Tagarchief: leraar

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar; hier lees je het verhaal van de tweede winnaar: het verhaal van LK.

Er was eens een verlegen, stil en onzeker jongetje van 17 jaar. Hij was het zo ontzettend beu dat hij zo verlegen, stil en onzeker was, dat hij er zich dag in, dag uit aan ergerde. Hij durfde niet voor zichzelf op te komen en liet zich makkelijk ondersneeuwen. Hij was ontzettend perfectionistisch, om maar gezien te worden door anderen en hun verwachtingen waar te maken. Van dat alles wilde hij af, hij wilde het durven om zichzelf te zijn in alle situaties en niet alleen bij een paar mensen bij wie hij zich op zijn gemak voelde. Dat jongetje was ik.

Mijn gevoel gaf me aan dat het tijd was voor verandering. Voor ontwikkeling. Om mezelf zo veel en zo snel mogelijk te kunnen ontwikkelen, stelde ik me het doel een opleiding te gaan volgen die mij de grootst mogelijke uitdaging leek. Dat was de lerarenopleiding natuurkunde. Niet omdat ik het leuk vond (integendeel) of omdat ik er goed in was. Maar voor mijn eigen persoonlijke ontwikkeling. Nu ik daar achteraf op terugkijk, vind ik het ontzettend bijzonder dat ik dat op die leeftijd al wist.

Het is dan ook een understatement als ik zeg dat het niet altijd makkelijk was. Ik ben mezelf vaak en hard tegengekomen. Ik heb mezelf meerdere keren afgevraagd waarom ik dit ook alweer deed en of ik dit wel kon. Maar het was nodig dat ik mezelf confronteerde met mijn kunnen en niet kunnen om mijzelf verder te kunnen ontwikkelen. Wat was het zenuwslopend en wat heb ik me vaak gefrustreerd dat dingen niet gingen zoals ik ze wilde, want ik had een duidelijk doel voor ogen en was vastbesloten dat te halen. Ik ben echter altijd blijven geloven dat ik het kon, ondanks de tegenslagen die ik onderweg tegenkwam. Want ik heb hard moeten werken, als je kijkt waar ik vandaan kwam. Ook dit jaar ben ik mezelf weer tegengekomen en wist ik weer waar ik stond. En ook toen was ik nog altijd vastbesloten dat ik mijn doel zou halen. Het moest en zou zo zijn. En nu…. is het gelukt. Het gevoel wat me overvalt bij het schrijven van deze alinea is niet in woorden te beschrijven.

Ik ben nu 22 jaar en in het schooljaar 2017-2018 ben ik student in de afrondende fase van de studie tot leraar natuurkunde van de 2egraad. Een mond vol. Mijn afrondende stage liep ik in combinatie met een baan, waarbij ik aanvankelijk gestart ben met een aanstelling voor 0,6 fte. In mijn stageperiode gaf ik de eerstemaanden les aan twee havo-3 klassen, een mavo-2 klas en drie klassen havo-2. Dit bleek al snel véél te hoog gegrepen, ik had gruwelijk onderschat welke ervaring en vaardigheden het zelfstandig draaien van klassen vraagt. Ik ben erg geschrokken van de weerslag die dit had. Het vroeg namelijk meer dan ik toen aan niveau en ervaring had, waardoor ik vooral aan het overleven was in plaats van dat ik mezelf kon ontwikkelen. In oktober constateerden mijn begeleiders en ik dat het zo niet verder kon, het was zowel voor de klassen als voor mijzelf niet meer verstandig om verder te gaan. Het was een lastige keuze, maar in overleg met mijn begeleiders en leidinggevenden was de beslissing gemaakt: ik ging in aanstelling terug door drie klassen over te dragen aan collega’s. Dit vond ik aanvankelijk erg moeilijk, maar nadat dit gedaan was kon ik me weer vol richten op mijn ontwikkeling naar startbekwaam docent. Dit ging dan ook sneller: de vrijgekomen tijd investeerde ik in mijn ontwikkeling.

