Categorie archief: lesgeven

lesgeven

Activiteiten voor de Mentor

Activiteiten voor de Mentor

Als mentor heb je in ieder schooljaar de schone taak voor je liggen om het gehele schooljaar op nuttige wijze de mentoruren te vullen. In het begin doe je wat kennismakingsspelen en wissel je vooral ervaringen uit. De kans is echter groot dat je daar snel mee klaar bent en dat jouw leerlingen huiswerk gaan maken in jouw mentoruur. Prima natuurlijk, als er ook echt huiswerk gemaakt wordt. Maar ik zie vaak gebeuren dat het gewoon “gezellig” wordt. Leerlingen gaan kletsen, zitten op hun telefoon (want het huiswerk staat in Magister) en doen van alles…. behalve huiswerk maken.

Dus als jij het anders wilt… dan heb ik voor jou zeven mogelijke activiteiten voor de Mentor. Ze staan in willekeurige volgorde.

  1. Spellen waardoor de leerlingen elkaar echt gaan leren kennen. Bijvoorbeeld variaties op “over de streep” en “ga staan als je…”. Het begint natuurlijk bij hobby’s en huisdieren, maar later kun je ook persoonlijkere dingen vragen. Hier vind je nog meer leuke spellen voor in je klas.
  2. Maak groepjes van vier en ga aan de slag met een placematopdracht. Ieder viertal zit rondom 1 tafeltje met ieder een pen. Je zet een open vraag op het bord: bijvoorbeeld “wat zou er op school allemaal anders moeten”. De vraag kan gaan over van alles en nog wat (zelfs over de lesstof). Vervolgens krijgen de leerlingen 3-5 minuten om voor zichzelf (in stilte) het antwoord op te schrijven. Vervolgens kiest iedere groep een voorzitter. De voorzitter heeft als taak om de antwoorden van alle groepsleden te verzamelen, er vragen over te stellen en in het middelste vak een “grote gemene deler” te noteren. Daar krijgen de leerlingen 15 minuten voor. Daarna neem jij de groep weer centraal en verzamel jij de alle “grote gemene delers” van alle groepjes. En jij maakt daar weer een “grote gemene deler” van de hele klas van. Dat doe je allemaal op het bord. Deze opdracht geeft jouw veel inzicht in de leerlingen en de leerlingen leren veel van elkaar. Zorg wel dat je je strak aan de tijd houdt. De placemat kun je downloaden in de SterkNieuws.
  3. Heb het eens over huiswerk maken en het plannen voor proefwerken. De leerlingen moeten leren dat het belangrijk is om:
    1. Huiswerk op te schrijven in een planner of agenda. Plenda is een erg goede, maar prijzig. Hier vind je gratis huiswerkplanners.
    2. Niet langer dan 45 minuten achter elkaar te leren.
    3. Leer- en maakwerk af te wisselen.
    4. Water te drinken tijdens het leren.
    5. Telefoons uit te zetten: een kleine afleiding kost je 7 minuten om weer goed aan het werk te zijn.
    6. Te focussen voor je begint met leren.

Daarnaast is het belangrijk dat de leerlingen hun klachten over huiswerk en planningen (vooral van andere leraren) bij jou kwijt kunnen. Je moet wel duidelijk zijn in wat je wel en niet kunt doen om ze te helpen. Je mag ook je collega’s niet afvallen. Maar de leerlingen moeten wel jouw begrip voelen dus je moet vooral een steunend en luisterend oor zijn.

  1. Houd coachgesprekken! Doe dat één op één en geef de rest vrij (als dat kan). Bedenk wel van te voren goede, open vragen om te stellen. Hierdoor bouw je een goede band op met leerlingen. Respecteer wel openlijk hun privacy: vertel niets door en neem geen stelling. Luister goed en betrokken.
  2. Nodig gastsprekers uit. Dat kunnen mensen zijn die de leerlingen zelf bedacht hebben. Laat ze maar eens nadenken over wie ze zouden willen interviewen, of wiens verhaal interessant zou kunnen zijn. Zo had ik zelf jaarlijks een oud-verzetsstrijder te gast. Ieder jaar waren mijn leerlingen weer diep onder de indruk van het verhaal van de man.
  3. Geef les over leren leren. Hoe onthoud je de stof het beste? Oefen geheugentechnieken? Hoe slaan jouw hersenen de stof het beste op? Hier vind je veel tips.
  4. Organiseer een event met de klas. Ideeën kunnen de leerlingen uitwisselen d.m.v. de placematmethode. Het kan een feest worden, een geldinzameling, een project… het maakt niet uit, als er maar heel veel taken zijn, zodat iedereen zijn eigen bijdrage kan leveren. Zorg voor een duidelijk stappenplan, met tijd en deadlines.

