Tagarchief: collega’s

Dat doen wij zo niet…

Dat doen wij zo niet…

“Dat doen wij zo niet.” Niet leuk om te horen als je nieuw op een school bent en enthousiast een idee naar voren brengt.

“Wij doen het al jaren zo en dat bevalt prima.” Nog zo’n opmerking waar je niks mee kunt als je een verandering voorstelt.

“Ach ja, toen ik pas begon had ik ook van die wilde plannen, maar je zult zien dat dat vanzelf overgaat.” En je enthousiasme voor jouw “wilde plan” zakt meteen weg.

Laten we eerlijk zijn. Het is niet leuk om dergelijke opmerkingen te horen. En gelukkig worden ze steeds minder gemaakt. Maar als je op een school zit waar je wel zulke opmerkingen te horen krijgt, dan kun je er wel iets mee als je wilt.

  1. Het is goed bedoeld. Het komt misschien anders over, maar in de grond is het een welwillend advies met het doel om jou te beschermen.
  2. Je kunt er dus ook welwillend en begrijpend op reageren. “Ik begrijp het” zeg je dan. (Of iets van die strekking.) Je mag ook vragen naar de bezwaren die er zijn. Misschien hebben ze wel een punt… dan kun je daar rekening mee houden.
  3. Vervolgens vraag je of je jouw plan toch mag uitproberen. Bij wijze van pilot. Bijvoorbeeld in jouw klas. In de meeste gevallen wordt daar positief op gereageerd.
  4. Je gaat aan de slag.
  5. En je vertelt iedere keer enthousiast over de vorderingen die je maakt.
  6. En als je ergens tegenaan loopt, dan vraag je om hulp aan iemand die (min of meer) positief t.o.v. jouw “wilde plan” staat.
  7. Je houdt vol. Grote kans dat iemand jouw plan adopteert.

Veel succes!

Een professionele houding in het onderwijs

Een professionele houding in het onderwijs

Ik betrap me erop dat ik van veel collega’s vind dat ze weinig professioneel zijn. Aan de ene kant vind ik dat niet kunnen; wie ben ik dat ik mag oordelen over anderen? Aan de andere kant vind ik het in belang van leerlingen dat leraren hun werk goed doen. Is het dan zo dat je alleen je werk goed kunt doen als je “professioneel” bent? En wat is professioneel dan?

Volgens Van Dale:
Betekenis ‘ professioneel ‘
Je hebt gezocht op het woord: professioneel.

pro•fes•si•o•neel (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)
1 van beroep
2 aan het beroep eigen
3 (als) van een vakman: een professionele aanpak

Hm. Hier kan ik niet zoveel mee. Ik denk dat wij tegenwoordig iets anders bedoelen met professioneel. Iets als “zakelijk”. Maar dan anders.

Ik heb vijf aspecten gevonden die m.i. horen bij de professionele beroepshouding van een leraar:
1. Persoonlijke eigenschappen: sociaal vaardig, gedisciplineerd, initiatiefrijk, besluitvaardig en pragmatisch.
2. Een mooie balans kunnen vinden tussen begrip tonen en grenzen stellen; op de juiste wijze assertief zijn.
3. Willen blijven (bij)leren. Ontwikkelingen in de wereld gaan snel. Het is de taak van de leraar om leerlingen voor te bereiden op hun taak in de wereld. Dat betekent dus dat een leraar op te hoogte moet zijn van de laatste ontwikkelingen.
4. De leraar staat centraal. Alleen een leraar die zichzelf centraal stelt kan iedere leerling datgene bieden wat hij of zij nodig heeft.
5. Ontwikkelde vaardigheden: pedagogisch, didactisch en reflectievermogen.

En nu ben ik heel benieuwd of jullie het hier mee eens zijn… en als dat zo is: hebben wij dan dezelfde mening over de professionaliteit van sommige collega’s? Of betekent dit dat wij daar nog steeds niet over mogen oordelen?

Hm…

Ouderwets = uit de tijd … dus weg ermee!

Ouderwets = uit de tijd … dus weg ermee!

