Een leenverhaal

Dit verhaal op Linkedin wil ik jullie toch niet onthouden;

https://www.linkedin.com/pulse/nee-stagiaires-gaan-niet-op-de-foto-paul-baan/

Het verhaal van Juf J.

Mijn eerste jaar als leraar!

Zit je even op fb rond te dwalen om leuke ideetjes op te doen en te kijken wat de stand van po in actie is, kom je dit bericht tegen…   Schrijf je verhaal over je eerste jaar als leraar!

Dan begint het gelijk te kriebelen en voor je het weet heb je een leeg word document voor je en zit je te typen..   terwijl er eigenlijk ook nog een was ligt te wachten en er een mailtje ligt van ouders die graag willen dat hun zoon een jaartje ‘overslaat’,  “ want hij is echt hoogbegaafd hoor!”

Mijn gedachten gaan 25 jaar terug in de tijd, een tijd waarin we geen last hadden van deze ‘mailstress’   en  ouders gewoon netjes tot na het weekend wachtten met hun vragen, al kwam het waarschijnlijk niet in ze op destijds om te vragen of hun kind mocht versnellen.  Vragen stelden deze ouders keurig volgens afspraak of ze kwamen na schooltijd binnen met de vraag of ik tijd voor ze had.

Tegenwoordig wordt alles via mail meegedeeld: wie wanneer en waar naar de bso gaat, welke oppas het kind komt ophalen,  of we wel willen opletten dat we bij zon goed hun kind insmeren met zonnebrand en talloze andere mededelingen komen via de mail binnenstromen..  En wij?  Wij managen dit alles of we nooit anders gedaan hebben!

Deze maand is het precies 25 jaar geleden dat ik begon aan mijn avontuur als leerkracht basisonderwijs.  Ik had natuurlijk keurig mijn opleiding afgerond en mijn stages gelopen en toch had ik geen idee, achteraf,  waar ik aan begon.

Na de zomervakantie startte ik met een groep van 32 kleuters en doordat ik geluk had op een redelijk grote school in een nieuwbouwwijk terecht te komen, had ik veel collega’s die met raad en daad klaarstonden als ik na een dag ‘kleuteren’  gesloopt was.  Wat was er veel te regelen tussen de lessen door! Had je net een gymles achter de rug, begon je aan ‘de werkles’ en dan na het ‘fruitkwartiertje’ begon je aan de ‘arbeid naar keuze’.  Na schooltijd alles netjes opruimen, 30 dezelfde werkjes aan de lijnen in de klas hangen, alles klaar leggen voor de volgende dag en noem maar op..

Gelukkig wende het snel en kon veel van dit werk op routine gedaan worden en daardoor had je ook meer tijd om je te verdiepen in de kinderen en wat ze nodig hadden, tijd om te observeren en tijd om aandacht te geven aan wat op dat moment in jouw groep belangrijk was.

Een paar avonturen van dat eerste jaar zal ik echter nooit vergeten en herinner ik me als de dag van gisteren.  Zo was daar in dat eerste jaar een jongetje ‘dat niet goed kon leren’ (met diagnoses werd nog niet kwistig gestrooid als nu) en dat altijd een beetje verdwaasd om zich heen zat te kijken tot het onderwerp dieren aan de orde kwam, dan ging hij rechtop zitten, begonnen zijn ogen te stralen en kon hij tot in detail alle bijzonderheden van het desbetreffende dier vertellen.  We zaten die dag net in de kring om de dag te starten toen ik in mijn ooghoek iets zag wegschieten onder de kast met knutselspulletjes. Ik bedacht me geen moment en slaakte een luide kreet:  “Een muis!” Vervolgens sprong ik boven op mijn bureau en zag een kring vol verbouwereerde gezichten me aankijken. “Wat doet de juf nu? Staat ze echt op haar bureau? Wat gebeurt hier?”

Sommige meisjes die in de kring zaten begonnen te huilen, want dit was toch wel heel erg buiten hun comfortzone en bizar!

Ondertussen stond ik nog op mijn bureau en in sneltreinvaart dwarrelden alle opties door mijn hoofd. Zo kon ik niet blijven staan, ik moest wat doen, maar no way dat ik van dat bureau afkwam voor die muis gevangen was.  Ik vertelde de kinderen dat ik een muis had gezien, maar dat ik hem niet ging vangen! Ik vroeg 1 van de kinderen waarvan ik hoopte dat hij meer moed had dan ik om de knutselkast een stukje opzij te duwen. Braaf deed hij wat ik vroeg en ja hoor:  de muis schoot weg, dwars door de klas naar de poppenhoek.  Ten einde raad heb ik hem gevraagd of hij ‘de bovenmeester’ wilde ophalen en dat wilde hij wel.

De kinderen beval ik zo stil mogelijk te blijven zitten met hun benen onder zich op de stoel. (nu realiseer ik me natuurlijk dat dat er wel heel bijzonder uitgezien moet hebben, maar ja, je doet wat he? )

Hij kwam terug met de bovenmeester die heel verbaasd naar me keek,  ook wel enigszins verstoord vermoed ik, dat hij achter zijn bureau was weggehaald en ging ook keurig met zijn benen onder zich op zijn eigen plekje in de kring zitten.

Doodstil was het!

Op zijn vraag wat er aan de hand was, wist ik met moeite het woord ‘muis’  eruit te persen en te wijzen naar de poppenhoek.

Dapper ging de bovenmeester die kant op en schoof van alles aan de kant, waarop de muis een nieuw sprintje trok en weer onder de knutselkast kroop.

Op dat moment kwam de jongen die zo dol was op dieren overeind en gebaarde ons heel stil te zijn. Hij sloop naar de kast en met een vingervlugge beweging had hij de muis aan zijn staart te pakken. Ongelooflijk.  Met muis en al kwam hij mijn kant op totdat hij doorhad dat dat geen goed idee was en hij daarop met muis en al naar buiten liep en vervolgens weer zonder muis binnenkwam.

“Juf, ik heb hem bij de bomen gezet, en hij was echt heel lief!”

De bovenmeester stond nog steeds in de poppenhoek, de kinderen zaten nog steeds met opgetrokken benen op hun stoeltje en ik?  Ik stond nog steeds bovenop mijn bureau.

Crisis bedwongen!

Met het schaamrood op mijn kaken klom ik eraf en verontschuldigde mezelf bij de bovenmeester die gelukkig onderhand de humor van de hele situatie er wel van in zag.

We zijn alsnog begonnen met het starten van de dag in de kring, maar die hele week bleven de kinderen maar bezig met de muis en het feit dat ik boven op het bureau stond. De ouders kregenhet thuis in geuren en kleuren verteld  door ze en ik ben er nog vele malen op aangesproken!

