Tagarchief: leerlingen

Lesgeven in moeilijke klassen

Lesgeven in moeilijke klassen

Voorbereiding:

  1. Bedenk een schriftelijke opdracht (begintaak) die de leerlingen moeten maken zodra ze binnenkomen (zie TLAC voor de omschrijving hiervan).
  2. Zet alle tafels in rijen recht naar voren.
  3. Zorg dat ze vloer schoon is en alle kastjes leeg.
  4. Schuif de tafels zo dat de leerlingen nergens met hun handen in of aan kunnen komen.
  5. Zet alle materialen klaar.
  6. Op het bord: opdracht begintaak, regels en rooster.

Bij het binnenkomen:

  1. Bij binnenkomst (jij staat bij de deur) vertel je iedere leerling individueel:
    1. Fijn dat je er bent 😊
    2. Dat ze de begintaak gaan maken, in stilte en alleen én dat de begintaak ook op het bord staat.
    3. Dat je verwacht dat het vandaag een les wordt waarin de leerlingen laten zien dat zij weten hoe zij zich moeten gedragen tijdens de les.

Tijdens de les:

  1. Pas gaan praten als iedereen stil is (wees hier heel consequent in; zie het als een wedstrijd en zorg dat je die wedstrijd wint).
  2. Iedereen blijft zitten.
  3. Meteen ingrijpen bij verstoring.
  4. Hulpleerlingen aanstellen die uitdelen.
  5. Hardop complimenten geven aan de leerlingen die laten zien dat zij weten hoe zij zich moeten gedragen tijdens de les.
  6. Steeds herhalen wat je verwacht.
  7. 15 minuten voor tijd stap voor stap opruimen.

Na de les:

  1. Precies prijzen: exact vertellen wat wél goed ging en wat je volgende week ook nog verwacht.
  2. Houd de regie tot de laatste leerling is vertrokken.
  3. Leerlingen individueel vertellen (je staat weer bij de deur):
    1. Een (specifiek benoemd) ding dat ze goed gedaan hebben.
    2. Fijn dat je er was, tot volgende week 😊

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Het stond met chocoladeletters overal in de kranten: “De rekenvaardigheid van onze leerlingen loopt terug.” Afgelopen jaar zijn op de hele wereld op scholen (PO en VO) weer de internationale toetsen afgenomen, die de ranking van het onderwijs op internationaal niveau aangeven. Voor rekenen wordt de TIMSS afgenomen; TIMSS staat voor “Trends in International Mathematics and Science Study”. Sinds 1995 wordt wereldwijd elke vier jaar de kennis van leerlingen in de exacte vakken gemeten met een internationale TIMSS-toets voor het basisonderwijs en/of het voortgezet onderwijs. Voor ons nationale onderzoek kennen we de PPON: Peilingsonderzoek van het CITO. Er worden dus 2 toetsen afgenomen bij onze leerlingen die iets zeggen over het niveau van het Nederlandse (reken)onderwijs. PPON bekijkt verschillen tussen jaargangen en TIMSS geeft een ranking aan op internationaal niveau.

Nederland zakt al 20 jaar langzaam naar beneden, bij beide onderzoeken. Hogescholen en universiteiten klagen over het rekenniveau van de studenten. Voor- en tegenstanders van expliciete directe instructie maken elkaar af op twitter. Kortom: het is de hoogste tijd dat ik er ook iets over zeg.

Helaas ben ik geen alwetend wonder, dus ik moest uitzoeken wie er nu echt verstand van heeft. En ik kwam uit bij Dr. Marian Hickendorff van de Rijksuniversiteit Leiden. Die doet onderzoek naar rekenonderwijs in Nederland. Zij had een aantal boeiende dingen te zeggen, die ik even voor jullie op een rijtje ga zetten. Puntsgewijs. Natuurlijk.