Ik had een lange weg te gaan, maar ik was vastbesloten dit doel te halen en ben hard aan de slag gegaan. Eerst heb ik gewerkt aan mijn interpersoonlijke competentie door mijn rol als leider te nemen. Ik heb mijn klassenmanagement aangescherpt door een regelsysteem in te voeren en écht daadwerkelijk consequent te handelen (wat ik daarvoor niet deed), ik ging meer werken aan de relatie met de klassen door gesprekken te voeren en de interactie aan te gaan met leerlingen, in plaats van alleen mijn werkwijze op te dringen aan leerlingen (dat deed ik in de eerste periode, omdat ik alleen maar dacht aan de lesstof die af moest en daarin in een tunnelvisie belandde). Toen mijn lessen ordelijk verliepen, kwamen er steeds meer succesmomenten en merkte ik dat ik verder kon met andere leerpunten. Ik ben toen meer activerende didactiek en samenwerkend leren gaan inzetten in mijn lessen. Ik heb hier erg veel mee geoefend en probeerde iedere week tenminste één nieuwe werkvorm uit. Leerlingen vonden dit erg fijn, dit was volgens hen “tenminste een keer wat anders dan altijd luisteren”. Niet gezegd dat dit altijd gelijk goed ging, maar doordat ik dezelfde les 3 keer kon geven (parallelklassen) had ik ook de mogelijkheid om de les tussendoor aan te passen. Zo rond december was ik gewend op school, voelde ik me er erg op mijn gemak en dat werkte zich ook door naar de lessen. Zo ontstond er in alle klassen een fijne taakgerichte en veilige sfeer, waarbij er toch ook ruimte was voor humor.  Dit zorgde ervoor dat ik mijn nauwgezette regelsysteem wat meer los kon laten en meer orde kon houden volgens mijn eigen leiderschapsstijl: duidelijk verwachtingen uitspreken naar leerlingen en wat meer gebruik maken van de band met de klas om samen de orde te handhaven. Hiermee ben ik tot het moment van schrijven nog steeds bezig, omdat ik merk dat je je kan blijven ontwikkelen in dit zogenoemde ‘pedagogische tact’. Verder heb ik bij veel collega’s lesobservaties gedaan, meer gebruik gemaakt van practica in zowel demonstratievorm als in leerlingvorm, heb ik geëxperimenteerd met differentiëren, formatief toetsen en Flipping the Classroom en heb ik voor mijn afstuderen een methode bedacht om leerlingen het vak natuurkunde te laten begrijpen. Het mooie van het onderwijs vind ik dat je jezelf altijd kan blijven ontwikkelen als persoon en professional.

Het papiertje wat ik straks ontvang is mooi, maar het achterliggende doel dat ik mezelf stelde heb ik gewoon gehaald… kippenvel overvalt me. Ik kan het nog niet helemaal beseffen. Ik had dit nooit verwacht. Vaker dan op twee handen te tellen is, ben ik emotioneel thuis gekomen en dacht ik dat ik het niet kon. Maar ik ben altijd doorgegaan, en nu is het gelukt. Nu wil ik dit doorgeven aan anderen. Ik zie van die stille jongetjes (en meisjes) in de klas en die hoop ik te inspireren. Want 5 jaar geleden… was ik net als zij.Het is voor het merendeel van de leerlingen zo, dat het vak natuurkunde niet makkelijk is. Het vergt een groot stuk capaciteit, inzet en doorzettingsvermogen. Ik heb in voorgaande jaren van veel mensen gehoord dat ze het vak niet leuk of zelfs verschrikkelijk vinden, puur en alleen omdat zij het te moeilijk vonden. Maar als ik nu aan mijn leerlingen vraag wat ze van het vak vinden, geven ze aan dat ze de les leuk vinden! Sommige leerlingen zeggen zelfs dat ze uitkijken naar de lessen en één leerling… die wil nu ook NaSk leraar worden. Om stil van te worden.

Ik durf te zeggen dat ik een sociaal experiment heb uitgevoerd met mezelf als proefpersoon. De uitkomst van het experiment is voor mij een eye-opener en een levensles die ik nooit ga vergeten: als je intensief aan jezelf werkt, heb je er de rest van je leven voordeel van. Als ik het niet had gedaan, was ik nog steeds verlegen geweest. Nu ben ik die stap voorbij, en staat de wereld aan mijn voeten. Nu ik dit schrijf, vind ik het wél leuk wat ik doe. Meer dan leuk. Het geeft een grote mate van voldoening, omdat ik anderen kan helpen die in de fase zitten waar ik toen in zat. Ik ben er goed in geworden én ik groei er nog steeds in door. Die keuze van toen en mijn doorzettingsvermogen onderweg is iets waar ik ontzettend dankbaar voor ben. Niets is onmogelijk voor hen die willen.

Ik heb aan mezelf bewezen dat ik dingen kan waar ik nooit van dacht dat ik ze kon bereiken. Mijn doel is bereikt. Mijn verhaal is af. Nu kan ik verder. Ik ben er klaar voor.

LK

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar: hier lees je het verhaal van de eerste winnaar van de schrijfwedstrijd. Het verhaal van JM.