Weet jij nog meer activiteiten? Reageer dan via “geef hier een reactie”.

Veel plezier!

Houd de aandacht vast van jouw leerlingen!

Houd de aandacht vast van jouw leerlingen!

Als leraar heb je de rol van presentator. Dat betekent dat je jouw leerlingen mee moet nemen in jouw verhaal. Maar hoe houd je ze geboeid? Hoe zorg je ervoor dat ze blijven luisteren? Helemaal tot het eind van jouw les?

Ik heb daar 7 tips voor:

  1. Begin aan het eind. Vertel het doel van je les; de kennis en/ of de vaardigheden die de leerlingen aan het eind gaan weten en/ of kunnen.
  2. Zorg voor een boeiende “haak”; iets wat aansluit bij de leerlingen, iets wat ze interessant vinden of waarvan je zeker weet dat ze willen weten wat het is en/ of hoe het werkt. Maak het spannend.
  3. Zorg ervoor dat je zelf niet langer dan 4 à 5 minuten achtereen praat.
  4. Vervolgens moeten de leerlingen iets doen. Iets zeggen (allemaal!), over- of opschrijven, iets uitvoeren, nadoen, enzovoort. Geef ook duidelijk aan hoeveel tijd ze daarvoor hebben. Ze moeten voldoende tijd hebben om de taak uit te voeren, maar niet zoveel tijd dat ze zich kunnen vervelen (en afhaken/ iets anders gaan doen).
  5. Laat iets zien. Een filmpje, een voorwerp, een demonstratie… Maak het spannend, zorg ervoor dat de leerlingen willen kijken, nieuwsgierig zijn.
  6. Als leerlingen toch afhaken, grijp je onmiddellijk in en haal je ze er weer bij. Dan kan met een blik, een algemene opmerking of een gebaar. Maak duidelijk dat je verwacht dat iedereen actief meedoet. Bedank je leerlingen als ze weer meedoen.
  7. Houd het tempo hoog! Als jij vertraagt, zullen je leerlingen afhaken. Ze moeten jou nèt bij kunnen houden.

Succes! Houd je leerlingen bij de les!

Geef een hele goede les

Geef een hele goede les

De eerste weken van een nieuw schooljaar is het heel belangrijk dat je je lessen heel goed voorbereid. Iedere les die je geeft moet een hele goede les zijn.

Nu kun je natuurlijk zo’n ouderwets lesvoorbereidingsformulier gebruiken, maar die zijn meestal veel te lang en moeilijk te gebruiken in de praktijk. Daarom geef ik je een stappenplan waarmee je in 7 stappen je les kunt voorbereiden en geven. Je hoeft alleen maar de antwoorden op te schrijven.

  1. Waar gaat de les over? Wat is het thema, het onderwerp?
  2. Waarom moeten jouw leerlingen dit leren? Wat moeten ze weten en/ of kunnen aan het eind van deze les? Wat is het doel van jouw les?
  3. Welke stappen moeten de leerlingen nemen (wat moeten ze precies doen en in welke volgorde) om het doel te bereiken?
  4. Hoe ziet jouw instructie eruit? Welke stappen moet jij nemen om ervoor te zorgen dat alle leerlingen precies doen (in de juiste volgorde) wat ze moeten doen om het doel te bereiken?
  5. Hoe ga je ervoor zorgen dat alle leerlingen betrokken worden én blijven bij jouw les? Hoe houd je ze bij de les?
  6. Welke voorbeelden geef jij zodat de leerlingen (begeleid) kunnen oefenen en welke opdrachten moeten de leerlingen maken om zelfstandig te kunnen oefenen (verwerken en zelfstandig werken)? Welke huiswerk hoort daarbij?
  7. Hoe ga je toetsen of de leerlingen het doel bereikt hebben en wanneer ga je dat doen?

Het is hierbij ook heel belangrijk dat je steeds aangeeft hoe de leerlingen het moeten doen. Zet op het bord aan welke eisen het werk (zowel tijdens de instructie als tijdens de verwerking en het zelfstandig werk) moet voldoen. Denk hierbij aan tijd, netjes werken, samen of alleen, wanneer moet het af zijn, in stilte of in overleg, enzovoort. Zo zorg je ervoor dat iedere les een hele goede les is.

PS Haal de “flauwekulopdrachten” die de methode ook geeft eruit als ze niet tot het lesdoel leiden en vervang deze opdrachten door jouw eigen opdrachten die wél tot het doel leiden!