  • Sinds wij/ de methodes volgens het realistisch rekenonderwijs werken, zijn onze leerlingen beter gaan rekenen op deze gebieden: schatten, hoofdrekenen, relaties/ verbanden en procenten. Onze leerlingen hebben dus meer rekeninzicht dan ooit.
  • Onze leerlingen zijn slechter gaan presteren op het gebied van bewerkingen (optellen, aftrekken, tafels, etc.).
  • Gemiddeld scoren onze leerlingen op de PPON dus al jaren op gelijk niveau.
  • De inspectie wil onze leerlingen (ongeacht taalniveau of intelligentie) graag op bepaalde niveaus zien. Zij hebben een fundamenteel niveau vastgesteld (dus het basisniveau dat nodig is om te kunnen functioneren) en een streefniveau (dus een “hoger” niveau).
  • Meer dan 85% van onze leerlingen haalt het fundamenteel niveau en iets minder dan 50 % haalt het streefniveau.
  • Dat betekent dat onze leerlingen dus in principe goed kunnen rekenen. Die 15% is te verklaren vanuit o.a. lichamelijke en geestelijke beperkingen. Dat bijna 50% het streefniveau haalt is heel goed; dat is namelijk meer dan het aantal leerlingen dat uiteindelijk gaat studeren aan de universiteit.
  • Op internationaal niveau dalen we gestaag. We stonden eerst in de top 10, daar zijn we nu uit.
  • We weten niet of wij slechter worden in rekenen of dat de andere landen beter worden of sneller beter worden.
  • Op internationaal niveau scoren wij hoog met onze 50% basisniveau; de andere landen halen dat nauwelijks.
  • Onze sterke rekenaars scoren veel lager dan de sterke rekenaars uit andere landen. We hebben dus minder excellentie. (Hoor ik daar Sander Dekker in de verte?)
  • Hoge verwachtingen van leraren zorgen voor hogere opbrengsten.
  • Het maakt niet uit welke rekenmethode je gebruikt, als je maar weet wat je waarom doet.
  • Hoe beter de leraar is, hoe beter het rekenonderwijs is.
  • Een methode die uitgaat van realistisch rekenen werkt net zo goed als directe instructie. Het gaat erom dat de leraar er goed mee om kan gaan, het een fijne methode vindt en heel goed kan uitleggen.
  • Leraren die bijleren op rekengebied worden steeds beter en hun leerlingen scoren steeds hoger.
  • Voor leerlingen maakt het niet uit wat er gedaan of gekozen wordt, als de leraar maar goed is. Het zou kunnen zijn dat voor leerlingen met een taalachterstand directe instructie effectiever is, maar dat is niet onderzocht.
  • Leerlingen met minder zelfvertrouwen rekenen net zo goed als andere leerlingen.

CONCLUSIE: huiswerk, pre-teaching, verschillende werkvormen, directe instructie, realistisch rekenen, enzovoort… ALLES WERKT zolang de leraar het maar met passie doet.

Ik wens jou dus veel passie.

 

Zeven tips voor een rustige vakantie

Zeven tips voor een rustige vakantie

Ik denk dat jullie nu allemaal vakantie hebben. Tijd om uit te rusten en bij te komen. Daarom heb ik zeven tips voor een rustige vakantie. Zodat je ook echt uitrust en bijkomt.

  1. Werk vandaag de laatste dingetjes af. Als je dat nog niet gedaan hebt.
  2. Maak een to-do-lijstje voor de laatste dag van jouw vakantie. Dan weet je zeker dat je niets vergeet.
  3. Parkeer alle zorgen, schuldgevoel en ander gedoe ergens achter je.
  4. Plan in je vakantie lege dagen in. Dagen waarop je helemaal niets hoeft, of waar je nog iets kunt gaan doen als je dat eventueel zou willen. Voorkom dat je hele vakantie alweer volgepland is.
  5. Bedenk bij alle sociale verplichtingen of je wilt of moet… willen is eigen keus en bij moeten is het slim om te bedenken of je echt wel wilt of dat je moet afzeggen/ delegeren/ verplaatsen/ veranderen.
  6. Zorg dat er minimaal één vakantiedag is waarop anderen voor jou zorgen. Ga desnoods in een hotel zitten, boek een wellnessdag, schakel je gezin in…. maakt niet uit.
  7. Rust uit en geniet. Van iedere minuut.