Dat jaar trouwde ik ook en de kinderen waren allemaal op de bruiloft.  Een fantastische dag en drie keer raden waar het ‘stukje’ over ging..   juist..  iets met muizen en bureaus.  Schitterend.

Nu 25 jaar later werk ik nog steeds op dezelfde school en is de jongen die me gered heeft van mijn muis zelf vader geworden en brengt hij zijn zoontje bij me in de klas. Heel bijzonder!

Het mooie is, dat hij het zelf ook nooit vergeten is en dat hij voor altijd mijn held zal blijven!  Zijn zoontje geniet volop van het feit dat zijn papa ooit de muis voor de juf heeft gevangen en zo is de cirkel weer rond!

En ik?  Ik ben nog steeds als de dood voor muizen!

Het verhaal van Juf Erna

‘Mijn eerste jaar als leraar’

Eigenlijk heb ik 3 eerste jaren als leraar.

Ik ben in 1984 begonnen als professioneel werkend beeldend kunstenaar en gaf vrijwel gelijk les aan individuele leerlingen met het motto: iedereen kan tekenen. Dat klopt ook, maar iedereen tekent op zijn eigen niveau, of je nu professioneel werkt of als amateur.

Mijn leerlingen waren altijd verbaasd overhun eigen kunnen. Dan zei ik altijd: tekenen doe je met je ogen, door goed te kijken en het potlood in je hand volgt wat je ogen zien.

Ook eerst een compositieschets maken helpt de leerling op weg. Globaal de vormen schetsen en kijken of de compositie bevalt, want een tekening of schilderij valt of staat met de compositie. Dan kan ook nog een kleurencompositie gemaakt worden. Dat is anders dan een lijnencompositie, maar geeft hetzelfde resultaat: het helpt bij de opzet van de tekening of het schilderij.

De leerling op weg helpen, laten vertrouwen in zijn eigen kunnen en weten dat het haalbaar is voor iedereen. Dat is wat je als leraar moet doen én kunt weten, je hebt immers ervaring methet over te kunnen brengen op je leerlingen.

In 2005 werd ik gevraagd om klassikaal les te geven aan een hele school in het basisonderwijs. Dat vraagt meer vaardigheden dan enkel het begeleiden van de individuele leerling. Maar, naast het begeleiden, het veelal orde houden, van een hele klas, moet er altijd ruimte zijn voor de individuele leerling.

Ik ging werken met thema’s, eigenlijk gewoon omdat ik het leuk vond. Met structuur werken ís leuk en prettig voor jezelf en de leerling. Perjaar had ik een ander thema, met geschiedenis én kunstgeschiedenis erbij. Ik leer mijn leerlingen graag net wat meer dan de basis: het waarom, het hoe en ook hoe ze het beste uit zichzelf kunnen halen.

De lessen op die ene school werden aan het eind van het schooljaar afgesloten met een expositie en een officiële opening van de expositie, want dat hoort ook bij jonge kunstenaars!

De jaren daarna kwamen er 12 scholen bij, van alles wat: christelijke, openbare, Jenaplan, Rudolf Steiner, met zeer creatieve én eigenzinnige leerlingen en een school voor speciaal onderwijs.

Het allerbelangrijkst wat ik in die periode heb geleerd is dat orde houden op nummer één moet staan, anders kun je de rest wel vergeten. En daarna is het ook belangrijk je les samen met de leerlingen te geven, want al zijn de leerlingen nog jong, ook jij kunt van hen leren.

In het jaar 2009 begon de crisis en werden creatieve vakken en sport gegeven door vakdocenten uit het reguliere pakket geschrapt. Jammer, want deze zaken dragen er in grote mate toe bij dat de hersenen zich in alle opzichten volledig ontwikkelen. Het bewegen, creatief zijn én creatief denken geeft aan de mens de mogelijkheid zich ook op geestelijk gebied te verdiepen én te verbreden. Tevens geven deze activiteiten rust aan lichaam én geest.

Het is een feit dat rekenen en taal, dé basis van leren in deze moderne maatschappij, het allerbelangrijkst zijn als voorbereiding op voortgezet én wetenschappelijk onderwijs, maar juist het creatieve aspect geeft de mens de mogelijkheid om beter te kunnen leren, beter na te denken en beter beslissingen te kunnen nemen. Om uiteindelijk een zelfstandig, redelijk denkend mens te worden is een hoge mate van creatief denken noodzakelijk.

Op 1 februari 2018 heb ik gesolliciteerd op een vacature als creatief docent. Dit is mijn 3e eerste jaar als leraar, want nu geef ik iedere dag les én op verschillende scholen in Zuid Holland. Mijn ervaring voor de klas heeft nog steeds dezelfde prioriteit: orde. Als er geen orde is bereik je niets.

Je kunt de klas dan niet bereiken, want het is toch de bedoeling dat je iets vertelt over een thema, de werkwijze en het materiaal. Als leerlingen niet luisteren weten ze niets. Als enkele leerlingen de les verstoren kunnen de andere leerlingen niets horen. In moeilijke groepen heb ik soms, in dit eerste jaar, een ‘luister-les’ gehad. Met veel geduld heb ik uitgelegd waarom het belangrijk is dat je luistert naar een meester of juf. Mijn ervaring is dat dit probleem vooral op de basisschool voor kan komen. Eénmaal op het voortgezet onderwijs hebben leerlingen leren luisteren of zijn ze eerder tot rede vatbaar als je het belang van de les uitlegt.

Een korte inleiding is voor alle leerlingen te behappen en ze willen graag aan het werk. Ook krijgen alle leerlingen graag complimentjes, maar vinden een eerlijk compliment of eerlijke kritiek heel belangrijk. Als de leerling gegronde kritiek krijgt kan hij of zij dit accepteren en is veelal geneigd dit in een volgende les toe te passen. Waarna er dus een compliment volgt dat de leerling zo goed geluisterd heeft!

Ook vind ik het van belang dat de leerling netjes spreekt. In een les waarbij leerlingen zelf kleuren mochten kiezen kwamen er meerdere leerlingen vragen: ma’k rood of ma’k zwart? Gelijk reageerde ik dan op steeds dezelfde wijze en zei: ‘juf, mag ik alstublieft rood?’ De meeste leerlingen hadden gelijk door wat de bedoeling was en herhaalden mijn zin met een klein lachje, maar sommigen keken mij verbaasd aan, waarop ik de zin herhaalde en daarbij zei: ‘en nu jij!’.

