download in de SterkNieuws) en die hang je duidelijk zichtbaar voor de klas. Projecteren op het bord is nog beter. Vervolgens leg je de denkstappen uit die horen bij de ontwikkeling van een “growth mindset”:

  1. Ik snap het niet. Ik kan het niet.
  2. Ik stop ermee, ik leer het toch nooit. Ik heb er ook geen zin in.
  3. Maar oja… ik moet het nog leren en leren gaat stap voor stap. En zin kan je maken.
  4. Leren gaat niet vanzelf, ik moet er wat voor doen. Een echte Prof doet dat.
  5. Welk talent heb ik nu nodig? In ieder geval het talent “doorzetten”, en dat is een talent dat iedereen heeft, dus ik ook.
  6. Ik geef niet op als het lastig wordt. Ik oefen net zo lang tot ik het kan. Net als een Prof.
  7. Iedereen kan slimmer worden door te oefenen en te herhalen, dus ik ook.
  8. Ik maak een plan. Ik begin bij het einddoel. Ik schrijf stap voor stap op wat ik moet doen om het einddoel te halen.
  9. Ik begin. Ik doe het stap voor stap. Als ik vastloop ga ik een stapje terug. In geval van hoge nood vraag ik om hulp.
  10. Als ik mijn doel bereikt heb ben ik trots op mezelf. En terecht. Net als een Prof.

Je vertelt een verhaal over een voorbeeld waarbij jij zelf deze stappen hebt gezet, met resultaat. Vertel ook hoe goed je je daarna voelde. Geef ook voorbeelden van een Prof. (Voetballer, zanger, danser.)

Je laat de leerlingen zelf een voorbeeld bedenken waarin zij (zelf!) resultaat hebben behaald. Je vraagt ze hoe ze dat gedaan hebben en manipuleert ze in de juiste richting van deze stappen door samenvattende vragen te stellen. Zet dat positieve gevoel bij hen: “Denk eens aan hoe goed je je toen voelde”.

Je vraagt de leerlingen hoe ze het komende probleem gaan aanpakken. En ze gaan aan de slag.

Jullie kunnen met elkaar een quote of yell bedenken die de klas steeds herinnert aan deze “leerkuiltechniek”. Herhaal die quote of yell minimaal 7 keer hardop met de hele klas. Hang de quote of yell duidelijk zichtbaar in het lokaal. Zodra iemand zegt “ik snap het niet” of “ik kan het niet”, spoor dan de hele klas aan (met een vast teken) om de quote of yell hardop te roepen.

Succes!

 

Vastgeplakt achter je bureau!

Vastgeplakt achter je bureau!

Ken jij hem al? De onzichtbare barrière tussen jou als leraar en jouw leerlingen? De grens die ontstaat als jij achter je bureau zit en de leerlingen met hun neus recht naar jou toe zitten? Soms lijkt het net alsof er een slagboom tussen jullie inzit. Of een muur, met of zonder prikkeldraad er bovenop. Dat hangt dan weer van de sfeer af…

Ik zie het minstens één keer per week: de leraar zit achter het bureau. Vastgeplakt. Soms staat de leraar vooraan in de klas, bij het bord. Maar meestal gaat de leraar meteen na de instructie weer zitten. Op de veilige stoel. Achter de muur die het bureau vormt.

De leerlingen zijn al of niet aan het werk, letten wel of niet op… maar op de een of andere manier is het altijd onrustig. Dan kijkt de leraar verstoord op, roept een naam door de klas, moppert even en kijkt of de leerling weer aan het werk gaat.

Soms gaat de leerling weer aan het werk. Maar meestal volgt er nog een opmerking, al dan niet brutaal. Bijna iedereen kijkt op. En met een beetje pech volgen er opmerkingen van andere leerlingen, gevolgd door een boze leraar, gegiechel van enkele meiden, nog meer opmerkingen en niemand werkt meer. Iedereen kijkt naar de leraar…. Met een beetje geluk krijgt de leraar ze weer aan het werk, met een beetje pech escaleert de boel en/ of stuurt de leraar net de verkeerde de klas uit.