Fijne vakantie!

Wil je weten hoe je meer rust in je hoofd kunt houden als het geen vakantie is? Overweeg dan om mee te doen met de tweedaagse training voor leraren.

Heb je zin om een stukje te schrijven? Doe dan mee met de wedstrijd “Mijn eerste jaar als leraar” en win het boek “Je eerste jaar als leraar” van Bazalt.

Faalangst bij leerlingen

Open

Faalangst bij leerlingen

Het lijkt wel of er steeds meer leerlingen in onze klassen zitten die lijden onder faalangst. Bang om af te gaan. Bang om fouten te maken. Bang om iets verkeerds te zeggen. Waar komt dat toch vandaan?

Zijn het de ouders die steeds hogere eisen stellen?
Is het “de maatschappij” die vindt dat iedereen perfect moet zijn?
Worden er teveel toetsen afgenomen?
Zijn wij het, de leraren, die teveel druk leggen op onze leerlingen?
Of is het misschien een aangeboren afwijking; een gemuteerd gen?

Flauwekul natuurlijk, die laatste twee. Maar ook bij de bovenste drie kun je je afvragen of het wel waar is. Maar eigenlijk gaat het niet over de oorzaken. Waar het omgaat is hoe jij er mee omgaat in de klas. Want een leerling met faalangst kan oprecht heel ongelukkig zijn. En daar hebben wij leraren last van. Want wij willen dat onze leerlingen gelukkig zijn. Maar wat kun je er aan doen, als leraar? Je kunt een leerling met faalangst natuurlijk op een cursus doen. Maar ook in de klas kun je een leerling van zijn of haar faalangst afhelpen.

Het begint bij aandacht. Er zijn leerlingen die geen faalangst hebben, maar een tekort aan aandacht. Het is belangrijk om allereerst het juiste onderscheid te maken tussen die twee. Leerlingen met een tekort aan aandacht moet je alleen aandacht geven op andere, positieve punten. Als je dat consequent doet en de aanstellerij van de leerling afkapt en verder negeert, dan zul je zien dat de faalangst als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Leerlingen met echte faalangst kun je op de volgende manier helpen:
1. De leerling moet zich bewust worden van het moment waarop de faalangst toeslaat. Je moet de leerling aanleren om op dat moment een teken te geven. Dan kan bijvoorbeeld door iets op tafel te zetten. Dan weet jij dat je iets moet doen: vragen stellen en doorvragen.
2. Vervolgens moet je de eerste vraag stellen aan de leerling. Niet hardop in de klas, maar altijd onder vier ogen en steeds weer opnieuw zodra de leerling het teken van faalangst geeft. Deze eerste vraag is: “Wat is het allerergste dat kan gebeuren als je nu faalt?” De leerling mag daar best even over nadenken. Maar er moet uiteindelijk een (mondeling!) antwoord gegeven worden. Er mogen ook meerdere antwoorden gegeven worden. Als leraar ga je vervolgens doorvragen. “Waarom is dat zo erg?” “Kun je nog iets ergers bedenken?” “En wat gebeurt er als er nog iets ergers gebeurt?” “En wat gebeurt er dan met jou?” “En dan?” “En wat gebeurt er dan?” “En waarom is dat erg?” Enzovoort. Door eindeloos door te vragen relativeer je de angst, maar neem je de leerling ook serieus.
3. Zodra de leerling zelf die denkstappen maakt en daardoor zelf leert te relativeren, zal de faalangst afnemen. De angst voor de angst is namelijk altijd groter dan de angst zelf en de enige manier om daar doorheen te breken is door de angst hardop te benoemen.
Succes!