Tijdens een sportles riep ik een leerling naar de kant, grotendeels non-verbaal. Hij, een lange knul, keek heel verbaasd, wilde eigenlijk niet naar de kant komen en ik wist gelijk waarom, want hij was zich van geen kwaad bewust. Maar ik knikte en gebaarde hem te komen. Eenmaal buiten de lijn wilde hij reageren, maar ik zei tegen hem dat hij niets fout had gedaan en wees gelijk naar zijn schoenen met de mededeling: ‘veters strikken’. In de tijd daarna zag ik de ene leerling na de andere op het veld de veters strikken, ze wilden toch liever niet naar de kant geroepen worden.

In de klas zitten leerlingen vaak op de meest onmogelijke houdingen op hun stoel. Dat mag bij mij niet. Altijd wijs ik de leerlingen erop en geef uitleg. Als leerlingen recht op hun stoel zitten kunnen ze beter luisteren én beter leren. Bovendien zijn alle andere houdingen gevaarlijk, soms hebben ze hun benen allebei tussen de zitting en de leuning van de stoel. Als ze dan uit evenwicht zouden geraken hebben ze geen controle over hun beweging en kunnen zich niet opvangen. Bovendien is er met de vaak grote groepen geen, of weinig ruimte in de klas en zou de leerling zo met het hoofd op een andere tafel kunnen vallen. Ook dat wordt door leerlingen begrepen en opgepakt. Elke leerling, hoe jong ook, staat open voor een logische verklaring en is bereid daar naar te luisteren, ook al moet dit soms herhaald worden vanwege gewoontegedrag.

Soms, als de gelegenheid er is, maak ik foto’s en in verband met de wijziging van de Privacywet op 25 mei 2018, op passende wijze van enkel de werkende handen met het werk. Alle leerlingen snappen waarom ik dat doe, ze zijn heel goed op de hoogte over het gebruik van social media en vinden het prettig dat ik daar rekening mee hou. Het feit dat er een foto gemaakt wordt ervaren ze als een compliment en werken er graag aan mee.

Op bepaalde dagen mogen ouders komen kijken. Op een zo’n dag had ik stoeltjes, kleine, neergezet waarop ze konden zitten. Voor een oma die meekwam heb ik wel een grotere stoel gepakt. Wat schetste mijn verbazing: na de introductie werd tijdens de les volop gefotografeerd en gefilmd.

Omdat ik van oorsprong een beeldend kunstenaar ben met doelen: een opdracht of expositie, werk ik met de leerlingen ook graag naar een doel toe. Een werk helemaal áf maken, samen een werk maken of een voorstelling samen voorbereiden, leerlingen zijn er allemaal enthousiast over en werken heel graag mee.

Bij bepaalde vakken laat ik de leerlingen een verslag schrijven, soms is dat ook onderdeel van de opdracht. Een verslag schrijven, soms per groepje, nodigt de leerlingen uit beter na te denken over waar ze mee bezig zijn: het handelen omzetten in woorden. Ik gebruik altijd dezelfde opzet én met reden: de naam moet genoteerd worden, want het is hun verslag! De datum moet erbij, vanwege het besef dat op dit moment het werk uitgevoerd wordt en eventueel om het later nog eens na te lezen. De gebruikte materialen erbij noteren, zodat de leerlingen het later nog eens kunnen nakijken, maar ook omdat zij op deze wijze met gebruikmaking van al hun zintuigen nog beter beseffen waar ze mee bezig zijn. Het is heel leuk om zo’n opdracht aan groepjes te geven, want er ontstaan tijdens de les ook gesprekken en discussies over de opdracht en werkwijze. Mijn ervaring is dat leerlingen heel goed onderling de taken kunnen verdelen. Wie wil iets doen of juist niet én wie het best bepaalde zaken kan uitvoeren. Want, ik geef ook vaak cijfers en alle, écht alle leerlingen vinden dat belangrijk en willen heel graag dat hun werk beoordeeld wordt. Natuurlijk willen ze graag een hoog cijfer, maar dat krijgen ze niet zomaar en mijn uitleg wordt door iedereen geaccepteerd. Mijn beoordeling is op basis van inzet van de leerling, hun creativiteit in werken of denken én hun gedrag. Zelfs in de onderbouw op de basisschool wordt dit geaccepteerd en gewaardeerd, natuurlijk met uitleg op hun niveau.

Mijn eerste jaar als creatief docent voor de klas op het basis- en voortgezet onderwijs is nog niet voltooid, maar ik kijk uit naar de volgende maanden, met mijn leerlingen, om een mooi eerste jaar af te ronden!

Erna Daalman

Capelle aan den IJssel, 13 mei 2018

 

 

Het verhaal van Juf A.

Mijn eerste jaar als leraar

Sinds september ben ik officieel startbekwaam leerkracht basisonderwijs. Na een tijdje invalklussen op mijn voormalige stageschool gedaan te hebben attendeerde een collega me net voor de herfstvakantie op een vacature op een cluster 4 school. Ze zei: ‘Is dat niet iets voor jou? Daar werkt een vriendin van me. Bel haar even op!’

Ik voelde me enigszins verplicht om te bellen. Het is namelijk wel erg fijn dat mensen aan je denken, maar werken op speciaal onderwijs was niet iets wat ik mezelf nu al zag doen. Ik wou eerst ervaring op doen in het regulier onderwijs. Uiteindelijk heb ik het telefoontje gepleegd en ben ik een middag mee gaan lopen. Ik had namelijk geen idee wat ik moest verwachten. Ik had wel stage op het SBO gelopen, maar SO is toch andere koek. Daarnaast was de vacature gedeeltelijk bij kleuters en laat dat nu niet echt mijn ding zijn. Het eerste wat me op viel was de inrichting van de klas. Er staan weinig meubels en er hangt bijna niets aan de muren. De werkplekken van de leerlingen zijn apart en tegen de muur gericht zodat de kinderen niet afgeleid worden. Op het moment dat ik ging kijken zaten er 10 kinderen in de klas. Inmiddels zijn dit er 14. De klassen zijn klein maar dit is ook echt nodig!

Na die middag was mijn gevoel erg goed bij deze school. Een gezellige duo en een pittige klas. Diezelfde avond heb ik mijn sollicitatie verzonden en na een tijdje mocht ik op gesprek komen. Na een heel eerlijk gesprek, waarin ik ook mijn twijfels aangegeven heb over kleuters, ben ik aangenomen.

