JA MAAR

“Ja, maar…” is misschien wel het meest gegeven antwoord in het onderwijs.
“Ja maar… ik heb geen, ik kan niet, ik weet niet, ik doe niets, ik…”
En natuurlijk de variatie daarop: “Ja maar hij …… (of zij…)”
Het eerste woord dat je hoort is “ja”. Fijn, denk je dan. De wil is er. En nu de actie nog.
Maar ” ja maar” betekent eigenlijk NEE!
Dus die actie komt niet. Omdat er weerstand zit tussen de JA en de ACTIE. Een drempel. Een slagboom. Een muur misschien.

Hoe ga je daar mee om? Ik geef je drie mogelijkheden:

1. Als je die weerstand wilt vergroten, dan ga je in discussie. Je luistert beslist niet naar de “maar” en eist dat de actie volgt op de “ja”. Je gaat de strijd aan. En een strijd kun je winnen of verliezen.
“Geen ja, maar, gewoon doen. Nu graag. Onmiddellijk.” Blijf de leerling daarbij strak aankijken, net zolang tot het gebeurt. De leerling kan er dan voor kiezen om de weerstand uiteindelijk weg te halen. De slagboom is open.

2. Als je de weerstand wilt verkleinen of laten verdwijnen, dan luister je goed naar de “maar”. Indien nodig vraag je door en ga je in op de antwoorden. Je neemt de obstakels weg en committeert de leerling aan de actie. Je hebt de “maar” weggenomen en biedt de leerling de kans om in actie te komen. Erg handig bij het ontbreken van pennen en andere ontbrekende zaken.
“Dus als je wel een pen hebt dan kun je beginnen?” “Ja.” “Mooi, dan heb je hier een pen. Alsjeblieft. Begin maar.”

3. Je kunt de weerstand ook gewoon negeren en de verantwoordelijkheid bij de leerling leggen. Het kan zijn dat dat problemen oplevert voor andere leerlingen, dan is het zaak om die problemen voor te zijn. Duidelijke afspraken kunnen hier bij helpen.
“Oké, prima. Dan mag je het zelf oplossen. Kun jij dit zelf oplossen op een positieve manier waar iedereen mee kan leven? Fijn, ga je gang. Dan laat ik het verder aan jou.”
Als een leerling “nee” antwoord, dan grijp je terug naar optie 1 of 2.