Categorie archief: verhaal

Het verhaal van Juf Erna

‘Mijn eerste jaar als leraar’

Eigenlijk heb ik 3 eerste jaren als leraar.

Ik ben in 1984 begonnen als professioneel werkend beeldend kunstenaar en gaf vrijwel gelijk les aan individuele leerlingen met het motto: iedereen kan tekenen. Dat klopt ook, maar iedereen tekent op zijn eigen niveau, of je nu professioneel werkt of als amateur.

Mijn leerlingen waren altijd verbaasd overhun eigen kunnen. Dan zei ik altijd: tekenen doe je met je ogen, door goed te kijken en het potlood in je hand volgt wat je ogen zien.

Ook eerst een compositieschets maken helpt de leerling op weg. Globaal de vormen schetsen en kijken of de compositie bevalt, want een tekening of schilderij valt of staat met de compositie. Dan kan ook nog een kleurencompositie gemaakt worden. Dat is anders dan een lijnencompositie, maar geeft hetzelfde resultaat: het helpt bij de opzet van de tekening of het schilderij.

De leerling op weg helpen, laten vertrouwen in zijn eigen kunnen en weten dat het haalbaar is voor iedereen. Dat is wat je als leraar moet doen én kunt weten, je hebt immers ervaring methet over te kunnen brengen op je leerlingen.

In 2005 werd ik gevraagd om klassikaal les te geven aan een hele school in het basisonderwijs. Dat vraagt meer vaardigheden dan enkel het begeleiden van de individuele leerling. Maar, naast het begeleiden, het veelal orde houden, van een hele klas, moet er altijd ruimte zijn voor de individuele leerling.

Ik ging werken met thema’s, eigenlijk gewoon omdat ik het leuk vond. Met structuur werken ís leuk en prettig voor jezelf en de leerling. Perjaar had ik een ander thema, met geschiedenis én kunstgeschiedenis erbij. Ik leer mijn leerlingen graag net wat meer dan de basis: het waarom, het hoe en ook hoe ze het beste uit zichzelf kunnen halen.

De lessen op die ene school werden aan het eind van het schooljaar afgesloten met een expositie en een officiële opening van de expositie, want dat hoort ook bij jonge kunstenaars!

De jaren daarna kwamen er 12 scholen bij, van alles wat: christelijke, openbare, Jenaplan, Rudolf Steiner, met zeer creatieve én eigenzinnige leerlingen en een school voor speciaal onderwijs.

Het allerbelangrijkst wat ik in die periode heb geleerd is dat orde houden op nummer één moet staan, anders kun je de rest wel vergeten. En daarna is het ook belangrijk je les samen met de leerlingen te geven, want al zijn de leerlingen nog jong, ook jij kunt van hen leren.

In het jaar 2009 begon de crisis en werden creatieve vakken en sport gegeven door vakdocenten uit het reguliere pakket geschrapt. Jammer, want deze zaken dragen er in grote mate toe bij dat de hersenen zich in alle opzichten volledig ontwikkelen. Het bewegen, creatief zijn én creatief denken geeft aan de mens de mogelijkheid zich ook op geestelijk gebied te verdiepen én te verbreden. Tevens geven deze activiteiten rust aan lichaam én geest.

Het is een feit dat rekenen en taal, dé basis van leren in deze moderne maatschappij, het allerbelangrijkst zijn als voorbereiding op voortgezet én wetenschappelijk onderwijs, maar juist het creatieve aspect geeft de mens de mogelijkheid om beter te kunnen leren, beter na te denken en beter beslissingen te kunnen nemen. Om uiteindelijk een zelfstandig, redelijk denkend mens te worden is een hoge mate van creatief denken noodzakelijk.

Op 1 februari 2018 heb ik gesolliciteerd op een vacature als creatief docent. Dit is mijn 3e eerste jaar als leraar, want nu geef ik iedere dag les én op verschillende scholen in Zuid Holland. Mijn ervaring voor de klas heeft nog steeds dezelfde prioriteit: orde. Als er geen orde is bereik je niets.

Je kunt de klas dan niet bereiken, want het is toch de bedoeling dat je iets vertelt over een thema, de werkwijze en het materiaal. Als leerlingen niet luisteren weten ze niets. Als enkele leerlingen de les verstoren kunnen de andere leerlingen niets horen. In moeilijke groepen heb ik soms, in dit eerste jaar, een ‘luister-les’ gehad. Met veel geduld heb ik uitgelegd waarom het belangrijk is dat je luistert naar een meester of juf. Mijn ervaring is dat dit probleem vooral op de basisschool voor kan komen. Eénmaal op het voortgezet onderwijs hebben leerlingen leren luisteren of zijn ze eerder tot rede vatbaar als je het belang van de les uitlegt.

Een korte inleiding is voor alle leerlingen te behappen en ze willen graag aan het werk. Ook krijgen alle leerlingen graag complimentjes, maar vinden een eerlijk compliment of eerlijke kritiek heel belangrijk. Als de leerling gegronde kritiek krijgt kan hij of zij dit accepteren en is veelal geneigd dit in een volgende les toe te passen. Waarna er dus een compliment volgt dat de leerling zo goed geluisterd heeft!

Ook vind ik het van belang dat de leerling netjes spreekt. In een les waarbij leerlingen zelf kleuren mochten kiezen kwamen er meerdere leerlingen vragen: ma’k rood of ma’k zwart? Gelijk reageerde ik dan op steeds dezelfde wijze en zei: ‘juf, mag ik alstublieft rood?’ De meeste leerlingen hadden gelijk door wat de bedoeling was en herhaalden mijn zin met een klein lachje, maar sommigen keken mij verbaasd aan, waarop ik de zin herhaalde en daarbij zei: ‘en nu jij!’.