In het begin vond ik het erg zwaar. Voor mijn werk reis ik dagelijks minimaal 1 uur en 15 minuten als er niet al te veel files zijn. Daarnaast heb ik een tijdje in drie klassen gewerkt waardoor ik steeds erg moest schakelen. Ook maak je regelmatig mee dat je uitgescholden wordt of dat een leerling door het lint gaat. Daarnaast zijn er contacten met de naastgelegen kliniek voor mensen met epilepsie. Soms zitten er tijdelijk kinderen in je klas die daar ter observatie zitten. Bij ons krijgen ze dan onderwijs en wij moeten deze leerlingen goed observeren. Erg interessant! Maar het kan dus ook gebeuren dat zo’n leerling een aanval krijgt. De eerste keer is dit erg heftig!Al deze dingen zorgde ervoor dat ik echt groene sneeuw gezien heb. Ik heb 3 keer huilend in de teamkamer gezeten, terwijl ik best een pittig persoon ben. Je doet namelijk zo je best en toch blijft het dan voorkomen dat een leerling door het lint gaat. Je gaat onwijs aan jezelf twijfelen. Ik heb zelfs een tijdje gedacht: ‘Ik ga in een winkel werken!’.Op dat moment was alles bij elkaar echt even te veel.

Toen de cito tijd voorbij was is de rust echter terug gekeerd. In die tijd hebben de kinderen een plaats in mijn hart veroverd. Ze zijn zo enorm creatief! De wisselmomenten waren nog erg lastig. Toen ben ik gaan proberen meer rust te creëren door met de kinderen die al klaar waren met opruimen ik zie ik zie wat jij niet ziet te spelen. Op een dag was een leerling aan de beurt. Het was rood, maar het was niet in de klas en niet buiten de klas. Toen vroeg ik meteen: ‘Is het thuis dan?’. Ik dacht namelijk dat we dit nooit gingen raden. Uiteindelijk zei een andere leerling: ‘Juf ik weet het! Zijn hart!’. Bleek het zijn bloed te zijn. De gedachtegang van deze kleuters kan zo bijzonder zijn!

Na carnaval kreeg ik plots een telefoontje van mijn duo. Ze zei: ‘Ik moet je iets vertellen.’ Bleek dat ze een andere baan had aangenomen. Onwijs leuk natuurlijk, maar voor mij erg spannend hoe dit opgelost zou gaan worden. Nu draai ik de klas fulltime. Dit vond ik toch wel spannend. Ik kon namelijk alles aan mijn duo vragen. Ik heb onwijs veel van haar geleerd ook. Ze is namelijk iemand die de KLOS gedaan heeft en ze bezit dus ontzettend veel kennis.

Zonder mijn collega’s was ik niet zo ver gekomen. Als je ooit een slechte dag hebt kun je bij hen altijd je verhaal kwijt, maar ze blijven ook wel kritisch en geven tips. Daarnaast heb je in de klas ook ondersteuning. Ik het twee geweldige ondersteuners die mij helpen, maar die niet de klas over willen nemen als het even niet zo makkelijk gaat. Hierdoor krijg ik de ruimte om toch te groeien. Ze denken echt mee over de thema’s waardoor het echt ons thema wordt. We kunnen samen ook erg lachen om dingen die soms door leerlingen gezegd worden (ook als deze dingen niet lief bedoeld zijn). We zitten helemaal op één lijn. Dat maakt het werk gemakkelijker.

Daarnaast heb ik in het begin de mogelijkheid gekregen om in veel verschillende klassen mee te draaien. Hierdoor heb ik veel verschillende aanpakken gezien en dit heeft er ook voor gezorgd dat ik nog kritischer naar mijn eigen lesgeven ben gaan kijken. Ook heeft mijn voormalige duo regelmatig mee gekeken en heb ik veel met haar kunnen sparren. Ook zijn er andere leerkrachten komen kijken en hebben deze tips gegeven. De begeleiding vanuit school was erg goed!

Op dit moment zijn de Cito’s net achter de rug en zit ik weer in een onwijs drukke administratieve periode. Groepsplannen schrijven, kerndocumenten aanpassen, opp’s aanpassen. Het is best een werk! Maar even door bikkelen en dan keert de rust terug. Vaak ben ik ’s avonds nog aan het werk, maar er zijn ook avonden dat ik er bewust niet aan werk en even mijn rust pak.

Het grootste verschil met het regulier onderwijs vind ik toch wel het contact met ouders. De meeste kinderen uit mijn klas gaan met de taxi naar huis waardoor ik een groot deel van de ouders alleen bij gesprekken zie. De communicatie gaat vooral via mail en telefoon. Dat vind ik soms nog wel lastig. Vaak zijn mensen via mail veel directer en kunnen sommige berichten best hard aan komen. Buiten dat zijn veel ouders ook erg blij als het goed gaat met hun kind. Ze hebben vaak een lange weg achter de rug en al erg vaak gehoord dat het niet goed gaat. Het is voor hen dan erg prettig als hun kind op de goede plek zit. Daar zijn ze vaak erg dankbaar voor. Dat maakt het werk ook erg dankbaar. Je bent niet in eerste instantie met leerresultaten bezig maar vooral sociaal en emotioneel. Natuurlijk werk je ook aan de didactische ontwikkeling. Maar vooral de sociale en emotionele ontwikkeling is belangrijk. Ik zie de kinderen daar ook echt in groeien en dat is onwijs fijn! Sommige kinderen komen binnen en durven bijna niet tegen andere kinderen te praten. Door kinderen dan in bepaalde posities te plaatsen waarbij ze moeten communiceren, en als je ze hier vervolgens bij helpt, zie je dat ze toch gaan praten. Zo komen er ook kinderen binnen die nog geen drie minuten in de kring kunnen zitten. Het is een overwinning als na een paar maanden zo’n leerling al wel een kwartier in de kring kan zitten en dan ook echt deelneemt.

Ik geniet echt van werken in het speciaal onderwijs!Ik heb mezelf echt goed leren kennen. Ook ben ik nu al onwijs hard gegroeid als leerkracht. Ik mag gelukkig ook volgend jaar gewoon blijven. Dat zal het eerste jaar zijn dat ik ook daadwerkelijk een groep ga opstarten. Ik heb er onwijs veel zin in! Ik hoop zelfs dat ik volgend jaar de kleutergroep mag doen. Ik ben er namelijk achter gekomen dat ik toch wel geniet van het ontwerpen van thema’s. Ik kan hier mijn creativiteit in kwijt. Er zijn ook best een aantal dingen die ik anders wil gaan doen. Volgend jaar is een mooi moment om hiermee te starten! Het is namelijk bij deze kinderen wel lastig om halverwege het jaar veranderingen door te voeren. Voorlopig zit ik hier op mijn plaats. Al sluit ik niet uit dat ik ooit nog terug zou willen naar het regulier onderwijs.