FAQ voor invallers

FAQ voor invallers

Kijk, dat vind ik nou leuk: een e-mail van een invaljuf die tegen bepaalde dingen aanloopt en graag tips wil om te weten hoe zij er beter mee om kan gaan. Ik kan me zo voorstellen dat zij niet de enige is! Daarom deze week:

FAQ voor invallers

  1. Hoe om te gaan met zeer tijdelijke collega’s?
    • Geef ze allemaal een hand, herhaal hun naam en stel jezelf voor.
    • Als je vaker op die school wil invallen, ga dan in de pauze bij ze zitten en klets mee. Stel veel vragen.
    • Wordt vriendjes met de leraren in de lokalen naast je en bespreek wat je kunt doen met leerlingen met moeilijk gedrag. Wat zijn de regels op de school? Mag je leerlingen even bij de buren parkeren?
  1. Soms vragen collega’s hoe het gaat om vooral te horen dat ze niets extra’s hoeven te doen. Hoe kan je dan reageren?
    • Maak duidelijk dat je komt invallen, maar dat je de school en de leerlingen nog niet zo goed kent. En dat je echt niet zonder hun hulp kunt. Maar zegt ook dat je alles doet wat je kunt. Zorg voor een proactieve houding.
    • Zeg dat je de school uit de brand komt helpen, zodat de leerlingen niet verdeeld hoeven te worden.
    • Stel gewoon de vragen die je wilt stellen. Wees brutaal! Ze mogen blij zijn dat je er bent.
    • En als er steeds mensen jouw lokaal komen binnenlopen om te vragen hoe het gaat, spreek dan met de leerlingen dat jullie met z’n allen dan heel hard gaan zwaaien en uitroepen: “het gaat goed!” Oefen dit wel met de leeringen.
  1. Wat doe je met haperende digiborden en onjuiste codes?
    • Met een beetje mazzel heb je van te voren de checklist voor invallers uitgeprint en doorgelopen. Dan zou het kunnen zijn dat je in ieder geval de juiste codes hebt.
    • Zorg dat je in ieder geval (papieren) lessen hebt, zodat je in ieder geval les kunt geven.
    • Zet jouw regels op een poster die je op kunt hangen, evenals een dagprogramma.
    • Wijs één leerling aan als digibord-assistent. Die mag jou maximaal 3 minuten helpen. Als het niet lukt: pech. Dan blijft het bord uit. Maak in dat geval foto’s van de whiteboards, maak ze schoon en gebruik ze als schoolbord. Aan de hand van de foto kun je aan het eind van de dag alles er weer opzetten wat erop stond.
    • Bij digitale methodes wordt het een kwestie van improviseren. Doe niet wat je niet kunt doen.
    • Neem snelle beslissingen, kom zeker over. Zodra jij gaat twijfelen, wordt het onrustig in de klas. Voorkom dat. Jij bent de baas.
  1. Wat je kun je met leerlingen doen die jouw dag ernstig verstoren? Zelfs al bij kleuters!
    • Ook hier geldt: sta stevig in je schoenen. Doe wat jij wilt!
    • Vat het nooit persoonlijk op. Leerlingen zijn geprogrammeerd om jou uit te proberen.
    • Leerlingen die het “goed” doen geef je heel veel complimenten. Benoem specifiek wat ze goed doen,
    • Je neemt de leerlingen die je les verstoren onmiddellijk apart en je vertelt (duidelijk en positief gesteld) hoe jij het wilt hebben. Je zegt ook dat je weet dat die leerling dat kan.
    • Zodra de leerling het ook “goed” doet, geef je een groot compliment: “zie je wel! Je kunt het!”
    • Als je leerling je toch nog gaat uitproberen, gaat de ladder in werking:
  2. Je stuurt een boze blik. Eventueel met handgebaar.
  3. Je zet de leerling even apart en vertelt wanneer hij weer mag laten zien dat ie het kan.
  4. Je geeft de leerling straf.
  5. Je zet de leerling buiten de klas (zorg dat je van te voren weet waar).
  1. Moet je wel of niet de directeur begroeten bij binnenkomst op een nieuwe school.
    • Ja! Behalve als deze druk af afwezig is.
    • Belangrijker is: de conciërge en ander OOP. Wordt daar hele dikke vrienden mee!