Tijdens een sportles riep ik een leerling naar de kant, grotendeels non-verbaal. Hij, een lange knul, keek heel verbaasd, wilde eigenlijk niet naar de kant komen en ik wist gelijk waarom, want hij was zich van geen kwaad bewust. Maar ik knikte en gebaarde hem te komen. Eenmaal buiten de lijn wilde hij reageren, maar ik zei tegen hem dat hij niets fout had gedaan en wees gelijk naar zijn schoenen met de mededeling: ‘veters strikken’. In de tijd daarna zag ik de ene leerling na de andere op het veld de veters strikken, ze wilden toch liever niet naar de kant geroepen worden.

In de klas zitten leerlingen vaak op de meest onmogelijke houdingen op hun stoel. Dat mag bij mij niet. Altijd wijs ik de leerlingen erop en geef uitleg. Als leerlingen recht op hun stoel zitten kunnen ze beter luisteren én beter leren. Bovendien zijn alle andere houdingen gevaarlijk, soms hebben ze hun benen allebei tussen de zitting en de leuning van de stoel. Als ze dan uit evenwicht zouden geraken hebben ze geen controle over hun beweging en kunnen zich niet opvangen. Bovendien is er met de vaak grote groepen geen, of weinig ruimte in de klas en zou de leerling zo met het hoofd op een andere tafel kunnen vallen. Ook dat wordt door leerlingen begrepen en opgepakt. Elke leerling, hoe jong ook, staat open voor een logische verklaring en is bereid daar naar te luisteren, ook al moet dit soms herhaald worden vanwege gewoontegedrag.

Soms, als de gelegenheid er is, maak ik foto’s en in verband met de wijziging van de Privacywet op 25 mei 2018, op passende wijze van enkel de werkende handen met het werk. Alle leerlingen snappen waarom ik dat doe, ze zijn heel goed op de hoogte over het gebruik van social media en vinden het prettig dat ik daar rekening mee hou. Het feit dat er een foto gemaakt wordt ervaren ze als een compliment en werken er graag aan mee.

Op bepaalde dagen mogen ouders komen kijken. Op een zo’n dag had ik stoeltjes, kleine, neergezet waarop ze konden zitten. Voor een oma die meekwam heb ik wel een grotere stoel gepakt. Wat schetste mijn verbazing: na de introductie werd tijdens de les volop gefotografeerd en gefilmd.

Omdat ik van oorsprong een beeldend kunstenaar ben met doelen: een opdracht of expositie, werk ik met de leerlingen ook graag naar een doel toe. Een werk helemaal áf maken, samen een werk maken of een voorstelling samen voorbereiden, leerlingen zijn er allemaal enthousiast over en werken heel graag mee.

Bij bepaalde vakken laat ik de leerlingen een verslag schrijven, soms is dat ook onderdeel van de opdracht. Een verslag schrijven, soms per groepje, nodigt de leerlingen uit beter na te denken over waar ze mee bezig zijn: het handelen omzetten in woorden. Ik gebruik altijd dezelfde opzet én met reden: de naam moet genoteerd worden, want het is hun verslag! De datum moet erbij, vanwege het besef dat op dit moment het werk uitgevoerd wordt en eventueel om het later nog eens na te lezen. De gebruikte materialen erbij noteren, zodat de leerlingen het later nog eens kunnen nakijken, maar ook omdat zij op deze wijze met gebruikmaking van al hun zintuigen nog beter beseffen waar ze mee bezig zijn. Het is heel leuk om zo’n opdracht aan groepjes te geven, want er ontstaan tijdens de les ook gesprekken en discussies over de opdracht en werkwijze. Mijn ervaring is dat leerlingen heel goed onderling de taken kunnen verdelen. Wie wil iets doen of juist niet én wie het best bepaalde zaken kan uitvoeren. Want, ik geef ook vaak cijfers en alle, écht alle leerlingen vinden dat belangrijk en willen heel graag dat hun werk beoordeeld wordt. Natuurlijk willen ze graag een hoog cijfer, maar dat krijgen ze niet zomaar en mijn uitleg wordt door iedereen geaccepteerd. Mijn beoordeling is op basis van inzet van de leerling, hun creativiteit in werken of denken én hun gedrag. Zelfs in de onderbouw op de basisschool wordt dit geaccepteerd en gewaardeerd, natuurlijk met uitleg op hun niveau.

Mijn eerste jaar als creatief docent voor de klas op het basis- en voortgezet onderwijs is nog niet voltooid, maar ik kijk uit naar de volgende maanden, met mijn leerlingen, om een mooi eerste jaar af te ronden!

Erna Daalman

Capelle aan den IJssel, 13 mei 2018

 

 

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar: hier lees je het verhaal van de eerste winnaar van de schrijfwedstrijd. Het verhaal van JM.

Wat vooraf ging

Ik loop bloednerveus heen en weer tussen de auto en de school. Natuurlijk ben ik veel te vroeg. Want te laat zijn voor een proefles, dat is geen optie. Eindelijk kan ik de school ingaan zonder dat ze mij vragen om nog even te wachten op een stoeltje in de gang. Hoe de proefles verloopt? Ik kan het werkelijk niet zeggen. Alsof een ander de les gegeven heeft en ik in het publiek zat. Met bomen van kerels voor mij, waardoor ik de helft niet kon zien. Na de proefles sta ik een sigaret te roken met de directeur. ‘Maak je geen zorgen’, zegt hij. ‘Jij krijgt die baan wel.’