Als ik naar het onderwijs kijk vandaag de dag, dan vind ik eigenlijk dat er niks is veranderd. Meer dan 100 jaar geleden zaten er heel veel kinderen van dezelfde leeftijd in de klas en er stond een leraar voor, die erg zijn best deed om zo goed mogelijk les te geven.
Wat is er dan anders?
Niks!

Ja oké, de techniek is de school ingekomen. We weten meer. De kinderen hebben een andere rol in het gezin dan 100 jaar geleden. De zaterdag is tegenwoordig een vrije dag. De maatschappij is veranderd. Gelukkig maar; ik moet er persoonlijk niet aan denken dat alles nog steeds hetzelfde is als 100 jaar geleden. Lijfstraffen, ezelskoppen, speciale opdrachten voor meisjes…
Maar als je nog eens kijkt naar de schoolklassen van toen en van nu… we doen nog steeds ontzettend onze best om zo goed mogelijk les te geven aan een (grote) groep leerlingen in een klaslokaal. Betekent dat dat het onderwijs ouderwets is?
Ouderwets wordt toch gezien als een beetje een “vies woord”. Uit de tijd. Achterhaald. Verleden tijd. Onderwijs is toch niet ouderwets meer? We hebben toch alles uit het verleden wat niet werkt de school uitgegooid?

Nou nee. We hebben van alles de school ingegooid waarvan men roept dat “het nieuw en dus goed is”. En sluipenderwijs heeft men wat ouderwetse dingen de school uitgezet. Maar wie zijn toch die “men”?
Ik ben er achter. Die “men” dat zijn onderwijskundigen die nog nooit een klas van dichtbij gezien hebben. Onderwijskundigen die dingen bedacht hebben, maar nooit onderzocht hebben of dat wat zij bedacht hebben wel werkt op onze scholen. Onderwijskundigen die veel contacten hebben in de politiek. Onderwijskundigen die ongetwijfeld verstand hebben van heel veel dingen, maar beslist niet van het dagelijkse onderwijs. En met hun ideeën zijn er veel goede technieken uit de klas verdwenen.

Ik pleit er voor om een paar ouderwetse technieken terug te halen in onze klassen. Ouderwets kan dan wel stom klinken, maar deze ouderwetse technieken werken. Ze zorgen ervoor dat onze leerlingen die dingen leren die ze moeten leren. En ik pleit er ook voor om een aantal nieuwe technieken te behouden. Omdat ze goed zijn voor onze leerlingen. Dan ben ik maar ouderwets.

1. Leerlingen zijn geen volwassenen. Hun hersenen zijn nog niet volgroeid, dus ze kunnen die nog niet volledig benutten. Ze zijn dus niet in staat om goed-doordachte beslissingen te nemen. Het is de taak van de leraar om ze daar bij te helpen. Die moet heel goed weten wat een leerling wel niet zelf kan beslissen. Een leraar moet dus duidelijke keuzes bieden.
2. Het digibord is fantastisch en het moet blijven. Maar hang er alsjeblieft een krijtbord naast; haal dat whiteboard weg. Krijtborden zijn een must voor degelijk schrijfonderwijs. En iedere leerling kan lezen wat er op staat; ook achterin het lokaal. Dat heb ik op een whiteboard nog niemand voor elkaar zien krijgen.
3. Zorg dat je goed weet wat de leerlingen moeten weten en kunnen: ken je leerlijnen. Leg daar de methode naast. Gebruik de methode als handreiking en niet als wet.
4. Leraar zijn is een vak. Er wordt veel van je verwacht en je hebt een enorme verantwoordelijkheid. Gedraag je daar ook naar. Ga terug op je voetstuk; profileer je als deskundig en laat je ook als zodanig betalen.
5. Tafels stampen. Rijtjes opzeggen. Strafregels schrijven. Fouten verbeteren. Onze hersenen zijn geprogrammeerd om iets te onthouden als we het a. mondeling herhalen en b. opschrijven. Liefs minimaal 7 keer. Sorry, maar het werkt.
6. Kleuters leren door spelen. Liedjes zingen. Rijmpjes. Bewegen. Voordoen. Herhalen. Meedoen. Rituelen. En ze kunnen niet langer dan 5 minuten achter elkaar luisteren.
7. Nee, alsjeblieft niet het Wilhelmus, maar het is goed om iedere dag te zingen. Ja, met alle leeftijden. Voor mijn part met YouTube en ondertitels, maar zing met je klas minimaal een lied per dag.
8. Kinderen hebben knuffels nodig. Geen panda’s, maar op schoot zitten en een troostende arm horen erbij. Een beetje meer vertrouwen in onze mannelijke collega’s mag best.
9. Jongens mogen stoeien en flinke competities houden. Rennen. Duwen. Hun kracht en uithoudingsvermogen testen. Spreek wel goed af waar, wanneer en met welke regels. En laat een man het regelen; die snapt het.
10. Leerlingen (en hun ouders) zijn niet van suiker. Je mag ze dus aanspreken op hun gedrag. Je hoeft je niet altijd te verdedigen; soms heb je gewoon gelijk omdat jij de leraar bent. Punt.