Lesgeven in moeilijke klassen

Lesgeven in moeilijke klassen

Voorbereiding:

  1. Bedenk een schriftelijke opdracht (begintaak) die de leerlingen moeten maken zodra ze binnenkomen (zie TLAC voor de omschrijving hiervan).
  2. Zet alle tafels in rijen recht naar voren.
  3. Zorg dat ze vloer schoon is en alle kastjes leeg.
  4. Schuif de tafels zo dat de leerlingen nergens met hun handen in of aan kunnen komen.
  5. Zet alle materialen klaar.
  6. Op het bord: opdracht begintaak, regels en rooster.

Bij het binnenkomen:

  1. Bij binnenkomst (jij staat bij de deur) vertel je iedere leerling individueel:
    1. Fijn dat je er bent 😊
    2. Dat ze de begintaak gaan maken, in stilte en alleen én dat de begintaak ook op het bord staat.
    3. Dat je verwacht dat het vandaag een les wordt waarin de leerlingen laten zien dat zij weten hoe zij zich moeten gedragen tijdens de les.

Tijdens de les:

  1. Pas gaan praten als iedereen stil is (wees hier heel consequent in; zie het als een wedstrijd en zorg dat je die wedstrijd wint).
  2. Iedereen blijft zitten.
  3. Meteen ingrijpen bij verstoring.
  4. Hulpleerlingen aanstellen die uitdelen.
  5. Hardop complimenten geven aan de leerlingen die laten zien dat zij weten hoe zij zich moeten gedragen tijdens de les.
  6. Steeds herhalen wat je verwacht.
  7. 15 minuten voor tijd stap voor stap opruimen.

Na de les:

  1. Precies prijzen: exact vertellen wat wél goed ging en wat je volgende week ook nog verwacht.
  2. Houd de regie tot de laatste leerling is vertrokken.
  3. Leerlingen individueel vertellen (je staat weer bij de deur):
    1. Een (specifiek benoemd) ding dat ze goed gedaan hebben.
    2. Fijn dat je er was, tot volgende week 😊

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar; hier lees je het verhaal van de tweede winnaar: het verhaal van LK.

Er was eens een verlegen, stil en onzeker jongetje van 17 jaar. Hij was het zo ontzettend beu dat hij zo verlegen, stil en onzeker was, dat hij er zich dag in, dag uit aan ergerde. Hij durfde niet voor zichzelf op te komen en liet zich makkelijk ondersneeuwen. Hij was ontzettend perfectionistisch, om maar gezien te worden door anderen en hun verwachtingen waar te maken. Van dat alles wilde hij af, hij wilde het durven om zichzelf te zijn in alle situaties en niet alleen bij een paar mensen bij wie hij zich op zijn gemak voelde. Dat jongetje was ik.

Mijn gevoel gaf me aan dat het tijd was voor verandering. Voor ontwikkeling. Om mezelf zo veel en zo snel mogelijk te kunnen ontwikkelen, stelde ik me het doel een opleiding te gaan volgen die mij de grootst mogelijke uitdaging leek. Dat was de lerarenopleiding natuurkunde. Niet omdat ik het leuk vond (integendeel) of omdat ik er goed in was. Maar voor mijn eigen persoonlijke ontwikkeling. Nu ik daar achteraf op terugkijk, vind ik het ontzettend bijzonder dat ik dat op die leeftijd al wist.

Het is dan ook een understatement als ik zeg dat het niet altijd makkelijk was. Ik ben mezelf vaak en hard tegengekomen. Ik heb mezelf meerdere keren afgevraagd waarom ik dit ook alweer deed en of ik dit wel kon. Maar het was nodig dat ik mezelf confronteerde met mijn kunnen en niet kunnen om mijzelf verder te kunnen ontwikkelen. Wat was het zenuwslopend en wat heb ik me vaak gefrustreerd dat dingen niet gingen zoals ik ze wilde, want ik had een duidelijk doel voor ogen en was vastbesloten dat te halen. Ik ben echter altijd blijven geloven dat ik het kon, ondanks de tegenslagen die ik onderweg tegenkwam. Want ik heb hard moeten werken, als je kijkt waar ik vandaan kwam. Ook dit jaar ben ik mezelf weer tegengekomen en wist ik weer waar ik stond. En ook toen was ik nog altijd vastbesloten dat ik mijn doel zou halen. Het moest en zou zo zijn. En nu…. is het gelukt. Het gevoel wat me overvalt bij het schrijven van deze alinea is niet in woorden te beschrijven.

Ik ben nu 22 jaar en in het schooljaar 2017-2018 ben ik student in de afrondende fase van de studie tot leraar natuurkunde van de 2egraad. Een mond vol. Mijn afrondende stage liep ik in combinatie met een baan, waarbij ik aanvankelijk gestart ben met een aanstelling voor 0,6 fte. In mijn stageperiode gaf ik de eerstemaanden les aan twee havo-3 klassen, een mavo-2 klas en drie klassen havo-2. Dit bleek al snel véél te hoog gegrepen, ik had gruwelijk onderschat welke ervaring en vaardigheden het zelfstandig draaien van klassen vraagt. Ik ben erg geschrokken van de weerslag die dit had. Het vroeg namelijk meer dan ik toen aan niveau en ervaring had, waardoor ik vooral aan het overleven was in plaats van dat ik mezelf kon ontwikkelen. In oktober constateerden mijn begeleiders en ik dat het zo niet verder kon, het was zowel voor de klassen als voor mijzelf niet meer verstandig om verder te gaan. Het was een lastige keuze, maar in overleg met mijn begeleiders en leidinggevenden was de beslissing gemaakt: ik ging in aanstelling terug door drie klassen over te dragen aan collega’s. Dit vond ik aanvankelijk erg moeilijk, maar nadat dit gedaan was kon ik me weer vol richten op mijn ontwikkeling naar startbekwaam docent. Dit ging dan ook sneller: de vrijgekomen tijd investeerde ik in mijn ontwikkeling.