Mijn eerste dag als leraar

Ik kom uit een boerengebied en woon nog maar net in de grote stad. Ik fiets naar de wijk waar de school staat. Eigenlijk weet ik niks van deze buurt. Eind van de dag heb ik de betekenis van het woord ‘achterstandswijk’ geleerd.

Eén van de eerste mensen die ik ontmoet, heeft lang, dun haar. Dat haar zit gedraaid in een soort knot met een stokje erdoor. Het is een warme dag. Met een soort microvezeldoekje wrijft ze het zweet uit haar gezicht. Ik weet nog dat ik dacht: Wat een superschool, dat ze deze ruimte ook gebruiken als een soort sociale werkplek! Direct daarna stelt ze zich voor als mijn nieuwe collega en IB-er van de school. Eén van de laatste mensen die ik ontmoet is nu, naast mijn man en kinderen, een liefde van mijn leven. Die eerste ontmoeting, ze komt binnen met een gitaar in haar handen, haar blik open en oprecht, markeert het begin van een diepe vriendschap.

En dan mijn klas. Op en top ingericht. Alles tot in de puntjes voorbereid. Daar hebben wat uren zomervakantie ingezeten. Mijn domein. Ik sta bij de deur. Eén voor één druppelen de kinderen binnen. Namen onthouden is nooit mijn sterkste kant geweest. In dit geval blijkt namen correct uitspreken ook niet een kwaliteit te zijn die ik bezit. Arme Edah (spreek uit als Edda). Haar naam heb ik nog lang uitgesproken als de supermarktketen, die op elke straathoek in mijn oude omgeving te vinden was.

We beginnen met een kringgesprek. ‘Vertel over je vakantieavonturen’, zeg ik enthousiast. En avonturen krijg ik te horen! Een vader die al de hele vakantie vastzit. Hij was betrokken bij een gewelddadige beëindiging van iemands leven. ‘Het was zelfs op het nieuws!’ Een vader die ook is opgepakt. Gelukkig zat hij niet lang vast. De televisie die hij bovenop zijn schoonmoeder wilde gooien was per slot van rekening misgegooid. Toch wordt er ook wat geraakt vandaag. Tijdens het kringgesprek vliegt een baksteen door de ruit. Ik schrik buitensporig dramatisch. ‘Rustig blijven voor de kinderen’, zeg ik nog tegen mijzelf. ‘Jij hebt een voorbeeldfunctie.’  Maar de kinderen zijn rustig. Ze maken zich klaar voor de pauze.

Mijn eerste dag als leraar rook ik een sigaretje achter het fietsenhok. Natuurlijk wel nadat ik collega gevraagd heb om de pleinwacht over te nemen. Verantwoordelijk ben ik echt wel.

Als ik weer binnenkom,  zit de klas braaf te luisteren naar diegene die voor de klas staat. Maar wacht even…ik moet voor de klas staan! En ik sta er niet. Wie er wel staat, is de moeder van Annie. ‘Als één van jullie het in zijn rotkop haalt om mijn Annie te plagen, dan weet je nu met wie je dan te maken krijgt!’ klinkt het door de deur. Met die ouderbetrokkenheid zit het wel goed, denk ik bij mezelf.

We sluiten de dag af met een gymles. Dat betekent een loopje naar het gymlokaal vijf minuten verderop. Dan klinkt er een sirene. Een politieauto rijdt de stoep op en twee agenten lopen naar een huis. Ze kloppen op de deur en stormen naar binnen. Terwijl ik met verbazing en een behoorlijke dosis angst toekijk, lopen de kinderen zonder blikken of blozen door. ‘Drugsinval’, mompelt er één.

En nu 17 jaar later

Ik vind in een doos een klassenfoto van deze groep. Ik sta er als jong meisje tussen. Ik ben bijna niet te onderscheiden van de rest. Ik kijk terug op een geweldig eerste jaar. Wat heb ik veel geleerd! En wat heb ik veel geïnvesteerd! Avonden doorwerken, vakanties op school, werken aan en in je klas met Wimbledon op de achtergrond. En wat heb ik er veel voor gekregen. Liefdevolle kinderen die allemaal willen leren. Ouders, met soms andere belangen en interesses, maar met hart voor hun kind. Collega’s met wie ik veel heb kunnen sparren, proberen en ontdekken. En waar ik vooral mee heb kunnen lachen.

Die sigaret is inmiddels al lang verdwenen. Maar de warme herinnering gloeit nog steeds na!

Het was ook in deze klas, dat ik een taalles gaf die ging over beroepen. Halverwege steekt één leerling haar vinger op en vraagt: ‘Juf, wat voor werk doe jij eigenlijk?’

JM

Broodje Aap of waarheid?

Broodje Aap of waarheid?

Er gaan een hoop verhalen rond in het onderwijs, waarvan ik zo nu en dan stijl achterover sla. En ja, ik heb alles uit de tweede hand… dus aan jou de vraag: zijn deze verhalen waarheid of een Broodje Aap?

1. Op een middelbare school mogen de leerlingen altijd een flesje water op hun bureau hebben. In de bovenbouw van de gymnasiumafdeling hebben de leerlingen alleen geen water in hun fles, maar wodka. De leraren weten dit niet.