Wat vooraf ging

Ik loop bloednerveus heen en weer tussen de auto en de school. Natuurlijk ben ik veel te vroeg. Want te laat zijn voor een proefles, dat is geen optie. Eindelijk kan ik de school ingaan zonder dat ze mij vragen om nog even te wachten op een stoeltje in de gang. Hoe de proefles verloopt? Ik kan het werkelijk niet zeggen. Alsof een ander de les gegeven heeft en ik in het publiek zat. Met bomen van kerels voor mij, waardoor ik de helft niet kon zien. Na de proefles sta ik een sigaret te roken met de directeur. ‘Maak je geen zorgen’, zegt hij. ‘Jij krijgt die baan wel.’

Mijn eerste dag als leraar

Ik kom uit een boerengebied en woon nog maar net in de grote stad. Ik fiets naar de wijk waar de school staat. Eigenlijk weet ik niks van deze buurt. Eind van de dag heb ik de betekenis van het woord ‘achterstandswijk’ geleerd.

Eén van de eerste mensen die ik ontmoet, heeft lang, dun haar. Dat haar zit gedraaid in een soort knot met een stokje erdoor. Het is een warme dag. Met een soort microvezeldoekje wrijft ze het zweet uit haar gezicht. Ik weet nog dat ik dacht: Wat een superschool, dat ze deze ruimte ook gebruiken als een soort sociale werkplek! Direct daarna stelt ze zich voor als mijn nieuwe collega en IB-er van de school. Eén van de laatste mensen die ik ontmoet is nu, naast mijn man en kinderen, een liefde van mijn leven. Die eerste ontmoeting, ze komt binnen met een gitaar in haar handen, haar blik open en oprecht, markeert het begin van een diepe vriendschap.

En dan mijn klas. Op en top ingericht. Alles tot in de puntjes voorbereid. Daar hebben wat uren zomervakantie ingezeten. Mijn domein. Ik sta bij de deur. Eén voor één druppelen de kinderen binnen. Namen onthouden is nooit mijn sterkste kant geweest. In dit geval blijkt namen correct uitspreken ook niet een kwaliteit te zijn die ik bezit. Arme Edah (spreek uit als Edda). Haar naam heb ik nog lang uitgesproken als de supermarktketen, die op elke straathoek in mijn oude omgeving te vinden was.

We beginnen met een kringgesprek. ‘Vertel over je vakantieavonturen’, zeg ik enthousiast. En avonturen krijg ik te horen! Een vader die al de hele vakantie vastzit. Hij was betrokken bij een gewelddadige beëindiging van iemands leven. ‘Het was zelfs op het nieuws!’ Een vader die ook is opgepakt. Gelukkig zat hij niet lang vast. De televisie die hij bovenop zijn schoonmoeder wilde gooien was per slot van rekening misgegooid. Toch wordt er ook wat geraakt vandaag. Tijdens het kringgesprek vliegt een baksteen door de ruit. Ik schrik buitensporig dramatisch. ‘Rustig blijven voor de kinderen’, zeg ik nog tegen mijzelf. ‘Jij hebt een voorbeeldfunctie.’  Maar de kinderen zijn rustig. Ze maken zich klaar voor de pauze.

Mijn eerste dag als leraar rook ik een sigaretje achter het fietsenhok. Natuurlijk wel nadat ik collega gevraagd heb om de pleinwacht over te nemen. Verantwoordelijk ben ik echt wel.

Als ik weer binnenkom,  zit de klas braaf te luisteren naar diegene die voor de klas staat. Maar wacht even…ik moet voor de klas staan! En ik sta er niet. Wie er wel staat, is de moeder van Annie. ‘Als één van jullie het in zijn rotkop haalt om mijn Annie te plagen, dan weet je nu met wie je dan te maken krijgt!’ klinkt het door de deur. Met die ouderbetrokkenheid zit het wel goed, denk ik bij mezelf.

We sluiten de dag af met een gymles. Dat betekent een loopje naar het gymlokaal vijf minuten verderop. Dan klinkt er een sirene. Een politieauto rijdt de stoep op en twee agenten lopen naar een huis. Ze kloppen op de deur en stormen naar binnen. Terwijl ik met verbazing en een behoorlijke dosis angst toekijk, lopen de kinderen zonder blikken of blozen door. ‘Drugsinval’, mompelt er één.

En nu 17 jaar later

Ik vind in een doos een klassenfoto van deze groep. Ik sta er als jong meisje tussen. Ik ben bijna niet te onderscheiden van de rest. Ik kijk terug op een geweldig eerste jaar. Wat heb ik veel geleerd! En wat heb ik veel geïnvesteerd! Avonden doorwerken, vakanties op school, werken aan en in je klas met Wimbledon op de achtergrond. En wat heb ik er veel voor gekregen. Liefdevolle kinderen die allemaal willen leren. Ouders, met soms andere belangen en interesses, maar met hart voor hun kind. Collega’s met wie ik veel heb kunnen sparren, proberen en ontdekken. En waar ik vooral mee heb kunnen lachen.