Ik had een lange weg te gaan, maar ik was vastbesloten dit doel te halen en ben hard aan de slag gegaan. Eerst heb ik gewerkt aan mijn interpersoonlijke competentie door mijn rol als leider te nemen. Ik heb mijn klassenmanagement aangescherpt door een regelsysteem in te voeren en écht daadwerkelijk consequent te handelen (wat ik daarvoor niet deed), ik ging meer werken aan de relatie met de klassen door gesprekken te voeren en de interactie aan te gaan met leerlingen, in plaats van alleen mijn werkwijze op te dringen aan leerlingen (dat deed ik in de eerste periode, omdat ik alleen maar dacht aan de lesstof die af moest en daarin in een tunnelvisie belandde). Toen mijn lessen ordelijk verliepen, kwamen er steeds meer succesmomenten en merkte ik dat ik verder kon met andere leerpunten. Ik ben toen meer activerende didactiek en samenwerkend leren gaan inzetten in mijn lessen. Ik heb hier erg veel mee geoefend en probeerde iedere week tenminste één nieuwe werkvorm uit. Leerlingen vonden dit erg fijn, dit was volgens hen “tenminste een keer wat anders dan altijd luisteren”. Niet gezegd dat dit altijd gelijk goed ging, maar doordat ik dezelfde les 3 keer kon geven (parallelklassen) had ik ook de mogelijkheid om de les tussendoor aan te passen. Zo rond december was ik gewend op school, voelde ik me er erg op mijn gemak en dat werkte zich ook door naar de lessen. Zo ontstond er in alle klassen een fijne taakgerichte en veilige sfeer, waarbij er toch ook ruimte was voor humor.  Dit zorgde ervoor dat ik mijn nauwgezette regelsysteem wat meer los kon laten en meer orde kon houden volgens mijn eigen leiderschapsstijl: duidelijk verwachtingen uitspreken naar leerlingen en wat meer gebruik maken van de band met de klas om samen de orde te handhaven. Hiermee ben ik tot het moment van schrijven nog steeds bezig, omdat ik merk dat je je kan blijven ontwikkelen in dit zogenoemde ‘pedagogische tact’. Verder heb ik bij veel collega’s lesobservaties gedaan, meer gebruik gemaakt van practica in zowel demonstratievorm als in leerlingvorm, heb ik geëxperimenteerd met differentiëren, formatief toetsen en Flipping the Classroom en heb ik voor mijn afstuderen een methode bedacht om leerlingen het vak natuurkunde te laten begrijpen. Het mooie van het onderwijs vind ik dat je jezelf altijd kan blijven ontwikkelen als persoon en professional.

Het papiertje wat ik straks ontvang is mooi, maar het achterliggende doel dat ik mezelf stelde heb ik gewoon gehaald… kippenvel overvalt me. Ik kan het nog niet helemaal beseffen. Ik had dit nooit verwacht. Vaker dan op twee handen te tellen is, ben ik emotioneel thuis gekomen en dacht ik dat ik het niet kon. Maar ik ben altijd doorgegaan, en nu is het gelukt. Nu wil ik dit doorgeven aan anderen. Ik zie van die stille jongetjes (en meisjes) in de klas en die hoop ik te inspireren. Want 5 jaar geleden… was ik net als zij.Het is voor het merendeel van de leerlingen zo, dat het vak natuurkunde niet makkelijk is. Het vergt een groot stuk capaciteit, inzet en doorzettingsvermogen. Ik heb in voorgaande jaren van veel mensen gehoord dat ze het vak niet leuk of zelfs verschrikkelijk vinden, puur en alleen omdat zij het te moeilijk vonden. Maar als ik nu aan mijn leerlingen vraag wat ze van het vak vinden, geven ze aan dat ze de les leuk vinden! Sommige leerlingen zeggen zelfs dat ze uitkijken naar de lessen en één leerling… die wil nu ook NaSk leraar worden. Om stil van te worden.

Ik durf te zeggen dat ik een sociaal experiment heb uitgevoerd met mezelf als proefpersoon. De uitkomst van het experiment is voor mij een eye-opener en een levensles die ik nooit ga vergeten: als je intensief aan jezelf werkt, heb je er de rest van je leven voordeel van. Als ik het niet had gedaan, was ik nog steeds verlegen geweest. Nu ben ik die stap voorbij, en staat de wereld aan mijn voeten. Nu ik dit schrijf, vind ik het wél leuk wat ik doe. Meer dan leuk. Het geeft een grote mate van voldoening, omdat ik anderen kan helpen die in de fase zitten waar ik toen in zat. Ik ben er goed in geworden én ik groei er nog steeds in door. Die keuze van toen en mijn doorzettingsvermogen onderweg is iets waar ik ontzettend dankbaar voor ben. Niets is onmogelijk voor hen die willen.

Ik heb aan mezelf bewezen dat ik dingen kan waar ik nooit van dacht dat ik ze kon bereiken. Mijn doel is bereikt. Mijn verhaal is af. Nu kan ik verder. Ik ben er klaar voor.

LK

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar: hier lees je het verhaal van de eerste winnaar van de schrijfwedstrijd. Het verhaal van JM.

Wat vooraf ging

Ik loop bloednerveus heen en weer tussen de auto en de school. Natuurlijk ben ik veel te vroeg. Want te laat zijn voor een proefles, dat is geen optie. Eindelijk kan ik de school ingaan zonder dat ze mij vragen om nog even te wachten op een stoeltje in de gang. Hoe de proefles verloopt? Ik kan het werkelijk niet zeggen. Alsof een ander de les gegeven heeft en ik in het publiek zat. Met bomen van kerels voor mij, waardoor ik de helft niet kon zien. Na de proefles sta ik een sigaret te roken met de directeur. ‘Maak je geen zorgen’, zegt hij. ‘Jij krijgt die baan wel.’

Mijn eerste dag als leraar

Ik kom uit een boerengebied en woon nog maar net in de grote stad. Ik fiets naar de wijk waar de school staat. Eigenlijk weet ik niks van deze buurt. Eind van de dag heb ik de betekenis van het woord ‘achterstandswijk’ geleerd.

Eén van de eerste mensen die ik ontmoet, heeft lang, dun haar. Dat haar zit gedraaid in een soort knot met een stokje erdoor. Het is een warme dag. Met een soort microvezeldoekje wrijft ze het zweet uit haar gezicht. Ik weet nog dat ik dacht: Wat een superschool, dat ze deze ruimte ook gebruiken als een soort sociale werkplek! Direct daarna stelt ze zich voor als mijn nieuwe collega en IB-er van de school. Eén van de laatste mensen die ik ontmoet is nu, naast mijn man en kinderen, een liefde van mijn leven. Die eerste ontmoeting, ze komt binnen met een gitaar in haar handen, haar blik open en oprecht, markeert het begin van een diepe vriendschap.

En dan mijn klas. Op en top ingericht. Alles tot in de puntjes voorbereid. Daar hebben wat uren zomervakantie ingezeten. Mijn domein. Ik sta bij de deur. Eén voor één druppelen de kinderen binnen. Namen onthouden is nooit mijn sterkste kant geweest. In dit geval blijkt namen correct uitspreken ook niet een kwaliteit te zijn die ik bezit. Arme Edah (spreek uit als Edda). Haar naam heb ik nog lang uitgesproken als de supermarktketen, die op elke straathoek in mijn oude omgeving te vinden was.