In het nagesprek zegt de leraar tegen mij: “dit is altijd een drukke klas”. En ik zeg: “het is jouw schuld dat ze zo druk zijn”. Tja. Ik ben nogal direct.

Deze leraar hoeft maar één ding te doen: WEG achter dat bureau. Rondlopen. Ogen in de rug ontwikkelen. Leerlingen zachtjes, onder vier ogen aanspreken.

Haal die slagboom omhoog. Breek die muur af. Haal het prikkeldraad weg. Loop door de klas. Heel simpel. Gewoon doen.

Heb je zin om nog meer te leren over orde houden? Kijk dan eens hier.

orde-houden

FAQ voor invallers

FAQ voor invallers

Kijk, dat vind ik nou leuk: een e-mail van een invaljuf die tegen bepaalde dingen aanloopt en graag tips wil om te weten hoe zij er beter mee om kan gaan. Ik kan me zo voorstellen dat zij niet de enige is! Daarom deze week:

FAQ voor invallers

  1. Hoe om te gaan met zeer tijdelijke collega’s?
    • Geef ze allemaal een hand, herhaal hun naam en stel jezelf voor.
    • Als je vaker op die school wil invallen, ga dan in de pauze bij ze zitten en klets mee. Stel veel vragen.
    • Wordt vriendjes met de leraren in de lokalen naast je en bespreek wat je kunt doen met leerlingen met moeilijk gedrag. Wat zijn de regels op de school? Mag je leerlingen even bij de buren parkeren?
  1. Soms vragen collega’s hoe het gaat om vooral te horen dat ze niets extra’s hoeven te doen. Hoe kan je dan reageren?
    • Maak duidelijk dat je komt invallen, maar dat je de school en de leerlingen nog niet zo goed kent. En dat je echt niet zonder hun hulp kunt. Maar zegt ook dat je alles doet wat je kunt. Zorg voor een proactieve houding.
    • Zeg dat je de school uit de brand komt helpen, zodat de leerlingen niet verdeeld hoeven te worden.
    • Stel gewoon de vragen die je wilt stellen. Wees brutaal! Ze mogen blij zijn dat je er bent.
    • En als er steeds mensen jouw lokaal komen binnenlopen om te vragen hoe het gaat, spreek dan met de leerlingen dat jullie met z’n allen dan heel hard gaan zwaaien en uitroepen: “het gaat goed!” Oefen dit wel met de leeringen.
  1. Wat doe je met haperende digiborden en onjuiste codes?
    • Met een beetje mazzel heb je van te voren de checklist voor invallers uitgeprint en doorgelopen. Dan zou het kunnen zijn dat je in ieder geval de juiste codes hebt.
    • Zorg dat je in ieder geval (papieren) lessen hebt, zodat je in ieder geval les kunt geven.
    • Zet jouw regels op een poster die je op kunt hangen, evenals een dagprogramma.
    • Wijs één leerling aan als digibord-assistent. Die mag jou maximaal 3 minuten helpen. Als het niet lukt: pech. Dan blijft het bord uit. Maak in dat geval foto’s van de whiteboards, maak ze schoon en gebruik ze als schoolbord. Aan de hand van de foto kun je aan het eind van de dag alles er weer opzetten wat erop stond.
    • Bij digitale methodes wordt het een kwestie van improviseren. Doe niet wat je niet kunt doen.
    • Neem snelle beslissingen, kom zeker over. Zodra jij gaat twijfelen, wordt het onrustig in de klas. Voorkom dat. Jij bent de baas.
  1. Wat je kun je met leerlingen doen die jouw dag ernstig verstoren? Zelfs al bij kleuters!
    • Ook hier geldt: sta stevig in je schoenen. Doe wat jij wilt!
    • Vat het nooit persoonlijk op. Leerlingen zijn geprogrammeerd om jou uit te proberen.
    • Leerlingen die het “goed” doen geef je heel veel complimenten. Benoem specifiek wat ze goed doen,
    • Je neemt de leerlingen die je les verstoren onmiddellijk apart en je vertelt (duidelijk en positief gesteld) hoe jij het wilt hebben. Je zegt ook dat je weet dat die leerling dat kan.
    • Zodra de leerling het ook “goed” doet, geef je een groot compliment: “zie je wel! Je kunt het!”
    • Als je leerling je toch nog gaat uitproberen, gaat de ladder in werking:
  2. Je stuurt een boze blik. Eventueel met handgebaar.
  3. Je zet de leerling even apart en vertelt wanneer hij weer mag laten zien dat ie het kan.
  4. Je geeft de leerling straf.
  5. Je zet de leerling buiten de klas (zorg dat je van te voren weet waar).
  1. Moet je wel of niet de directeur begroeten bij binnenkomst op een nieuwe school.
    • Ja! Behalve als deze druk af afwezig is.
    • Belangrijker is: de conciërge en ander OOP. Wordt daar hele dikke vrienden mee!