Die sigaret is inmiddels al lang verdwenen. Maar de warme herinnering gloeit nog steeds na!

Het was ook in deze klas, dat ik een taalles gaf die ging over beroepen. Halverwege steekt één leerling haar vinger op en vraagt: ‘Juf, wat voor werk doe jij eigenlijk?’

JM

Kleren maken de Leraar

Kleren maken de Leraar

Jaren geleden werkte ik op een asielzoekersschool. Aan het begin van het schooljaar kwamen er altijd “snuffelstagiaires” van de opleiding tot onderwijsassistent. Mijn laatste stagiaire heette Samira. Op haar eerste dag was het buiten bloedheet en binnen een sauna. Een veel voorkomend euvel in het onderwijs… platte daken en geen airco.

Samira was een jaar of 16. Ze keek me nauwelijks aan en gaf me een slap handje. Ze droeg een naveltruitje (incl. navelpiercing) met decolleté en een heel kort rokje. Ik had een groep van 18 leerlingen tussen de 10 en de 14 jaar, waarvan meer dan de helft jongens. Ik heb Samira vriendelijk verzocht om terug naar huis te gaan en zich om te kleden. Ze haalde beledigd haar neus op en vertrok. Ik heb haar nooit meer gezien.

Dat een naveltruitje (met of zonder piercing) met decolleté en kort rokje geen handige combinatie is op een school, klinkt heel logisch. Ook niet in een andere klas. Maar eigenlijk zijn er best veel kledingstukken waar je wel over kunt discussiëren: “Kan het wel of kan het niet?”

– korte broek (dames en heren);
– geen BH (tot welke cupmaat?);
– spaghettibandjes;
– decolletés (hoe diep is acceptabel?);
– rok boven de knie (waar ligt de grens?);
– sandalen;
– slippers;
– blouses die bij bepaald licht min of meer doorzichtig zijn;
– zichtbare piercings (m.u.v. oorbellen);
– zichtbare tatoeages.

Met warm weer lijkt het logisch om je luchtig te kleden. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat je dat automatisch doet; zonder er bij na te denken. En laten we eerlijk zijn: op de meeste scholen is het meteen bloedheet bij warm weer. Bovendien: de meeste leerlingen kijken helemaal niet op van een juf of meester in korte broek of op sandalen.

Aan de andere kant: als leraar heb je een voorbeeldfunctie. En volgens mij zit het zo: één van de manieren om een bepaalde status uit te dragen, is het dragen van statusverhogende kleding. In het onderwijs wordt veel geklaagd over het feit dat “de leraar van zijn voetstuk is gevallen”.  Het dragen van representatieve kleding kan bijdragen tot de terugkeer van de leraar op het bijbehorende voetstuk. Denk maar aan advocaten en artsen; zonder net pak, toga of doktersjas zouden wij hen veel minder serieus nemen.

Dus ja: ik vind dat je je netjes moet kleden als je voor de klas staat. (Ook als onderwijsassistent, trouwens). Dat betekent dat je je uiterlijk dus moet controleren voor je naar school gaat. Stel  jezelf de volgende vragen als je ’s morgens voor de spiegel staat:

  1. Zou ik dit ook aandoen als ik op vakantie ben?
  2. Zie ik eruit als iemand die serieus genomen gaat worden door iemand die eigenlijk weinig respect heeft voor gezag?
  3. Zie ik iets waar iemand op school misschien wel over zou kunnen vallen?

Bij twijfel doe je meteen iets anders aan, want kleren maken de leraar!

Faalangst bij leerlingen

Open

Faalangst bij leerlingen

Het lijkt wel of er steeds meer leerlingen in onze klassen zitten die lijden onder faalangst. Bang om af te gaan. Bang om fouten te maken. Bang om iets verkeerds te zeggen. Waar komt dat toch vandaan?

Zijn het de ouders die steeds hogere eisen stellen?
Is het “de maatschappij” die vindt dat iedereen perfect moet zijn?
Worden er teveel toetsen afgenomen?
Zijn wij het, de leraren, die teveel druk leggen op onze leerlingen?
Of is het misschien een aangeboren afwijking; een gemuteerd gen?