We beginnen met een kringgesprek. ‘Vertel over je vakantieavonturen’, zeg ik enthousiast. En avonturen krijg ik te horen! Een vader die al de hele vakantie vastzit. Hij was betrokken bij een gewelddadige beëindiging van iemands leven. ‘Het was zelfs op het nieuws!’ Een vader die ook is opgepakt. Gelukkig zat hij niet lang vast. De televisie die hij bovenop zijn schoonmoeder wilde gooien was per slot van rekening misgegooid. Toch wordt er ook wat geraakt vandaag. Tijdens het kringgesprek vliegt een baksteen door de ruit. Ik schrik buitensporig dramatisch. ‘Rustig blijven voor de kinderen’, zeg ik nog tegen mijzelf. ‘Jij hebt een voorbeeldfunctie.’  Maar de kinderen zijn rustig. Ze maken zich klaar voor de pauze.

Mijn eerste dag als leraar rook ik een sigaretje achter het fietsenhok. Natuurlijk wel nadat ik collega gevraagd heb om de pleinwacht over te nemen. Verantwoordelijk ben ik echt wel.

Als ik weer binnenkom,  zit de klas braaf te luisteren naar diegene die voor de klas staat. Maar wacht even…ik moet voor de klas staan! En ik sta er niet. Wie er wel staat, is de moeder van Annie. ‘Als één van jullie het in zijn rotkop haalt om mijn Annie te plagen, dan weet je nu met wie je dan te maken krijgt!’ klinkt het door de deur. Met die ouderbetrokkenheid zit het wel goed, denk ik bij mezelf.

We sluiten de dag af met een gymles. Dat betekent een loopje naar het gymlokaal vijf minuten verderop. Dan klinkt er een sirene. Een politieauto rijdt de stoep op en twee agenten lopen naar een huis. Ze kloppen op de deur en stormen naar binnen. Terwijl ik met verbazing en een behoorlijke dosis angst toekijk, lopen de kinderen zonder blikken of blozen door. ‘Drugsinval’, mompelt er één.

En nu 17 jaar later

Ik vind in een doos een klassenfoto van deze groep. Ik sta er als jong meisje tussen. Ik ben bijna niet te onderscheiden van de rest. Ik kijk terug op een geweldig eerste jaar. Wat heb ik veel geleerd! En wat heb ik veel geïnvesteerd! Avonden doorwerken, vakanties op school, werken aan en in je klas met Wimbledon op de achtergrond. En wat heb ik er veel voor gekregen. Liefdevolle kinderen die allemaal willen leren. Ouders, met soms andere belangen en interesses, maar met hart voor hun kind. Collega’s met wie ik veel heb kunnen sparren, proberen en ontdekken. En waar ik vooral mee heb kunnen lachen.

Die sigaret is inmiddels al lang verdwenen. Maar de warme herinnering gloeit nog steeds na!

Het was ook in deze klas, dat ik een taalles gaf die ging over beroepen. Halverwege steekt één leerling haar vinger op en vraagt: ‘Juf, wat voor werk doe jij eigenlijk?’

JM

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Het stond met chocoladeletters overal in de kranten: “De rekenvaardigheid van onze leerlingen loopt terug.” Afgelopen jaar zijn op de hele wereld op scholen (PO en VO) weer de internationale toetsen afgenomen, die de ranking van het onderwijs op internationaal niveau aangeven. Voor rekenen wordt de TIMSS afgenomen; TIMSS staat voor “Trends in International Mathematics and Science Study”. Sinds 1995 wordt wereldwijd elke vier jaar de kennis van leerlingen in de exacte vakken gemeten met een internationale TIMSS-toets voor het basisonderwijs en/of het voortgezet onderwijs. Voor ons nationale onderzoek kennen we de PPON: Peilingsonderzoek van het CITO. Er worden dus 2 toetsen afgenomen bij onze leerlingen die iets zeggen over het niveau van het Nederlandse (reken)onderwijs. PPON bekijkt verschillen tussen jaargangen en TIMSS geeft een ranking aan op internationaal niveau.

Nederland zakt al 20 jaar langzaam naar beneden, bij beide onderzoeken. Hogescholen en universiteiten klagen over het rekenniveau van de studenten. Voor- en tegenstanders van expliciete directe instructie maken elkaar af op twitter. Kortom: het is de hoogste tijd dat ik er ook iets over zeg.

Helaas ben ik geen alwetend wonder, dus ik moest uitzoeken wie er nu echt verstand van heeft. En ik kwam uit bij Dr. Marian Hickendorff van de Rijksuniversiteit Leiden. Die doet onderzoek naar rekenonderwijs in Nederland. Zij had een aantal boeiende dingen te zeggen, die ik even voor jullie op een rijtje ga zetten. Puntsgewijs. Natuurlijk.

  • Sinds wij/ de methodes volgens het realistisch rekenonderwijs werken, zijn onze leerlingen beter gaan rekenen op deze gebieden: schatten, hoofdrekenen, relaties/ verbanden en procenten. Onze leerlingen hebben dus meer rekeninzicht dan ooit.
  • Onze leerlingen zijn slechter gaan presteren op het gebied van bewerkingen (optellen, aftrekken, tafels, etc.).
  • Gemiddeld scoren onze leerlingen op de PPON dus al jaren op gelijk niveau.
  • De inspectie wil onze leerlingen (ongeacht taalniveau of intelligentie) graag op bepaalde niveaus zien. Zij hebben een fundamenteel niveau vastgesteld (dus het basisniveau dat nodig is om te kunnen functioneren) en een streefniveau (dus een “hoger” niveau).
  • Meer dan 85% van onze leerlingen haalt het fundamenteel niveau en iets minder dan 50 % haalt het streefniveau.
  • Dat betekent dat onze leerlingen dus in principe goed kunnen rekenen. Die 15% is te verklaren vanuit o.a. lichamelijke en geestelijke beperkingen. Dat bijna 50% het streefniveau haalt is heel goed; dat is namelijk meer dan het aantal leerlingen dat uiteindelijk gaat studeren aan de universiteit.
  • Op internationaal niveau dalen we gestaag. We stonden eerst in de top 10, daar zijn we nu uit.
  • We weten niet of wij slechter worden in rekenen of dat de andere landen beter worden of sneller beter worden.
  • Op internationaal niveau scoren wij hoog met onze 50% basisniveau; de andere landen halen dat nauwelijks.
  • Onze sterke rekenaars scoren veel lager dan de sterke rekenaars uit andere landen. We hebben dus minder excellentie. (Hoor ik daar Sander Dekker in de verte?)
  • Hoge verwachtingen van leraren zorgen voor hogere opbrengsten.
  • Het maakt niet uit welke rekenmethode je gebruikt, als je maar weet wat je waarom doet.
  • Hoe beter de leraar is, hoe beter het rekenonderwijs is.
  • Een methode die uitgaat van realistisch rekenen werkt net zo goed als directe instructie. Het gaat erom dat de leraar er goed mee om kan gaan, het een fijne methode vindt en heel goed kan uitleggen.
  • Leraren die bijleren op rekengebied worden steeds beter en hun leerlingen scoren steeds hoger.
  • Voor leerlingen maakt het niet uit wat er gedaan of gekozen wordt, als de leraar maar goed is. Het zou kunnen zijn dat voor leerlingen met een taalachterstand directe instructie effectiever is, maar dat is niet onderzocht.
  • Leerlingen met minder zelfvertrouwen rekenen net zo goed als andere leerlingen.