2. Jongetje X werd op 5 december 4 jaar oud. Op 6 december ging hij voor het eerst “echt”naar school. In februari vinden de eerste oudergesprekken plaats. De juffen vertellen aan de ouders van jongetje X dat ze twijfelen aan zijn presentatievaardigheden. Zijn eerste boekbespreking was niet zo goed verlopen, dus ze willen de ouders nu vast mededelen dat de kans groot is dat jongetje X gaat blijven zitten in groep 1.

3. Twee moeders vechten in de gang voor het lokaal van groep 6. Ze trekken elkaar de haren uit, krabben waar ze de ander kunnen raken en schelden elkaar verrot. Catfight! Het blijkt dat de echtgenoot van de ene moeder een verhouding heeft met de andere moeder. In plaats van dat de omstanders (andere moeders en leerlingen) het duo uit elkaar halen, moedigen ze de moeder aan wiens man is vreemdgegaan.

4. En jonge docent wordt mentor van een moeilijke VMBO-klas. De leerlingen vechten, schreeuwen en doen precies waar ze zin in hebben. Alle pogingen van de docent om van de groep een groep te maken, lopen op niets uit. Ze gaat naar haar leidinggevende en vraagt op hulp. De sectieleider zegt doodleuk: “Het is jouw klas, dus het is jouw probleem. Los het maar op.”

5. Tijdens de handvaardigheidles steekt een leerling van groep 7 de prullenbak in brand met een zelf-meegenomen aansteker. De leerkracht blust de brand snel door haar flesje water er in leeg te gooien. Ze stuurt de leerling naar de directeur. Ze verwacht dat er sancties genomen zullen worden. Maar de volgende dag zit de betreffende leerling gewoon weer in haar klas met de mededeling van de directeur: “Hij heeft beloofd dat hij het nooit meer zal doen.” En tot overmaat van ramp dienen de ouders een klacht over haar in bij het bestuur wegens “het in gevaar brengen van de leerlingen”.

6. Op een hele grote basisschool wordt 2 tot 3 keer per jaar een hele week geen gymles gegeven. In die weken staan de tafels en stoelen in examenopstelling in het gymlokaal. Dan worden de Cito-toetsen afgenomen; klas voor klas. En ja: ook de kleuters worden getoetst in het gymlokaal.

7. Een klassenassistente staat na het uitvallen van de groepsleerkracht fulltime voor groep 4. Ze doet enorm haar best. Qua orde heeft ze de groep aardig onder controle, maar de opbrengsten van de Cito-toetsen vallen nogal tegen. Tijdens haar beoordelingsgesprek wordt ze beoordeeld als groepsleerkracht.

AU? Of Broodje Aap?
Ik ben benieuwd wat jij denkt…. Wil je je reactie in het commentaarveld plaatsen? Ik hoop op veel reacties.

Een kerstverhaal over een kerstboom

Deze week een blog uit de oude doos.

Het is een verhaal uit het e-boek van Laura en mij.

Het boek dat te koop is op www.sterkeaap.nl:

DEFPOvoorpagina

Kerstboom voor moslima’s

Fatima was verliefd op de kerstboom in de klas. En helemaal op de kerstboom in de aula, want die was nog twee keer zo groot als die in de klassen en er hingen veel meer lampjes in. Iedere dag was ze als eerste op school, in de hoop dat zij de lampjes aan mocht doen.

Haar moeder was hulpmoeder en zij was er elke dag. Een paar dagen voor de kerstvakantie verzuchtte ze: “Fatima wil zo graag een kerstboom in huis. Maar dat kan natuurlijk niet. Wij zijn moslims. Wij hebben geen kerstboom. Jammer hoor, het lijkt mij ook best gezellig.”

Ik stelde voor een heel kleintje te kopen. Met piepkleine lichtjes. Overal te koop. Maar moeder schudde haar hoofd. “Kan niet … ” De laatste dagen knutselden wij ijverig kerstballen in de klas. Grote, kleine … de klas hing helemaal vol omdat er niks meer in de boom paste.

De leerlingen konden er geen genoeg van krijgen. Fatima vroeg: “Mag ik mijn ballen allemaal mee naar huis nemen? Voor in onze eigen kerstboom?” Ik zei dat dit natuurlijk mocht, vrijdag.

Na schooltijd vroeg ik aan moeder hoe het zat. “Ach,” zei moeder, “soms ben ik heel creatief, weet je …”

En ze liet een foto op haar telefoon zien. Huiskamer. Met een enorme bos takken in een vaas op een tafeltje. En daar had ze lampjes in gehangen.

En Fatima was thuis gewoon doorgegaan met knutselen; de takken hingen vol met kerstballen. Ik lachte. “Vrolijk kerstfeest!”

Tips:
1. Moslims hebben vaak meer begrip voor het kerstfeest als je vertelt over de overeenkomsten tussen het kerstfeest en het offerfeest.
2. Hoe meer feesten, hoe leuker!

Cadeautje!

Cadeautje!

Er is niets leuker dan Sinterklaas vieren met leerlingen in het praktijkonderwijs. Ze weten heel goed dat Sinterklaas niet bestaat en ze willen liever geen surprises maken. Gedichten maken ze liever helemaal niet, maar dat geeft niet. Maar die cadeautjes, ja, die willen ze wel. En zo groot als ze dan zijn, ze willen dan toch ook Sinterklaas op school vieren.