Flauwekul natuurlijk, die laatste twee. Maar ook bij de bovenste drie kun je je afvragen of het wel waar is. Maar eigenlijk gaat het niet over de oorzaken. Waar het omgaat is hoe jij er mee omgaat in de klas. Want een leerling met faalangst kan oprecht heel ongelukkig zijn. En daar hebben wij leraren last van. Want wij willen dat onze leerlingen gelukkig zijn. Maar wat kun je er aan doen, als leraar? Je kunt een leerling met faalangst natuurlijk op een cursus doen. Maar ook in de klas kun je een leerling van zijn of haar faalangst afhelpen.

Het begint bij aandacht. Er zijn leerlingen die geen faalangst hebben, maar een tekort aan aandacht. Het is belangrijk om allereerst het juiste onderscheid te maken tussen die twee. Leerlingen met een tekort aan aandacht moet je alleen aandacht geven op andere, positieve punten. Als je dat consequent doet en de aanstellerij van de leerling afkapt en verder negeert, dan zul je zien dat de faalangst als sneeuw voor de zon verdwijnt.

Leerlingen met echte faalangst kun je op de volgende manier helpen:
1. De leerling moet zich bewust worden van het moment waarop de faalangst toeslaat. Je moet de leerling aanleren om op dat moment een teken te geven. Dan kan bijvoorbeeld door iets op tafel te zetten. Dan weet jij dat je iets moet doen: vragen stellen en doorvragen.
2. Vervolgens moet je de eerste vraag stellen aan de leerling. Niet hardop in de klas, maar altijd onder vier ogen en steeds weer opnieuw zodra de leerling het teken van faalangst geeft. Deze eerste vraag is: “Wat is het allerergste dat kan gebeuren als je nu faalt?” De leerling mag daar best even over nadenken. Maar er moet uiteindelijk een (mondeling!) antwoord gegeven worden. Er mogen ook meerdere antwoorden gegeven worden. Als leraar ga je vervolgens doorvragen. “Waarom is dat zo erg?” “Kun je nog iets ergers bedenken?” “En wat gebeurt er als er nog iets ergers gebeurt?” “En wat gebeurt er dan met jou?” “En dan?” “En wat gebeurt er dan?” “En waarom is dat erg?” Enzovoort. Door eindeloos door te vragen relativeer je de angst, maar neem je de leerling ook serieus.
3. Zodra de leerling zelf die denkstappen maakt en daardoor zelf leert te relativeren, zal de faalangst afnemen. De angst voor de angst is namelijk altijd groter dan de angst zelf en de enige manier om daar doorheen te breken is door de angst hardop te benoemen.
Succes!

Vastgeplakt achter je bureau!

Vastgeplakt achter je bureau!

Ken jij hem al? De onzichtbare barrière tussen jou als leraar en jouw leerlingen? De grens die ontstaat als jij achter je bureau zit en de leerlingen met hun neus recht naar jou toe zitten? Soms lijkt het net alsof er een slagboom tussen jullie inzit. Of een muur, met of zonder prikkeldraad er bovenop. Dat hangt dan weer van de sfeer af…

Ik zie het minstens één keer per week: de leraar zit achter het bureau. Vastgeplakt. Soms staat de leraar vooraan in de klas, bij het bord. Maar meestal gaat de leraar meteen na de instructie weer zitten. Op de veilige stoel. Achter de muur die het bureau vormt.

De leerlingen zijn al of niet aan het werk, letten wel of niet op… maar op de een of andere manier is het altijd onrustig. Dan kijkt de leraar verstoord op, roept een naam door de klas, moppert even en kijkt of de leerling weer aan het werk gaat.

Soms gaat de leerling weer aan het werk. Maar meestal volgt er nog een opmerking, al dan niet brutaal. Bijna iedereen kijkt op. En met een beetje pech volgen er opmerkingen van andere leerlingen, gevolgd door een boze leraar, gegiechel van enkele meiden, nog meer opmerkingen en niemand werkt meer. Iedereen kijkt naar de leraar…. Met een beetje geluk krijgt de leraar ze weer aan het werk, met een beetje pech escaleert de boel en/ of stuurt de leraar net de verkeerde de klas uit.

In het nagesprek zegt de leraar tegen mij: “dit is altijd een drukke klas”. En ik zeg: “het is jouw schuld dat ze zo druk zijn”. Tja. Ik ben nogal direct.

Deze leraar hoeft maar één ding te doen: WEG achter dat bureau. Rondlopen. Ogen in de rug ontwikkelen. Leerlingen zachtjes, onder vier ogen aanspreken.

Haal die slagboom omhoog. Breek die muur af. Haal het prikkeldraad weg. Loop door de klas. Heel simpel. Gewoon doen.

Heb je zin om nog meer te leren over orde houden? Kijk dan eens hier.

orde-houden

Waarom hebben ze nu weer een onvoldoende?