Vergeet niet: het is geen recept of wet van Meden en Perzen… als je op je gevoel afgaat, gaat het meestal goed!

Wil je de online cursus volgen “Invallen in het PO?” Klik dan hier.

Succes! en veel plezier met het verder lezen van de Sterk Nieuws

Wat nou grote mond!

Wat nou grote mond!

Afgelopen week zat ik met twee juffen in de auto. En natuurlijk kwamen we te spreken over  het onderwerp “Grote Mond”. Ligt het aan ons of klopt het inderdaad dat er in de klas steeds vaker een grote mond wordt gegeven door leerlingen? Niet alleen tegen ons, maar ook tegen klasgenoten? Worden leerlingen inderdaad steeds brutaler?

En hoe reageer je dan, als leraar? Laat je het er bij zitten? Ga je de strijd aan? Wat doe je er mee?

Ik denk zelf dat opvoeding  gewoon doorgaat na het passeren van de voordeur van het ouderlijk huis. Ik vind dat je als leraar ook een opvoedkundige taak hebt. Omdat jij als leraar het recht hebt om te bepalen hoe leerlingen zich dienen te gedragen in jouw klaslokaal. En dan heb ik het over zowel taal als houding.

Maar hoe doe je dat dan, je leerlingen opvoeden? Ik heb een stappenplan bedacht.

Op het moment dat je ziet of hoort dat een leerling zich brutaal of onbehoorlijk gedraagt (en dat kan heel klein zijn) eis je onmiddellijk de aandacht van de hele groep. En dan:

  1. Benoem je wat je gezien (of gehoord) hebt. Zonder namen te noemen, trouwens.
  2. Vertel je wat dat met je doet.
  3. Zeg je dat je dergelijk gedrag (of dergelijke taal) beslist niet accepteert en vertel je welke sanctie daar op staat.
  4. Vertel je hoe je wilt dat alle leerlingen zich gedragen (of spreken) in jouw klas(lokaal). Je benoemt dat expliciet, specifiek en zichtbaar. Positief gesteld: vertel welk gedrag je wel wilt zien en/ of welke woorden je wel wilt horen.
  5. Vervolgens vraag je aan de leerlingen om zich hieraan te committeren, bijvoorbeeld door ze hun hand op te laten steken.
  6. Daarna zet je de leerlingen aan het werk.
  7. De leerling die eventueel een sanctie verdient neem je apart en je geeft de passende straf.
  8. Je kunt eventueel op een later moment de leerlingen die zich niet hebben gecommitteerd één voor één apart nemen en ze aanspreken op hun gedrag. Ze moeten zich uiteindelijk committeren aan jouw regels, anders is er geen plaats voor hen in jouw klas(lokaal).