Wij deden dat door middel van het dobbelstenenspel. Iedere leerling moest twee cadeautjes kopen voor €2,50. Die cadeautjes werden dan eindeloos met het gooien van de dobbelsteen van eigenaar verplaatst en op het eind had iedereen twee chocoladeletters of een chocoladeletter en een zak snoep, en heel soms zat er ook wel iets heel origineels bij.

Jaren geleden had ik Memmeth in de klas. En Memmeth was een aardige jongen, een vriendelijke jongen, maar hij was ook wel een beetje gemakzuchtig. Het bleek namelijk tijdens het Sinterklaasfeest dat Memmeth geen cadeautjes had gekocht. Gelukkig zorgde ik altijd voor reservecadeaus, dus het was geen ramp. Maar ik was wel heel nieuwsgierig waarom Memmeth geen cadeautjes had gekocht.

Ik liet Memmeth na schooltijd even blijven en ik vroeg het hem. En Memmeth keek de andere kant op en zei: “ik had geen geld.” Ik: “dat had je met mij kunnen overleggen, of aan je ouders kunnen vragen. Maar dit vind ik niet zo leuk voor mij en je klasgenoten.” En toen werd hij rood. Dus vroeg ik Memmeth: “Memmeth? Heb je tegen me gejokt? Had je wel geld?” Memmeth keek naar de grond. “Ja juf, ik had wel geld. Ik had die vijf euro van mijn moeder gekregen.” Ik vroeg door. Hij had er twee chocoladeletters van gekocht. En die had hij opgegeten. Dat snapte ik dan ook wel weer. Dus ik zei: “Memmeth, dan wil ik heel graag dat je van je zakgeld nog een sinterklaascadeautje voor mij koopt. Dat beloofde hij. “Maar geen chocoladeletter, koop maar een mooie kaars of een stukje zeep. Maar in ieder geval niet iets wat je kunt opeten.” Dat vond hij oké.

Een week later vroeg ik aan Memmeth waar mijn cadeautje bleef. Hij was het vergeten. Maar ik zag dat hij weer loog. Dus ik zei: “Memmeth? Moet ik je moeder bellen?” Maar nee, ik mocht beslist niet zijn moeder bellen. Dus ik: “Memmeth, ik wil dat je nu de waarheid vertelt. Heb je weer geld aan je moeder gevraagd?” Ja, hij had weer geld aan zijn moeder gevraagd. “Wat heb je daar mee gedaan Memmeth?” Daar had hij snoep van gekocht. En zijn zakgeld  en het snoep waren nu op. Hij zou nu niks meer krijgen van zijn moeder. Ik zeg: “Ja jongen, dan moet je wachten tot volgende maand. Er zit niets anders op dan wachten tot je zakgeld hebt, want dat ga je niet weer van je moeder krijgen. En er moet echt iets komen, anders bel ik je moeder. Memmeth ging akkoord.

Aan het begin van de volgende maand zei ik: “lieve Memmeth, volgens mij krijg ik nog een cadeautje van je.” Oh ja, vergeten! Hij zou het de volgende dag meenemen. Want hij had gisteren zijn zakgeld gekregen. En omdat ik het zat was zei ik: “als je het niet hebt, dan bel ik je moeder”. Niet omdat ik zo nodig een stukje zeep wilde hebben, maar omdat ik het belangrijk vond dat hij zich leerde aan afspraken te houden.

En hoera! Memmeth kwam de volgende dag met een cadeautje. Hij had het zelfs ingepakt. Het was… een hoofddoek. Die had hij bij zijn moeder uit de kast gepakt. Want ze had er toch genoeg….

Ik heb hem hartelijk bedankt. En de hoofddoek heeft nog jaren dienst gedaan in de poppenhoek van de school waar ik daarna ging werken. Maar oh die Memmeth. Soms betrap ik me erop dat ik met een glimlach aan hem terugdenk…

Kristallen

Kristallen

Als juf op een school voor Praktijkonderwijs is er in de bovenbouw eigenlijk maar een doel: al je leerlingen op stage krijgen en houden, zodat ze een baan vinden en kunnen uitstromen. Als een leerling wordt weggestuurd van een stageplek… hm. Ik trok me dat altijd persoonlijk aan, alsof ik zelf werd weggestuurd.

Op onze school hadden we daar iets op bedacht. Een leerling mocht pas op stage als hij of zij een aantal vaardigheden beheerste, waaronder op tijd komen, doorwerken en beleefd zijn.

Deze vaardigheden werden geoefend tijdens de “Arbeidstraining” (AT). Dat was een bedrijf binnen de school, waar onder toezicht van de “werkmeester” een precies aantal schroefjes en moertjes in een zakje werd gedaan, of telefoonsets in plastic omhulsels werden ingepakt.

Als juf wilde ik liever geen “AT-klas”. In deze klas zaten de leerlingen met de grote monden, zonder motivatie en ze kwamen ook erg vaak te laat. En het was ook gewoon saai, want dan zat je als juf, tussen de leerlingen, ook de hele dag schroefjes en moertjes in zakjes te doen. Want “als leraar dien je het goede voorbeeld te geven”.

Terwijl de leerlingen in de stageklassen… die waren gemotiveerd, wilden graag aan de slag en ze waren trots op hun status van “stagiair”. De AT-leerlingen hadden vaak het idee dat die status voor hun onhaalbaar was, ook al praatte je op ze in dat het “echt wel eens zou lukken”.

En toen kreeg ik toch een AT-klas. En ik dacht na over hoe ik ze zo snel mogelijk op stage kon krijgen, want ik was die telefoonverpakkingen na een week al zat en de leerlingen ook. Ik bedacht een list.