Waarom hebben ze nu weer een onvoldoende?

Een paar weken geleden was ik in een klas waar een slecht gemaakt proefwerk werd nabesproken. Het proefwerk was niet moeilijk geweest, de docent snapte er niks van.
De leerlingen mopperden.
De docent deed haar best om de moed erin te houden. “Kom op jongens, over twee weken is de herkansing en als jullie nu goed meedoen, dan gaan jullie allemaal een voldoende halen.”
Het gemopper verstomde. Een beetje. En alle leerlingen deden echt hun best om actief mee te doen.
Maar het ging al gauw mis.
De docent las de eerste vraag voor en gaf vervolgens het juiste antwoord.
Een leerling riep: “ja, maar dat bedoelde ik ook! Het staat er toch? En toch heb je me daar geen punten voor gegeven!”
Het werd weer onrustig in de klas. De docent keek een beetje wanhopig rond en wist blijkbaar niet wat ze nu moest doen. Ze zei: “Oké. Als je een individuele vraag hebt, dan mag je na afloop van de les even bij me komen.”
Na afloop van de les bleven alle leerlingen zitten. Ze hadden allemaal een individuele vraag. Ze wilden er punten bij. Want de vraag was onduidelijk gesteld. Of de docent had hun antwoord niet goed begrepen. De docent besloot contact op te nemen met de teamleider, want ze wist niet zo goed wat ze hier mee moest.
De conclusie van de teamleider was, dat de meeste leerlingen de vragen niet goed hadden gelezen. De vragen bestonden uit lange, samengestelde zinnen. Sommige vragen konden anders geïnterpreteerd worden.  De docent had het proefwerk niet zelf gemaakt. Alle parallelklassen hadden hetzelfde proefwerk gemaakt, maar niet in alle klassen zo slecht als bij haar. En de docent had het proefwerk wel nabesproken, maar niet vóórbesproken. En daar zat de crux.

Als je wilt dat je leerlingen een voldoende halen voor een proefwerk, dan kunnen de volgende tips je helpen:

  1. Neem de tijd om (belangrijke) proefwerken voor te bespreken.
  2. Deel een “proef-proefwerk” uit en maak het klassikaal, interactief.
  3. Leer je leerlingen samengestelde zinnen goed lezen.
  4. Laat de leerlingen steeds hardop bedenken: “Wat wordt hier precies gevraagd?”
  5. Laat je leerlingen hun ogen dicht doen en zich inbeelden dat ze in de toekomst zijn. Dat ze hier over een paar weken weer zitten en een voldoende hebben gehaald voor hetzelfde proefwerk.
  6. Laat de leerlingen hun ogen opendoen en vervolgens in tweetallen bedenken wat ze nodig hebben om het proefwerk goed te kunnen maken.
  7. Laat leerlingen een eigen stappenplan maken om een vraag goed te kunnen beantwoorden. Samenwerken mag hierbij.
  8. Zorg dat ze dit stappenplan bij zich hebben bij de toets.
  9. Eindig met een energizer, zodat iedereen fit en vol goede moed het proefwerk kan gaan maken.
  10. Vlak voor het echte proefwerk: doe diezelfde energizer nog een keer!

Welke tips heb jij om onze leerlingen goede cijfers te laten halen? Deel ze in het commentaarveld!

Is die werkdruk echt te hoog?

Is die werkdruk echt te hoog?

Hè hè, eindelijk mag het gezegd worden: de werkdruk in het onderwijs is te hoog.

En eindelijk zijn we aan het staken. En ik hoop dat we daar mee doorgaan tot er echt iets verandert in het onderwijs. Een hoger salaris: ja. En veel meer geld voor de werkdrukverlaging dan nu is toegezegd. Want van dat beetje geld kan iedere school (heb ik ergens gelezen) 4 uur per week een conciërge of onderwijsassistent inhuren. Dat schiet lekker op (maar niet heus).

Tot  er echte veranderingen worden doorgevoerd, kun je als school ook al wat doen. Want er  zijn voorbeelden van scholen die de werkdruk en vooral ook de regeldruk onder controle hebben.

Hoe doen ze dat?

Leraren houden dat plezier als het ze lukt om te focussen op hun passie voor het onderwijs. Focussen op de dingen waar ze blij van worden in plaats van op wat ze niet bevalt of afkeuren.

Leraren blijven energiek als ze keuzes kunnen en durven maken in wat ze wel en niet doen, als ze zich eigenaar voelen van hun taken en geen ‘pion’ op een groot schaakbord. Als ze vanuit hun hart en met hun deskundige betrokkenheid prioriteiten kunnen stellen en op die manier goed voor de leerlingen en goed voor zichzelf zorgen.