Vergeet niet: het is geen recept of wet van Meden en Perzen… als je op je gevoel afgaat, gaat het meestal goed!

Wil je de online cursus volgen “Invallen in het PO?” Klik dan hier.

Succes! en veel plezier met het verder lezen van de Sterk Nieuws

Oja… goede voornemens ?

Oja… goede voornemens ?

Heb jij, net als ik, een lijstje met goede voornemens opgesteld? Met dingen die je eigenlijk anders wilt in dit mooie nieuwe jaar? Met doelen voor jouw eigen ontwikkeling? Met doelen voor jouw klassen? Ga je ook doelen opstellen met je leerlingen? Zodat zij ook goede voornemens hebben (of krijgen)? Of laat jij jouw leerlingen hun eigen doelen en goede voornemens formuleren?

Wat is er eigenlijk met jouw goede voornemens voor 2017 gebeurd? Heb je je er aan gehouden? Of ben je  vergeten welke het ook alweer waren?

Hoe komt het eigenlijk dat het zo moeilijk is om je aan goede voornemens te houden? Om de doelen die je gesteld hebt te behalen? Daar kunnen verschillende redenen voor zijn:

  1. Eigenlijk wil je dit doel helemaal niet bereiken. Er is misschien wel een goede reden voor om je gedrag te veranderen (bijvoorbeeld: minder snoepen en meer sporten is goed voor je gezondheid), maar diep in je hart ben je misschien wel dol op snoep en heb je een hekel aan sporten. Dus zodra je de kans krijgt om jouw huidige “wel snoepen niet sporten-patroon” in stand te houden, grijp je die kans en is jouw goede voornemen als sneeuw voor de zon verdwenen.
  2. Jouw doel is te groot. Jouw doel is onoverzichtelijk, je weet niet waar je moet beginnen en je ziet er als een berg tegenop.
  3. Anderen vinden jouw doel stom, of geloven al bij voorbaat dat jouw doel onhaalbaar is. Of ze dat hardop uitspreken, maakt niet uit; zodra jij het gevoel hebt dat anderen dat vinden is het voor jou eigenlijk al een gepasseerd station.
  4. Je hebt wel een leuk doel gesteld, maar je weet helemaal niet waarom je dit doel zou bereiken. Je hebt geen idee wat het jou voor voordeel kan opleveren. Je zou het kunnen doen om een ander een plezier te doen, of omdat jouw directeur zegt dat het moet. Maar als je voor jezelf al hebt besloten dat het een zinloos doel is, is het moeilijk om je er aan te houden. Denk bijvoorbeeld aan het maken van groepsplannen of het bijhouden van je administratie op een bepaalde manier.

Deze vier redenen (en er zijn er vast nog meer…) kunnen jou van jouw goede voornemen afhouden. Dan verandert er niets aan jouw gedrag. Maar als je jouw gedrag wel wilt veranderen, dan kan het helpen om de volgende vier tips toe te passen op bovenstaande redenen:

  1. Je gaat bij je jezelf na waarom je dit doel niet wilt bereiken. Wat levert het jou op om te snoepen en niet te sporten? Wat heb je er aan? Vind je snoep gewoon lekker en houd je niet van sporten? Bedenk dan een tussenweg. Kun je het houden bij 1 snoepje per dag op een vaste tijd? Kun je een sport bedenken die je wel leuk vindt? Of kun samen met iemand afspreken om te gaan sporten en af te spreken hoe vaak per maand je een les mag missen? Kortom: ga goed na wat je eigenlijk wel wilt en hoe je dat kunt bereiken op een manier waar jij zelf blij van wordt.
  2. Je schrijft jouw einddoel op en daar onder noteer je wat er allemaal moet gebeuren om dat einddoel te bereiken. Dat zijn de tussenstappen, of beter: tussendoelen. Je zorgt ervoor dat die stappen allemaal zo klein mogelijk zijn. Makkelijk te halen, enkelvoudig en in weinig (of in korte) tijd. Die tussenstappen zet je op juiste volgorde. En vervolgens plan je die kleine stapjes in, in je agenda en/of op een afvinkoverzicht. Met data en deadlines.
  3. Bedenk voor jezelf hoe belangrijk het voor jou is om dit doel te bereiken. Is dat belangrijker dan wat anderen van jouw doel vinden? Dan kun je met jezelf afspreken dat je gewoon begint en op een bepaalde datum beslist of je er mee door wilt gaan. Zet die datum in je agenda. Blijkt het helemaal geen belangrijk doel voor jou te zijn? Dan gaat tip 1 voor jou in werking. Of tip 4.
  4. Bedenk hoe je dit doel voor jou wel belangrijk kunt maken. Vervang het woord “moeten” door “willen”. Wat is daar dan voor nodig? Kun je iets bedenken waardoor “groepsplannen” of “administratie” voor jou wel goede acties zijn? Heb je er nu te weinig tijd voor? Of snap je niet waarom je dit zou moeten (of willen) doen? In dat geval is het handig om te gaan praten met degene die jou de opdracht heeft gegeven. Vraag naar de reden waarom. Vraag hoe je het zou kunnen doen zonder dat je er tijd voor hebt. Kortom: vraag om hulp! En mocht je het eng vinden om hulp te vragen: bedenk dan wat er gebeurt als je niets doet. Als je zeker weet dat niemand jou erop gaat aanspreken, dan heb je geen reden om je gedrag te veranderen en dan blijft alles zoals het was. Maar als je in de stress schiet bij het idee, dan kan dat een reden zijn om om hulp te vragen, of om je gedrag vanuit jezelf te veranderen.

Succes!

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

Een rustige kerstweek in de klas

Een rustige kerstweek in de klas

Hoe zorg je ervoor dat die laatste week voor de kerstvakantie rustig verloopt?
In die laatste week is er een overvloed aan prikkels (afgezien van de dennennaalden en de piek), kerstdiners, galafeesten, bijna vakantie en zelf kijk je ook reikhalzend uit naar je laatste werkdag van dit jaar.
Er is een manier om ervoor te zorgen dat deze week rustig verloopt, zonder al te veel gedoe en sfeer-verpestende incidenten.

1. Houd je programma aan. Vervang een paar lessen door kerstactiviteiten, maar hoe meer je afwijkt van de dagelijkse gang van zaken, hoe onrustiger de leerlingen zullen worden.
2. Stel doelen met de leerlingen. Wat willen (= eigenlijk “moeten”) ze nog af hebben… deze les, deze dag, deze week?
3. Zorg voor voldoende rustmomenten. Ontspanningsoefeningen, meditatie, yoga, massage, rustige muziekjes, hele moeilijke kleurplaten (waar je eisen aan stelt)… zonder praten of lopen.
4. Zorg dat de leerlingen zich focussen aan het begin van iedere les. Doe een concentratieoefening, laat ze bedenken waar in hun hoofd ze het geleerde op gaan slaan en houd de focus gedurende de hele les vast door kort te praten en een actieve houding te eisen.
5. Vertel steeds weer opnieuw hoe het programma van de dag is en zorg dat er ruimte is voor vragen over de onderdelen die afwijken van het gewone programma. Leerlingen kunnen heel onzeker zijn over het verloop van een optreden of andere activiteit zonder dat jij dat merkt.

Ik wens jou en jouw leerlingen een rustige laatste week, een vrolijk kerstfeest en een heerlijke vakantie.

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

<a href=”https://www.bloglovin.com/blog/14773605/?claim=qzq98g7hshd”>Follow my blog with Bloglovin</a>

Orde Houden in de Klas

Orde Houden in de Klas

Orde houden is soms best ingewikkeld. Het is absoluut te leren en je moet voor ogen houden dat jij jouw manier van orde houden moet uitproberen en oefenen. De aanhouder wint, in dit geval (en ik kan het weten…).