En hoe ouderwets ben jij?

Dat doen wij zo niet…

Dat doen wij zo niet…

“Dat doen wij zo niet.” Niet leuk om te horen als je nieuw op een school bent en enthousiast een idee naar voren brengt.
“Wij doen het al jaren zo en dat bevalt prima.” Nog zo’n opmerking waar je niks mee kunt als je een verandering voorstelt.
“Ach ja, toen ik pas begon had ik ook van die wilde plannen, maar je zult zien dat dat vanzelf overgaat.” En je enthousiasme voor jouw “wilde plan” zakt meteen weg.
Laten we eerlijk zijn. Het is niet leuk om dergelijke opmerkingen te horen. En gelukkig worden ze steeds minder gemaakt. Maar als je op een school zit waar je wel zulke opmerkingen te horen krijgt, dan kun je er wel iets mee als je wilt.

1. Het is goed bedoeld. Het komt misschien anders over, maar in de grond is het een welwillend advies met het doel om jou te beschermen.
2. Je kunt er dus ook welwillend en begrijpend op reageren. “Ik begrijp het” zeg je dan. (Of iets van die strekking.) Je mag ook vragen naar de bezwaren die er zijn. Misschien hebben ze wel een punt… dan kun je daar rekening mee houden.
3. Vervolgens vraag je of je jouw plan toch mag uitproberen. Bij wijze van pilot. Bijvoorbeeld in jouw klas. In de meeste gevallen wordt daar positief op gereageerd.
4. Je gaat aan de slag.
5. En je vertelt iedere keer enthousiast over de vorderingen die je maakt.
6. En als je ergens tegenaan loopt, dan vraag je om hulp aan iemand die (min of meer) positief t.o.v. jouw “wilde plan” staat.
7. Je houdt vol. Grote kans dat iemand jouw plan adopteert.

Veel succes!

Het Blaascollege. Plassen, sassen, pipi machen… alles voor de zwakke blaas.

Het Blaascollege.
Plassen, sassen, pipi machen…
alles voor de zwakke blaas.

“Juf, mag ik naar de WC?”
“Je weet best dat je dat in de pauze moet doen.”
“Ja, maar ik moet echt heel nodig.”
“Nou, voor deze ene keer dan.”

En natuurlijk bleef het niet bij “deze ene keer”. Ik trapte er altijd in. Zwakke blaas, ongesteld, echt heel, heel, heel nodig, vergeten om te gaan, anders doe ik het in mijn broek… met iedere smoes (mits een beetje goed verteld) kreeg je bij mij toestemming om op de gang te vertoeven.
Gek werd ik er van.
Vooral als ik er op aangesproken werd door mijn collega’s. “Bij jou mogen ze altijd naar de WC.” Ja, best vaak…

Gelukkig hebben we daar nu een oplossing voor. Wel voor alles boven een bepaalde leeftijd (iedereen met blaascontrole), want ik heb het gevoel dat het bij leerlingen tot een jaar of 8 toch iets anders werkt.

De oplossing heet: “Het Blaascollege” en is bedacht door Juf Manon, leraar Biologie.