Wat kan iedereen binnen de school  doen om een gunstig klimaat in jouw school te creëren?

Hier volgt de top 7 van de dingen die jullie met het hele team kunnen doen:

1.Stel prioriteiten: wat is nu belangrijk en wat kan nog even wachten?

2.Wees bewust van wat een ‘must’ is (regelgeving) en waarin je als school vrijheid hebt om zelf vorm te geven. Vraag het na! Neem niets voor zoete koek aan.

3.Wees transparant over wat de overheid vraagt en wat je als school, vanuit je onderwijsvisie wilt.

4.Maak ruimte om aan teamgeest te werken. Heb het leuk met elkaar.

5.Kies bewust voor een paar jaarlijkse  buitenschoolse activiteiten en lessen en schrap de rest.

6.Maak zorgen, vragen en vraagtekens bespreekbaar.

7.Last but not least: neem het serieus als het soms toch teveel is voor iemand. Zorg voor een luisterend oor, begrip en eventueel samen naar een oplossing zoeken.

Het lijkt zo simpel, maar echt, het werkt.

 

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen: ik vond het altijd erg leuk. Ik vond het zelfs een sport. Ik vroeg het me iedere keer weer af: Zou het me lukken om ook deze keer weer meer antwoorden te krijgen dan alleen:
“Ik weet het niet.”
“Ja, gewoon. Je weet wel.”
of:
” …” (= schouders ophalen)

En toch moeten onze leerlingen het leren, of ze nu willen of niet. Zelfreflectie is een belangrijke vaardigheid. Je moet inzicht hebben in je eigen leren om goed verder te kunnen leren.
Helaas is het iets dat de meeste leerlingen niet vanzelf kunnen. Niet iedere leerling krijgt dit van huis uit mee. De meeste leerlingen moeten het leren. Moeten ja! Omdat anders de achterstand (de “kloof”) nog groter wordt.

Gelukkig zijn er technieken voor die je in combinatie kunt gebruiken. Eerst één, en later de rest ook. Ik zet ze voor je op een rij:
1. Je leert een aantal standaardzinnen aan, die de leerlingen kunnen gebruiken. Dit zijn allemaal zinnen die iets zeggen over hoe zij vinden dat zij zelf iets hebben gedaan. Zorg wel dat ze ook leren wanneer ze welke zin moeten gebruiken. Je zult zien, dat ze na enige tijd (weken, maanden of jaren) weten wat ze moeten zeggen en dat er uiteindelijk meer uit komt dan alleen de standaardzinnen; ze hebben het zichzelf eigen gemaakt en weten nu pas hoe ze echt kunnen evalueren en reflecteren.
2. Je eist dat de leerlingen steeds meer zinnen gaan gebruiken om te antwoorden. In het begin neem je genoegen met één zin (de “wat”). De volgende stap is een tweede zin, waarin de leerling de “wanneer” toevoegt. Vervolgens volgen nog meer zinnen: de “hoe”, de “waarom”, enzovoort.
3. Vervolgens mogen de leerlingen de zinnen uitbreiden naar langere zinnen. Er komt dan achter iedere zin een , omdat….. of , want…

Ik weet het, het klinkt stom. Maar het is echt super-nuttig. Je maakt het leuk voor de leerlingen door er een sport van te maken, met leuke gekleurde en gelamineerde kaartjes en ze leren er ook nog iets van zinsbouw mee.

Het is me gelukt met leerlingen op en onder basisniveau van 15 jaar:
Na 3 maanden oefenen en zeuren kreeg ik eindelijk acceptabele antwoorden op mijn vraag: “Hoe kijk je terug op je stagedag van gisteren?”

Stephan: “Ik mocht voor het eerst helpen met broodjes klaar maken. Ik heb dat goed gedaan, want ik heb niet in mijn vingers gesneden. Ik was op tijd klaar. Ik heb wel een pot mayonaise laten vallen. Dat vond de baas niet leuk. Ik moest het zelf opruimen. Dan was moeilijker dan ik dacht, omdat het lang glad bleef. En dat mocht niet. Want het is gevaarlijk als mensen kunnen uitglijden in de keuken. Gelukkig is er niemand uitgegleden omdat ik het goed had schoongemaakt,”

Ik was echt supertrots.

Wil jij nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

Gelukkig Nieuwjaar!

Gelukkig Nieuwjaar!

Allereerst wens ik je natuurlijk een gezellige jaarwisseling en vooral een Inspirerend en Gelukkig Nieuwjaar.! Maar nu is het tijd om nog even terug te blikken op 2017.

Hoe was jouw jaar? heb je bereikt wat je wilde bereiken? Heb je gedaan wat je wilde doen? Ben je tevreden?