Ik gaf een les over kristallen. Grote glazen stenen, geslepen in de vorm van een diamant. En ik vertelde dat deze kristallen onvermoede krachten bij je boven konden halen, en dat je daarmee kon bereiken wat je wilde.

Vervolgens vertelde ik dat ik ze voor 1 februari allemaal op stage wilde hebben. Iedere week een. En dat ik dus van hen verwachtte dat ze de komende weken de benodigde vaardigheden zouden leren. Ik vertelde ook dat ik erg streng zou zijn in de beoordeling, dus dat ze er hard voor zouden moeten werken; niet alleen bij AT maar ook in de klas.

En ik gaf ze allemaal een kristal… Ze moesten hun ogen dichtdoen en voor zich zien dat ze naar hun stageplaats gingen, in plaats van naar school. En ik vertelde ze ook dat ze het konden. Allemaal. Oefening baart kunst.

In februari hadden ze allemaal een stageplek. En er werd er dat jaar niemand weggestuurd . Ik was zo trots op ze. De enige die baalde was de werkmeester. Die had nu te weinig leerlingen en moest de schroefjes zelf in die zakjes stoppen. Gna!

Wim of de kunst van het spel

Die ene van Frans

Ik was eigenlijk van plan om te schrijven over een lerares Frans, die het niet zo heel goed deed. Ze kon geen orde houden, ze schreeuwde de hele dag en luisterde nooit naar haar leerlingen. En ondertussen deed ze net alsof alles heel erg goed ging. Ik noem haar mevrouw Jansen.

Mijn zoon heeft haar drie jaar op rij gehad. Voor Frans en als Mentor. Tropenjaren.  Drie jaar verhalen over een niet functionerende leraar. Mijn vingers jeukten.

En nu is mijn zoon van school met een diploma, nu mag ik eindelijk over haar schrijven.

Maar ik doe het toch anders. Haar verhaal is een verhaal over hoe het niet moet. Een negatief verhaal. We zijn blij dat we van haar af zijn, eerlijk gezegd.

Er is echter een verhaal dat ik wel kan vertellen. Omdat het hilarisch is. En ja: het is echt gebeurd. Er is geen woord van gelogen. Er zit ook een leuke opdracht in verstopt, want mevrouw Jansen gaf wel leuke opdrachten. Die geef ik jullie mee als idee.

Wim of de kunst van het groepsproces

Mevrouw Jansen’s mentorklas had 21 leerlingen, waarvan er een geen Frans (meer) had. Bij Frans zaten er dus 20. Dit verschil in aantal kon mevrouw Jansen niet onthouden. Dit was de oorzaak van een running gag die 3 jaar heeft geduurd.

Tijdens een van de eerste lessen in 4 VWO gaf mevrouw Jansen de volgende opdracht: “Jullie gaan in 7 groepjes van 3 een kort filmpje maken, waarin je een Frans gezegde uitbeeldt. Jullie mogen de groepen zelf samenstellen. Ieder groepje haalt bij mij een briefje, waar het gezegde opstaat.” En zo gebeurde het. Mijn zoon en zijn beste vriend kregen het briefje met “Avoir le vent en poupe”. En mevrouw Jansen zei: er moet nog iemand over zijn, want jullie zijn met 21. Ik denk dat er iemand ziek is.” Zoon en vriend keken elkaar aan en dachten er het hunne van. En ze besloten in de pauze dat “Wim” ook in hun groepje zat.

Tijdens de presentatie van hun filmpje kregen zoon en vriend een 8. Wim kreeg ook een 8, ook al was hij die dag niet op school. In de maanden daarna kreeg Wim een facebookpagina, waar hij regelmatig leuke dingen op plaatste. En hij reageerde ook altijd enthousiast op de berichten van anderen. Hij organiseerde feesten, waar de hele klas mocht komen. Want bij hem thuis mocht alles. Hij had zulke leuke ouders. En als er groepjes gemaakt moesten worden, was er altijd wel een groepje waar Wim in zat. Ze probeerden het ook wel bij andere leraren, maar daar ging het meestal mis. Omdat die bijvoorbeeld meteen keken of Wim wel op de lijst stond.

Wim ging mee naar 5 VWO. Ze hebben nog even overwogen om hem te laten zitten, maar het was zo’n leuke jongen, die moest gewoon over. Dat jaar had Wim zijn eigen telefoonnummer, kreeg hij tijdens de Rome-reis vaste verkering met Suzanne en besloot hij na het VWO Franse literatuurgeschiedenis te gaan studeren.

In 6 VWO was Wim ingeburgerd in de gehele bovenbouw. Iedereen kende hem. Als er iets kapot of kwijt was, kreeg Wim de schuld. Dat vond hij prima want meestal had hij het ook echt gedaan. Dat zette hij ook op facebook. Er waren leraren die vonden dat de klas nu maar eens open kaart moest spelen met mevrouw Jansen. Dat hebben ze, brave leerlingen, een keer geprobeerd. Maar ze luisterde niet. En de week erna deed Wim weer mee met een groepsopdracht.

Toen moest het eindexamenboek samengesteld gaan worden. Dat deden leerlingen en leraren samen. En Wim droeg ook zijn steentje bij. Hij zat in de commissie, interviewde leerlingen “wat ga jij volgend jaar doen?” en werd zelf ook geïnterviewd. Franse literatuurgeschiedenis was het en bleef het, want Frans was toch wel zijn favoriete vak.
Helaas is het interview met Wim gesneuveld en niet in het boek terecht gekomen, omdat de leraren in de commissie de eindredactie deden. Mevrouw Jansen zat niet in de commissie.