Er zijn twee redenen waarom je de orde verliest:
1. Je pakt het onhandig aan. Je didactiek is niet in orde, je legt niet goed uit, je spreekt een leerling verkeerd aan
2. Je laat het er bij zitten:
a. Je voelt je niet verantwoordelijk
b. Je denkt dat je er geen last van hebt
c. Je durft geen grenzen te stellen
d. Je weet niet goed wat je moet doen
e. Je weet wel wat je moet doen, maar je kunt het (nog) niet
f. Je bent bang om het nog erger te maken

In het eerste geval is het belangrijk om serieus te luisteren naar de signalen uit de klas. Je leerlingen zijn dan waarschijnlijk in opstand gekomen, omdat jij iets verkeerd, of onhandig hebt aangepakt. In dat geval helpt dit stappenplan:
1. Leg de les stil en vertel je leerlingen dat je serieus naar ze zult luisteren, en dat je daar hun hulp bij nodig hebt.
2. Jij vertelt de regels en de procedure (en daar houd je de leerlingen aan).
3. Je inventariseert de “klachten” en vraagt om serieuze (!) oplossingen.
4. De oplossingen inventariseer je ook.
5. Je kiest de oplossing(en) die voor jou werken en je vraagt commitment aan de leerlingen door hun hand op te laten steken.
6. Je gaat verder met de les (als daar nog tijd voor is…).

In het tweede geval is er sprake van een ordeprobleem. Hier is het belangrijk om na te gaan wat jij wilt. Pas als je dat op een rijtje hebt, kun je verder:
1. Welke regels vind jij echt belangrijk?
2. Wat mogen de leerlingen beslist niet?
3. Wat verwacht jij van de leerlingen?
4. Wat verwachten de leerlingen van jou?
5. Wat kunnen de leerlingen verwachten als zij zich niet aan het voorgaande houden?
6. Hoe kun je alle regels en afspraken positief stellen (zonder in gemopper en “geniet” te vervallen)?
Als je antwoorden hebt op deze vijf vragen, dan kun je die aan de leerlingen vertellen. En ze vragen om zich hier aan te committeren. En dan kun je opnieuw beginnen.
En hoe zorg je dat je de orde vasthoudt?
1. Je loopt zelf rustig door de klas en je hebt ogen in je rug.
2. Je grijpt onmiddellijk in zodra iemand jouw orde verstoort. Je gooit een boze blik, spreekt de dader onder 4 ogen aan, of je complimenteert de leerlingen die doen zoals jij het wilt.
3. Je goochelt met aandacht: humor is het toverwoord!
Het is in ieder geval heel belangrijk om consequent te zijn en te blijven. In het begin kost dat veel geduld en steeds opnieuw beginnen. Want leerlingen zijn a. gewoontedieren en b. snel afgeleid…

Ik wens je succes en veel vasthoudendheid!

Wil je de SterkNieuws nu verder lezen? Klik dan HIER.

Invallen in het Speciaal Onderwijs

Invallen in het Speciaal Onderwijs

Invallen in het Speciaal Onderwijs (of in een klas met veel zorgleerlingen) is een vak apart. Er zijn een aantal zaken waar je rekening mee moet houden. Ik zet ze hier op een rijtje:

  1. Bekijk van te voren de website van de school. Ook als je pas ‘s morgens wordt gebeld. Het is belangrijk om te weten welke regels op de school gelden, welke visie of missie er is en om te weten op welke wijze het onderwijs is georganiseerd.
  2. Zorg dat je goed contact maakt met de leerlingen. Sta bij de deur en kijk ze allemaal in de ogen. Zo kom je er snel achter welke leerlingen je in de klas hebt en of ze zin hebben in een dag met jou.
  3. Houd je aan de regels in de klas en in de school. Houd je aan die regels, ook al sta je er niet helemaal achter.
  4. Zoek in de klassenmap naar beschrijvingen van de leerlingen. Zo weet je snel met welke afspraken, medicijnen, ziektes, stoornissen enzovoort je rekening moet houden.
  5. Maak aantekeningen op je plattegrond over deze beschrijvingen.
  6. Begin met het uitspreken van jouw verwachtingen. Verwacht dat de leerlingen zich aan de regels houden; ook bij jou, en spreek alles hardop uit. Laat de leerlingen commitment geven aan de regels en de wijze waarop jij werkt, door een hand op te laten steken. Zo zie je meteen wie met je mee gaat werken.
  7. Vertel voldoende over jezelf (met veel humor) zodat de leerlingen weten wie jij bent en waar je van houdt. Zorg bijvoorbeeld voor een powerpointpresentatie met foto’s.
  8. Wijs meteen een “personal assistent” aan, die jou gaat helpen met alles. Waar liggen de spullen? Hoe doet de eigen leraar A of B? Laat je niet afleiden door opmerkingen van andere leerlingen.
  9. Wees consequent en duidelijk. Nee is nee en ja is ja. Laat je niet van je stuk brengen.

Veel plezier! Klik HIER om de SterkNieuws verder te lezen.

Eis 100% van je leerlingen!

Eis 100% van je leerlingen!

Je kent waarschijnlijk het boek “Teach like a Champion” van Doug Lemov wel. Ik vind het een van de beste onderwijsboeken die er zijn en ik leer mijn cursisten altijd graag over de technieken die er in staan. Het is namelijk geen gewoon leesboek, maar een praktijkboek. Als je ergens tegenaan loopt in de klas, dan zoek je in het boek welke techniek(en) je zou kunnen gebruiken en vervolgens ga je die techniek(en) toepassen in je klas. Het werkt in alle vormen van onderwijs en voor alle leeftijden.

Het mooie is dat je er ook je eigen vorm aan kunt geven. Als het maar werkt voor jou in jouw klas. Heb je het boek nog niet? De nieuwste versie is te koop bij de CED-groep. Vind je het boek te duur? Dan kan je bij mij een samenvatting van de oude versie opvragen, dan mail ik die naar je toe. Ik heb zowel de gewone versie als de versie voor de onderbouw van het PO.

Een van de belangrijkste onderwerpen van TLAC is “Eis 100%”. Met deze technieken houd je je leerlingen altijd bij de les, weet je zeker dat ze allemaal betrokken zijn, opletten, nadenken en een antwoord geven.

Ik zet hier zeven tips over op een rij:

  1. Werk met het beurtenbakje; een beker met ijslollystokjes met de leerlingnamen erop. Leerlingen steken geen vingers op, maar je trekt een stokje uit de beker en de leerling met de naam op het stokje krijgt de beurt. Je doet het stokje weer in de beker, zodat er een kans is dat dezelfde leerling weer een beurt krijgt. Zo blijven alle leerlingen alert. Zo kun je ook groepjes maken. En je kunt de stokjes manipuleren, door een andere naam te zeggen.
  2. Laat alle leerlingen antwoorden. Hardop.
  3. Als een leerling het antwoord niet weet, dan zeg je: “ik kom bij je terug”. En als een andere leerling het goede antwoord heeft gegeven kom je terug bij de eerste leerling, die dan alsnog het goede antwoord moet geven. Dit moet je trouwens wel met de leerlingen oefenen.
  4. Als een leerling het antwoord niet geeft, geef je net lang hints tot de leerling het juiste antwoord geeft.
  5. Laat leerlingen altijd antwoorden in hele zinnen.
  6. Vertel bij alle opdrachten precies waar de antwoorden aan moeten voldoen. Denk aan aantal woorden, interpunctie, spelfouten enzovoort.
  7. Maak de leerlingen duidelijk dat de lessen leuker en interessanter worden als iedereen actief meedoet. De tijd gaat ook sneller.

Ik wens je veel succes en plezier!

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan hier….