En hoe is het met jouw leerlingen? Heb je het schooljaar goed afgesloten en ben je weer goed begonnen  na de zomervakantie? Zijn je leerlingen tevreden? En hun ouders?

Zijn er afgelopen jaar dingen gebeurd die je niet voorzien had? Had je invloed op het verloop?

Wat heb je allemaal geleerd? En van welke zaken weet je nu al dat je die voortaan anders gaat aanpakken?

Wat neem je mee naar 2018?
Wat laat je achter in 2017?

loesje

Wil je nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.

Het instructieschrift: een eyeopener!

Het instructieschrift: een eyeopener!

De laatste tijd wordt er steeds meer bekend over leren leren. Tafels stampen mag weer, dyslexie is te voorkomen door veel te lezen en spelling wordt foutloos door eindeloos te oefenen. Hoe komt dat nu?

We hebben de afgelopen jaren steeds meer taken op ons onderwijsbordje gekregen. Kinderen moeten steeds meer op steeds jongere leeftijd. Daardoor zijn de eisen steeds hoger geworden. Wij moeten meer van onze leerlingen eisen en er wordt ook steeds meer van ons geëist. De samenleving is veranderd. Fijn voor de leerlingen die snel inzicht hebben in hoe ze de leerstof kunnen opslaan, hoe ze moeten leren en wat ze moeten doen om een geslaagde burger in deze maatschappij te worden.

Maar aan de andere kant vallen er steeds meer leerlingen uit. Ze kunnen niet mee in het moordende tempo van de te volle klassen met meer en meer schoolvakken. Huiswerkinstituten, bijlessen, externe toetsbureaus… natuurlijk doen ouders er alles aan om hun kind op het steeds sneller varende schip te houden. Maar er is een grens aan wat mensen kunnen.

Gelukkig komen we er langzamerhand achter dat wij er als leraren best voor kunnen zorgen dat de meeste leerlingen binnenboord blijven. Omdat we steeds meer weten hoe hersenen werken. Omdat er eindelijk onderzoek is gedaan naar wat werkt in het onderwijs. Omdat we eindelijk voor onszelf, en daarmee voor onze leerlingen, opkomen.

Waar zijn we dan eindelijk (of eigenlijk) achter gekomen? Het zijn maar 5 punten:
1. Kleuters leren meer van spelen. Terug naar het “ouderwetse” kleuteronderwijs; maar dan in een nieuw jasje. Met meer betrokkenheid van de leerlingen en een actievere houding van de leraar.
2. Leerlingen moeten meer doen, meer bewegen in de klas. Meer zingen, meer schrijven en buiten meer doen in de zin van stoeien, klimmen en rondrennen. Dat zorgt ervoor dat de hersenen meer leerstof opnemen.
3. Het is beter om te differentiëren op instructie dan op niveau. Het kost tijd en oefening, maar daardoor blijven de leerlingen bij de les en kunnen meer leerlingen meedoen met het “gewone” programma. En het scheelt zoveel tijd en gedoe als je niet aan 5 of 6 (of nog meer) groepjes apart instructie hoeft te geven.
4. Alle flauwekulvakken de wereld uit. Leuk hoor: burgerschap, gezond eten, met geld omgaan, verkeerslessen in de onderbouw… maar het neemt veel te veel tijd in beslag die in feite besteed moet worden aan goede instructies. Leerlingen hebben baat bij degelijke lessen en heel veel oefenen op het gebied van de basisvakken: taal, rekenen, lezen, schrijven en spelling.
5. Leerlingen moeten leren denken en werken in stappen. Daarvoor hebben alle leerlingen (en dat kan per vak) een instructieschrift nodig. Daarin noteren ze precies de stappen die ze moeten doen om hun schoolwerk te maken. Hoe los je som X op? Hoe gebruik je het Sexy Fokschaap? Hoe vervoeg je de Franse werkwoorden? Hoe schrijf je de letter K? Hoe zoek je een woord op in een woordenboek? Alle stappen zet jij puntsgewijs op het bord en de leerlingen nemen de stappen over in hun schrift. Wie schrijft die blijft! Leerlingen gebruiken hun instructieschrift bij het maken van de oefeningen en natuurlijk kunnen ze ook later zelf altijd opzoeken hoe ze iets moeten doen. Nooit meer vingers met “ik snap het niet”. En wie afwezig is geweest, is meteen bij nadat alle instructies zijn overgenomen (met toelichting) van een medeleerling.

Eigenlijk is het heel simpel. Het is wel een kwestie van doen. Morgen beginnen dus!

Klik HIER om de SterkNieuws verder te lezen!