Dit doe je steeds op het moment dat er iets vervelends gebeurt en je zult zien dat het nare gedrag uiteindelijk gaat verminderen.

Ik wens je veel geduld en succes.

En ik wens je veel plezier bij het verder lezen van de SterkNieuws.

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen: ik vond het altijd erg leuk. Ik vond het zelfs een sport. Ik vroeg het me iedere keer weer af: Zou het me lukken om ook deze keer weer meer antwoorden te krijgen dan alleen:
“Ik weet het niet.”
“Ja, gewoon. Je weet wel.”
of:
” …” (= schouders ophalen)

En toch moeten onze leerlingen het leren, of ze nu willen of niet. Zelfreflectie is een belangrijke vaardigheid. Je moet inzicht hebben in je eigen leren om goed verder te kunnen leren.
Helaas is het iets dat de meeste leerlingen niet vanzelf kunnen. Niet iedere leerling krijgt dit van huis uit mee. De meeste leerlingen moeten het leren. Moeten ja! Omdat anders de achterstand (de “kloof”) nog groter wordt.

Gelukkig zijn er technieken voor die je in combinatie kunt gebruiken. Eerst één, en later de rest ook. Ik zet ze voor je op een rij:
1. Je leert een aantal standaardzinnen aan, die de leerlingen kunnen gebruiken. Dit zijn allemaal zinnen die iets zeggen over hoe zij vinden dat zij zelf iets hebben gedaan. Zorg wel dat ze ook leren wanneer ze welke zin moeten gebruiken. Je zult zien, dat ze na enige tijd (weken, maanden of jaren) weten wat ze moeten zeggen en dat er uiteindelijk meer uit komt dan alleen de standaardzinnen; ze hebben het zichzelf eigen gemaakt en weten nu pas hoe ze echt kunnen evalueren en reflecteren.
2. Je eist dat de leerlingen steeds meer zinnen gaan gebruiken om te antwoorden. In het begin neem je genoegen met één zin (de “wat”). De volgende stap is een tweede zin, waarin de leerling de “wanneer” toevoegt. Vervolgens volgen nog meer zinnen: de “hoe”, de “waarom”, enzovoort.
3. Vervolgens mogen de leerlingen de zinnen uitbreiden naar langere zinnen. Er komt dan achter iedere zin een , omdat….. of , want…

Ik weet het, het klinkt stom. Maar het is echt super-nuttig. Je maakt het leuk voor de leerlingen door er een sport van te maken, met leuke gekleurde en gelamineerde kaartjes en ze leren er ook nog iets van zinsbouw mee.

Het is me gelukt met leerlingen op en onder basisniveau van 15 jaar:
Na 3 maanden oefenen en zeuren kreeg ik eindelijk acceptabele antwoorden op mijn vraag: “Hoe kijk je terug op je stagedag van gisteren?”

Stephan: “Ik mocht voor het eerst helpen met broodjes klaar maken. Ik heb dat goed gedaan, want ik heb niet in mijn vingers gesneden. Ik was op tijd klaar. Ik heb wel een pot mayonaise laten vallen. Dat vond de baas niet leuk. Ik moest het zelf opruimen. Dan was moeilijker dan ik dacht, omdat het lang glad bleef. En dat mocht niet. Want het is gevaarlijk als mensen kunnen uitglijden in de keuken. Gelukkig is er niemand uitgegleden omdat ik het goed had schoongemaakt,”

Ik was echt supertrots.