Het Blaascollege:
1. Een leerling vraagt of hij/ zij naar het toilet mag.
2. Jij vraagt: hoe laat ben jij voor het laatst geweest?
3. Vervolgens ga je samen rekenen (met pen, papier en rekenmachine):
a. Een uur geleden? Dat is dus 60 minuten.
b. Per minuut wordt 1,4 ml urine geproduceerd: 60 x 1,4 ml = 84 ml.
c. Een blaas kan zo’n 800 ml zonder problemen opslaan.
d. Ergo: je hoeft pas over 8 uur echt naar de WC.
e. Extra tip: huppen helpt.
f. Alleen bij echte blaasproblemen mag je naar de WC. Dus op doktersvoorschrift.
4. De volgende site dient ter illustratie: http://www.wikiwand.com/nl/Urineblaas. Hier kun je natuurlijk ook een hele les aan wijden…

Succes!

Waarom zou je verder leren?

Waarom zou je verder leren?

Als starter ben je blij dat je eindelijk je diploma hebt gehaald.
Klaar met huiswerk, dikke boeken over didactiek, onderzoeken en reflecteren.
Al je tijd gaat nu naar voorbereiden, nakijken, uitzoeken en administratie.

Maar weet je, leren kan ook leuk zijn! En het is belangrijk voor je leerlingen en voor jezelf.

Laten we eerlijk zijn. Ik ga alleen naar een dokter die regelmatig een bij- of nascholing volgt. Je moet je vak bijhouden, echt waar. En je leert nieuwe mensen kennen, doet nieuwe inzichten op… en dat huiswerk, dat valt mee als je er zelf voor kiest.

En nee. Ik heb het niet over teamscholing. Dat is vaak best leuk en leerzaam, maar niet jouw eigen keus. Als je zelf kiest, leer je meer!

Je kent waarschijnlijk de lerarenbeurs wel. Alle informatie daarover vind je hier.

Maar als je minder dan 20% werkt, nog studiefinanciering ontvangt of bij een particuliere instelling of uitzendbureau werkt, kom je daar niet voor in aanmerking.

En je zult je ook moeten inschrijven in het lerarenregister, maar dat is natuurlijk te doen als je een diploma hebt.

Als je onbevoegd lesgeeft, kan je geen lerarenbeurs aanvragen, maar dan kan je natuurlijk wel een “zij-instroom-opleiding” doen. Mits je een school kunt vinden. En dat kan best een flinke klus zijn. Veel bellen, bezoekjes afleggen, je neus laten zien. Maar… de aanhouder wint!

Als je in vaste dienst bent, dan kom je zeker in aanmerking. Als invaller hangt het van je situatie af. Als je de 20%-norm overstijgt, kan je in gesprek met de besturen of het bestuur waar je voor werkt. Dan kan je vragen of zij jou willen steunen bij het aanvragen van de beurs.

Voor een cursus onder schooltijd kun je een beroep doen op je leidinggevende. Gewoon vragen of je er vrij voor kunt krijgen én of ze de cursus willen betalen. Ook als je niet in vaste dienst bent of (regelmatig) invalt.

Het werkt goed als je er iets tegenover stelt. Je kunt bijvoorbeeld een presentatie houden of wat je geleerd hebt aan je collega’s. Zo pikken zij ook een graantje mee van jouw (nieuwe) kennis.

En als je helemaal nergens voor in aanmerking komt, hebben we gelukkig nog de belastingdienst!

Het drempelbedrag is €250,- Een beetje cursus kost dat al snel. Alle kosten boven die €250,- zijn aftrekbaar. Wil je precies weten hoe dat zit? Kijk dan even hier.

Heel veel informatie kun je ook vinden in de cao’s. Info over het VO (zitten een beetje vast) vind je hier, en alles over het PO hier.

VEEL PLEZIER MET LEREN!

Weke opleiding ga jij volgen? Of welke cursus? Laat het weten in het commentaarveld hierboven!