Wim slaagde met de hoogste cijfers van de klas. Jammer dat zijn ouders niet op de diploma-uitreiking konden komen. Mevrouw Jansen riep alle leerlingen in kleine groepjes bij zich voor een praatje en een cadeautje . Toen Wim aan de beurt was, was de vogel gevlogen. De ouders en leerlingen lachten. Mevrouw Jansen herstelde zich snel en vroeg: “Wie van jullie ging ook alweer Franse literatuurgeschiedenis studeren?” Mijn zoon stak zijn hand op. “Ik!” “O ja, dat is waar ook” knikte mevrouw Jansen enthousiast.

Mijn zoon gaat naar het conservatorium. Nog geen 10 minuten daarvoor heeft hij dat haar verteld.

Hoe je leerlingen “out of the box” krijgt!

Mirjam was 18 jaar en een schatje.

Een poppetje. Lange blonde krullen, grote blauwe ogen en nog geen 1,60 m. lang. Ze lachte altijd lief, maar zodra ze haar mond open deed viel ze door de mand. Duidelijk een leerling op het praktijkonderwijs.

Mirjam kon prachtig tekenen en haar grootste droom was om later Kunstenaar te worden. Ze wilde heel graag naar de Kunstacademie. Ze wilde niet alleen, ze was gewoon vastbesloten om dat voor elkaar te krijgen, linksom of rechtsom. Ze was ook erg eigenwijs, eigenlijk.

Mirjam weigerde iedere stage waar ze niet kon tekenen. Horeca? Niets voor haar. Een bejaardentehuis? Echt niet. Ze wilde wel naar de sociale werkvoorziening, omdat ze daar een atelier hebben maar helaas… daar kwam ze niet voor in aanmerking. Te hoog IQ.

Mirjam schreef een keurige brief, zonder spelfouten, naar de plaatselijke galerie of ze voor hun etalage mocht tekenen. Ze kreeg een keurige afwijzing waarin men haar veel succes wenste met haar carrière als Kunstenaar. Dus toen wist ze het helemaal zeker. Kunstenaar moest en zou ze worden.

Ondertussen hadden al haar klasgenoten een stageplaats, zat Mirjam op de stagedagen op school te tekenen bij een collega in de klas en zat ik met mijn handen in het haar. Mijn collega’s vonden dat ik haar maar eens “flink de waarheid” moest zeggen en ergens achter een lopende band moest zetten. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen.

Dus heb ik de ouders uitgenodigd voor een gesprek. Maar die wisten het ook niet. Zij vonden horeca wel een goede plek en dan volgend jaar misschien uitstromen naar het ROC. Realistisch genoeg, maar niet wat Mirjam wilde. Ze keek ons eigenwijs aan: “ik word Kunstenaar en daar zoeken jullie maar een stageplaats bij!”

“Tom Poes verzin een list.”

Ik ben alle buurthuizen gaan bellen uit het telefoonboek, net zolang tot ik iemand sprak die mee wilde werken. Dat duurde nogal, maar de aanhouder wint. En de dinsdag erop kon ik Mirjam gaan voorstellen.

Dit betreffende buurthuis zocht “heel toevallig” iemand die kon assisteren bij de tekencursus die de donderdag erop zou gaan beginnen. Dat die cursus maar 2 keer 30 minuten duurde, dat gaf niets. Het gaf ook niet dat er maar 2 deelnemers waren; de secretaresse en iemand die toevallig langs kwam. En dat de “docent” nog geen rechte streep op papier kon trekken, dat viel niet op. Mirjam stond te trappelen en vond het geweldig. Ze keek huizenhoog op naar “haar” docent en riep op school: “Juf! Je hoeft helemaal geen Kunstacademie te doen om Kunstenaar te worden. Dat heeft zij ook niet gedaan!”

En na afloop van de cursus werd ze gevraagd om te blijven helpen met de andere activiteiten. Bingo, breiclub, bejaardensoos. En daarna mocht ze assisteren bij een kookclub voor 65+. En gelukkig: “Juf, ik vind het daar wel leuk. Ik houd eigenlijk ook best wel van koken”.

Missie volbracht.

In augustus vertrok Mirjam naar het ROC.
Afdeling horeca. Niveau 1.

Veel succes meisje, het ga je goed 🙂
Out of the box?

Luisteren. Meebewegen. Dwarsliggen. Volhouden! 

 

Fijne vakantie allemaal!

Groeten van Judith

Trots

 

Trots

Ik heb wel eens last van een ouder gehad. Dan ging ik op zoek naar een gezamenlijke interesse (meestal was de leerling) en dan kwamen we er wel uit. Maar soms lukte dat niet. Dan bleef ik hangen in gemopper en ja… de leerling was daar wel de dupe van denk ik.

Zo had ik in het praktijkonderwijs ieder jaar wel een leerling die daar niet leek te horen. Het is daar natuurlijk heel normaal dat zowel ouders als leerling vinden dat hun kind eigenlijk op het VMBO zou moeten zitten, maar in de praktijk komt het er meestal op neer dat zowel het intelligentieonderzoek als de schoolse vaardigheden aantonen dat PrO een uitstekende keuze is. Ik denk dat dat vandaag de dag nog steeds zo is.