CONCLUSIE: huiswerk, pre-teaching, verschillende werkvormen, directe instructie, realistisch rekenen, enzovoort… ALLES WERKT zolang de leraar het maar met passie doet.

Ik wens jou dus veel passie.

 

Kleren maken de Leraar

Kleren maken de Leraar

Jaren geleden werkte ik op een asielzoekersschool. Aan het begin van het schooljaar kwamen er altijd “snuffelstagiaires” van de opleiding tot onderwijsassistent. Mijn laatste stagiaire heette Samira. Op haar eerste dag was het buiten bloedheet en binnen een sauna. Een veel voorkomend euvel in het onderwijs… platte daken en geen airco.

Samira was een jaar of 16. Ze keek me nauwelijks aan en gaf me een slap handje. Ze droeg een naveltruitje (incl. navelpiercing) met decolleté en een heel kort rokje. Ik had een groep van 18 leerlingen tussen de 10 en de 14 jaar, waarvan meer dan de helft jongens. Ik heb Samira vriendelijk verzocht om terug naar huis te gaan en zich om te kleden. Ze haalde beledigd haar neus op en vertrok. Ik heb haar nooit meer gezien.

Dat een naveltruitje (met of zonder piercing) met decolleté en kort rokje geen handige combinatie is op een school, klinkt heel logisch. Ook niet in een andere klas. Maar eigenlijk zijn er best veel kledingstukken waar je wel over kunt discussiëren: “Kan het wel of kan het niet?”

– korte broek (dames en heren);
– geen BH (tot welke cupmaat?);
– spaghettibandjes;
– decolletés (hoe diep is acceptabel?);
– rok boven de knie (waar ligt de grens?);
– sandalen;
– slippers;
– blouses die bij bepaald licht min of meer doorzichtig zijn;
– zichtbare piercings (m.u.v. oorbellen);
– zichtbare tatoeages.

Met warm weer lijkt het logisch om je luchtig te kleden. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat je dat automatisch doet; zonder er bij na te denken. En laten we eerlijk zijn: op de meeste scholen is het meteen bloedheet bij warm weer. Bovendien: de meeste leerlingen kijken helemaal niet op van een juf of meester in korte broek of op sandalen.

Aan de andere kant: als leraar heb je een voorbeeldfunctie. En volgens mij zit het zo: één van de manieren om een bepaalde status uit te dragen, is het dragen van statusverhogende kleding. In het onderwijs wordt veel geklaagd over het feit dat “de leraar van zijn voetstuk is gevallen”.  Het dragen van representatieve kleding kan bijdragen tot de terugkeer van de leraar op het bijbehorende voetstuk. Denk maar aan advocaten en artsen; zonder net pak, toga of doktersjas zouden wij hen veel minder serieus nemen.

Dus ja: ik vind dat je je netjes moet kleden als je voor de klas staat. (Ook als onderwijsassistent, trouwens). Dat betekent dat je je uiterlijk dus moet controleren voor je naar school gaat. Stel  jezelf de volgende vragen als je ’s morgens voor de spiegel staat:

  1. Zou ik dit ook aandoen als ik op vakantie ben?
  2. Zie ik eruit als iemand die serieus genomen gaat worden door iemand die eigenlijk weinig respect heeft voor gezag?
  3. Zie ik iets waar iemand op school misschien wel over zou kunnen vallen?

Bij twijfel doe je meteen iets anders aan, want kleren maken de leraar!

Leer ze schrijven!

Leer ze schrijven!
Leuk… het werken op de laptop, werken met tablets, (snappet), leren op je telefoon… de digitale wereld is helemaal geïntegreerd in ons onderwijs. Je kunt makkelijker differentiëren. En je hoeft minder na te kijken, dàt is vooral heel erg fijn. Maar…. er blijkt ook een schaduwzijde aan dit jubelfeit te zijn. Onze leerlingen kunnen niet meer schrijven! Er worden veel onnodige spellingfouten gemaakt, het schriftelijke werk is vaak onleesbaar en als er al eens geschreven moet worden, beginnen de leerlingen na één minuut al te klagen over pijn in hun hand. Dus vandaag een pleidooi om dit euvel voor eens en altijd uit de wereld te helpen: Leer ze schrijven!

Hoe doe je dat?
Want je wilt toch echt wel blijven werken met de laptop, tablets (snappet) en de telefoon.
1. Tijdens de instructie moeten er aantekeningen gemaakt worden. Alles wat jij op het bord zet, moeten ze overschrijven in hun instructieschrift. Leesbaar! (Anders moet het over…)
2. Leer de leerlingen schrijven in volledige zinnen. Bouw het op. Begin met korte zinnetjes en breidt die zinnen steeds meer uit.
3. Bouw de schrijftijd op. Eerst één minuut, de volgende keer twee minuten, enzovoort. Tot de leerlingen getraind zijn en het klagen is verstomd. Verhalen, brieven, werkstukken, betogen…
4. Kijk in het begin al het schrijfwerk na: eis 100%! Dus zonder spelfouten en in een keurig, leesbaar handschrift. Vertel van te voren wat je precies verwacht en laat ze eventuele fouten verbeteren.
5. Laat alle automatiseringsoefeningen (tafels, grammatica, toepassingen, werkwoordvervoegingen, formules enzovoort) schriftelijk maken.
6. Doe veel fijn-motorische oefeningen tussendoor. Ook leuk als energizer.
7. Pak er gewoon eens een ouderwets schrijfschrift bij. Als tussendoortje. Desnoods een oefenblad uit de jaren 50.

Belangrijk!
Vertel je leerlingen ook waarom het zo belangrijk is dat ze kunnen blijven schrijven:
1. Wie schrijft die blijft, oftewel: je onthoudt gewoon beter wat je opschrijft.
2. Schrijven zorgt er voor dat je ondertussen je gedachten kunt ordenen.
3. Ook al gaat in de toekomst alles digitaal… het is gewoon handig als je kunt schrijven. En het is nog handiger als je ook nog kunt lezen wat je geschreven hebt.

Succes!

Sta Sterk voor de Klas!