De kunst van het afkijken en nog meer tips

Juf Lenie en de kunst van het afkijken

Lenie werkte op een school waar ik regelmatig inviel. Zij was de juf van groep 4. Lenie was “een dame op leeftijd” en zag er altijd tiptop uit. Blazer, kokerrok, sjaaltje. Bijpassende hakken, haar keurig opgestoken en niet teveel opgemaakt. Op mijn eerste dag al werd ik enthousiast door haar begroet met: “Wat fijn, een jonge juf erbij! Ik hoop veel van je te leren!”. En ik dacht… “ben jij de secretaresse?”

In de pauze vroeg Lenie regelmatig hoe het ging, of ik alles kon vinden en of ik hulp nodig had. En na schooltijd kwam ze mijn lokaal in met een kopje thee: “daar ben je vast wel aan toe”. Ze vertelde over de school, over de leerlingen, over de directeur. Vol enthousiasme en passie. En ik dacht: “later wil ik ook zo’n juf zijn”.

Geen vraag was te dom. Alles wat ik weet, van de positie van kasten in een lokaal, het uitleggen van grammatica, het oefenen met flitskaarten en ga zo maar door, alles heb ik geleerd van Lenie. En als ik niet helemaal begreep wat ze bedoelde, dan kwam ze het gewoon voordoen in mijn eigen les. Ze bleef zelfs even kijken hoe ik het nadeed. En dan knikte ze goedkeurend, zwaaide naar mij en de leerlingen en zei: “dag klas, ik ga weer terug naar mijn eigen lieverdjes”. Volgens mij hadden haar eigen lieverdjes niet eens gemerkt dat ze weg was…

Toen Lenie vertelde dat ze was aangenomen op een andere school, was ik eerst best teleurgesteld. Ook al vond ik het heel stoer dat ze op haar leeftijd nog had gesolliciteerd. En toen zei ze met een knipoog: “ze hebben nog een vacature, ik heb jouw naam doorgegeven.” Ze gaf me een briefje met een naam en een telefoonnummer. Dus zelfs mijn eerste vaste baan heb ik aan Lenie te danken :-). En toen we “echte” collega’s waren, leerde ik ook nog steeds iedere dag van haar.

Het allermooiste wat ik van Lenie heb geleerd, is de kunst van het afkijken. Een van de belangrijkste regels in haar klas was de volgende:  Je mag zoveel afkijken van je buurman of buurvrouw als je wilt, maar ik mag het niet zien! En dus keken de leerlingen zoveel mogelijk af, en heel soms betrapte ze iemand (voor de vorm), maar meestal deed ze of haar neus bloedde. “Heel belangrijk is dat, afkijken!”, zei Lenie altijd. “Je leert nergens zoveel van als van afkijken. Denk maar eens na: alles wat je ooit hebt afgekeken, weet je nog. Of niet soms?”

 

Zeven tips voor het motiveren van ongemotiveerde leerlingen

 

Zeven tips voor het motiveren van ongemotiveerde leerlingen

Je kent “ze” wel…

* ze vinden school maar niks
* ze staan onverschillig t.o.v. leraren, leerstof en cijfers
* ze lopen de kantjes er van af
* ze worden niet uitgedaagd
* ze geven toe dat ze niet gemotiveerd zijn

Deze zeven tips kunnen helpen, mits je de leerling serieus neemt en betrekt bij jouw probleem (want ja sorry… het is jouw probleem :-))

1. Probeer in een gesprek te achterhalen wat precies de oorzaak is; problemen thuis, de leerstof sluit niet aan, jouw wijze van lesgeven sluit niet aan, etc.

2. Breng samen in kaart welk(e) korte-termijn-doel(en) mogelijk kunnen helpen om enigszins gemotiveerd te worden.

3. Stel samen een straf- en beloningssysteem in werking en houd je daar consequent aan. Zorg voor commitment!

4. Pak een doel tegelijk aan en controleer steeds of het doel nog helder voor ogen staat.

5. Grijp bij iedere kleine aarzeling onmiddellijk in door na te gaan wat nodig is om de leerling weer te betrekken.

6. Breng  medeleerlingen, collega’s en ouders op de hoogte (mits met toestemming van de leerling) en laat hen helpen de leerling te steunen.

7. Geef de leerling positieve affirmaties mee voor die momenten waarop het moeilijk is en jij niet in de buurt bent.