En toch zat er ieder jaar wel eentje tussen. Dat je denkt… het kan toch niet dat deze leerling een IQ heeft van 70? Hij of zij stelt goede vragen. Hij of zij is realistisch over de eigen mogelijkheden. Hij of zij ziet scherp welke mogelijkheden zijn of haar klasgenoten hebben. Waar komt dat cijfer vandaan? Wie bepaalt dat IQ IQ is?

Meestal hielp ik zo’n leerling met extra werk, hij of zij stroomde uit naar het MBO en jawel… dan kwam hij of zij heel erg trots langs met een diploma op niveau 2 of 3. En dan was ik ook trots natuurlijk! Net zo trots als op de leerling die uitstroomde naar werk dat paste, trouwens.

Maar soms was het voor mij ingewikkeld om in een leerling te geloven. Zoals bij Pieter-Jan. Pieter-Jan was een lieverd en de slimste van de klas, maar hij was ook verschrikkelijk eigenwijs en hij stond erop om altijd het laatste woord te hebben. Het leek wel of hij alleen kon praten in “discussie-taal”. Een normaal gesprek was niet mogelijk. Nu had ik daar misschien wel mee kunnen leren omgaan, als ik niet zoveel last van zijn ouders had gehad. Want die stonden bij het minste of geringste in mijn lokaal, om te klagen over iets wat ik had gezegd of gedaan. En als ik vervolgens niet onmiddellijk alle aandacht voor ze had, dan liepen ze op hoge poten door naar de directeur.

Ik had erg veel moeite om goed met deze ouders te communiceren. Ik had sterk het gevoel dat er iets speelde in het gezin. Dat er iets meer aan de hand was. Want zoveel weerstand bij zowel ouders als kind… dat riep weer zoveel weerstand bij mij op dat mijn nekharen overeind gingen staan. Letterlijk. Dus ik stelde vragen. Maar ik kreeg geen antwoorden. “Het gaat je niets aan!” was het enige antwoord dat ik ooit kreeg. In het dossier stond bij de meeste kopjes “onbekend”. En ik bleef vissen. En zeuren. En ik was, ben ik bang, geen leuke juf voor Pieter-Jan en zijn ouders. En ik moet toegeven (en ja: nu schaam ik me daarvoor) dat ik blij was toen hij naar de volgende klas vertrok. En ik moet toegeven dat ik milder had moeten zijn.

Of is het juist goed geweest dat ik zo hard was? Pieter-Jan heeft mij achteraf namelijk driedubbel en dwars bewezen dat hij niet op het PrO thuishoorde. Hij heeft een diploma gehaald op VMBOniveau 4. En een eigen bedrijf opgericht. Hij heeft gewoon zijn gelijk gehaald. En ik? Ik ben trots op hem. Supertrots.

Maja de Bij

Sommige leerlingen zijn gewoon erg grappig om te zien. Zoals Mayra. Haar moeder had een grote passie: breien. En zo zij breide dus een gehele garderobe voor Mayra bij elkaar. Mayra was 4 jaar en vond alle creaties van haar moeder prachtig, hoewel ze mij een keer influisterde “dat het toch wel een beetje kriebelt, juf”. Dus ik nam moeder apart en gaf haar de tip om er een flexibel stofje onder te naaien. Een briljant idee… van mijn moeder. En haar moeder volgde mijn moeders wijze raad op. Maar goed. Mayra had prachtige creaties in haar kast hangen, waaronder een prinsessenjurk, een aardbeirok met groen hesje, een lieveheersbeestjespak en een spierwit pak met zwarte spikkels. Maar haar lievelingspak was geel met zwart gestreept. Van top tot teen. De directeur van onze school noemde haar, vanaf de eerste dat dag ze deze creatie droeg, Maya de Bij. Mayra gaf er niet om. Als het aan haar lag, trok ze het bijenpak iedere dag aan. Maar ach ja, een middagje zandbak, creatief schilderen en je uitleven met kleuterlijm en papiersnippers had toch vaak als resultaat dat het pak ‘s avonds in de was moest. Wat weer tot gevolg had dat het bijenpak zowel sleet als kromp. Tot groot verdriet van Mayra. Op een dag had moeder het pak weggegooid. Mayra kwam woedend op school. Haar moeder wilde geen nieuw bijeenpak maken.  Ieder insect was prima, maar moeder had geen zin in nog twee middagen geel-met-zwarte-streepjes breien. Of mijn moeder niet met haar moeder kon gaan praten. Ik dacht diep na. Hoe ging ik dit oplossen… Ik was beslist niet van plan om mijn moeder hiervoor in te schakelen, maar ik begreep ook het grote verdriet van Mayra. Een nieuw prentenboek bracht uitkomst: Rupsje Nooitgenoeg. Ik had mijn moeder een groene rups laten breien en die liet ik steeds het boek uitkruipen. Groot enthousiasme natuurlijk! En toen riep Thomas: “Mayra, ik ga jouw mama vragen of ze een groen rupsenpak voor mij gaat maken”. En zo was Maja de Bij vergeten en was iedereen in de ban van Rupsje Nooitgenoeg. De moeder van Mayra werd ’s middags besprongen door 25 kleuters… waarop zij besloot geen enkel pak meer te breien. Ook geen groen rupsenpak. Zelfs niet voor haar eigen dochter. En wat zei Mayra? “Juf, ik wil niet meer zulke pakken hoor. Ik wil ook een keer met mama naar de winkel.” En hiep, hiep hoera: alle overgebleven pakken mochten in de verkleedkist in mijn poppenhoek! Maar Mayra trok er nooit meer een aan.