Wil jij nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

Invallen in het Speciaal Onderwijs

Invallen in het Speciaal Onderwijs

Invallen in het Speciaal Onderwijs (of in een klas met veel zorgleerlingen) is een vak apart. Er zijn een aantal zaken waar je rekening mee moet houden. Ik zet ze hier op een rijtje:

  1. Bekijk van te voren de website van de school. Ook als je pas ‘s morgens wordt gebeld. Het is belangrijk om te weten welke regels op de school gelden, welke visie of missie er is en om te weten op welke wijze het onderwijs is georganiseerd.
  2. Zorg dat je goed contact maakt met de leerlingen. Sta bij de deur en kijk ze allemaal in de ogen. Zo kom je er snel achter welke leerlingen je in de klas hebt en of ze zin hebben in een dag met jou.
  3. Houd je aan de regels in de klas en in de school. Houd je aan die regels, ook al sta je er niet helemaal achter.
  4. Zoek in de klassenmap naar beschrijvingen van de leerlingen. Zo weet je snel met welke afspraken, medicijnen, ziektes, stoornissen enzovoort je rekening moet houden.
  5. Maak aantekeningen op je plattegrond over deze beschrijvingen.
  6. Begin met het uitspreken van jouw verwachtingen. Verwacht dat de leerlingen zich aan de regels houden; ook bij jou, en spreek alles hardop uit. Laat de leerlingen commitment geven aan de regels en de wijze waarop jij werkt, door een hand op te laten steken. Zo zie je meteen wie met je mee gaat werken.
  7. Vertel voldoende over jezelf (met veel humor) zodat de leerlingen weten wie jij bent en waar je van houdt. Zorg bijvoorbeeld voor een powerpointpresentatie met foto’s.
  8. Wijs meteen een “personal assistent” aan, die jou gaat helpen met alles. Waar liggen de spullen? Hoe doet de eigen leraar A of B? Laat je niet afleiden door opmerkingen van andere leerlingen.
  9. Wees consequent en duidelijk. Nee is nee en ja is ja. Laat je niet van je stuk brengen.

Veel plezier! Klik HIER om de SterkNieuws verder te lezen.

De aanspreekladder

De aanspreekladder

Er zijn wel eens van die momenten in een klas, waarop je als leraar een leerling moet aanspreken op zijn gedrag. Er zijn natuurlijk momenten waarop je de naam van die leerling hard, of keihard, door het lokaal moet roepen.
Dit zijn van die momenten:
– Als de veiligheid in het geding is.

Er is dus maar één reden om een leerling hardop onmiddellijk te corrigeren. Toch zie ik dit dagelijks gebeuren en meestal verkeert er dan niemand in een onveilige positie.
Hoe kan het beter? Wat kun je beter doen als je een leerling absoluut moet corrigeren, vanwege gedrag of het achterwege blijven van een bepaalde actie?

Je volgt gewoon deze stappen. Als de eerste niet werkt ga je door met de volgende.
1. Je zoekt oogcontact met de leerling en laat non-verbaal zien dat je hem of haar in de gaten hebt.
2. Je zet de rest van de klas aan het werk en loopt naar de leerling toe. Je vertelt onder vier ogen wat je hebt gezien en wat je van de leerling verwacht. Je loopt weg.
3. Je neemt de leerling mee naar de gang en vraagt hoe het komt dat hij of zij nog steeds…. Je antwoordt begrijpend en geeft hem de keus tussen 2 of 3 opties.
4. Je zet de leerling apart, zo dicht mogelijk bij je, zodat je steeds non-verbaal kunt corrigeren als dat nodig is.
5. Je zet de leerling in een andere klas met zelfstandig werk.
6. Je stuurt de leerling naar de directeur of IB-er (of wat er ook is afgesproken).
7. Je belt de ouders en nodigt ze uit voor een gesprek met de leerling erbij. De vraag is: hoe kunnen we samen tot een oplossing komen?

Belangrijk: iedere keer als een leerling doet wat je zegt, dat bedank je hem, complimenteer je hem (of haar). Dat kan zowel verbaal als non-verbaal, dat hangt van de situatie af.
Tussen de regels door complimenteer je de leerlingen die wel doen wat jij zegt uitgebreid.

Succes!

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.