Ik wens je veel plezier met het geven van de beste lessen van het jaar!

Negen dingen die je niet moet vergeten aan het begin van het schooljaar

Negen dingen die je niet moet vergeten aan het begin van het schooljaar

De eerste dag, de eerste les, de eerste week….

De eerste schooldag is altijd spannend. Alles staat klaar. Je lokaal is schoon. Alle materialen liggen in de kasten. Je lesplannen zijn gekopieerd…. En ook jouw hoofd staat op scherp. Ik sliep altijd heel slecht, de laatste nacht voor de eerste schooldag. Heb jij dat ook? Ik kan nu natuurlijk tips gaan geven voor een goede nachtrust, maar eigenlijk is dat niet nodig. Die ene slechte nacht hoort er gewoon bij en na 3 dagen is het toch net alsof je nooit vakantie hebt gehad. De waan van de dag heeft je alweer overspoeld. Mocht je toch tips willen, luister dan naar een slaapmeditatie op YouTube. Succes verzekerd ;-).

Deze eerste blog van dit nieuwe schooljaar geef ik je tips voor de eerste dag, de eerste les en de eerste week. Drie per “eerste”. Volgens mij zijn dit de meest belangrijke zaken om aan het begin van een nieuw schooljaar de toon meteen goed neer te zetten. Ik ga het niet hebben over “de Gouden Weken”. Die kennen jullie al en zo niet; Google. Dus er komen ook geen kennismakingsspelletjes (ook Google) of inhoudelijke leerlijnen op sociaal emotioneel gebied. Alleen maar basis:

Negen dingen die je niet moet vergeten aan het begin van het schooljaar

De eerste dag:

  1. Neem je ruim de tijd om de regels en routines te bespreken.
  2. Observeer je heel goed hoe de leerlingen op elkaar reageren. Als dat positief is, dan kun je in een veilige sfeer nader kennismaken, grapjes maken en spelletjes doen. Als leerlingen negatief op elkaar reageren, dan houd je vast aan structuur, streng en duidelijk.
  3. Oefen je met de leerlingen alle routines die in jouw klas nodig zijn tijdens alle lessen. Spullen pakken, uitdelen, vragen stellen, opruimen, toilet/ water, naar en op de gang lopen, het lokaal inkomen,huiswerk, Alles wat jij  nodig vindt dat de leerlingen snel kunnen op een handige manier om jouw lessen soepel te laten verlopen.

De eerste les:

  1. Vertel je meteen wat jouw doel is voor de leerlingen voor dit schooljaar. Jouw eerste les is meteen de eerste stap om dat doel te bereiken. Jouw eerste les moet heel goed zijn.
  2. Maak je duidelijk hoe de structuur van jouw lessen verloopt. Hoeveel tijd er voor alles is en wat er van de leerlingen verwacht wordt. Zorg voor zichtbaar gedrag en zet alles op een poster.
  3. Oefen jij de namen van de leerlingen en zorg je dat je erachter komt wat iedere leerling typeert en leuk vindt. Dit is het begin van een goede relatie.

De eerste week:

  1. Grijp je meteen in zodra iemand de orde verstoort. Maak het groot maar houdt het buiten de persoon. Bespreek het algemeen.
  2. Evalueer je iedere les en iedere dag. Je benoemt alleen wat goed ging en je laat de leerlingen vertellen hoe het kwam dat het goed ging.
  3. Ben je heel erg enthousiast over de school, de leerlingen, de lessen, alles! Je zet zo een hele positieve sfeer neer waardoor de leerlingen zich verheugen op het hele schooljaar. Speel toneel. Lieg desnoods “ik ga jullie vertellen waarom grammatica zo leuk is!” Overdrijf.

Ik wens jullie allemaal een heel mooi en leuk schooljaar.

Mijn eerste jaar als leraar

Mijn eerste jaar als leraar; hier lees je het verhaal van de tweede winnaar: het verhaal van LK.

Er was eens een verlegen, stil en onzeker jongetje van 17 jaar. Hij was het zo ontzettend beu dat hij zo verlegen, stil en onzeker was, dat hij er zich dag in, dag uit aan ergerde. Hij durfde niet voor zichzelf op te komen en liet zich makkelijk ondersneeuwen. Hij was ontzettend perfectionistisch, om maar gezien te worden door anderen en hun verwachtingen waar te maken. Van dat alles wilde hij af, hij wilde het durven om zichzelf te zijn in alle situaties en niet alleen bij een paar mensen bij wie hij zich op zijn gemak voelde. Dat jongetje was ik.

Mijn gevoel gaf me aan dat het tijd was voor verandering. Voor ontwikkeling. Om mezelf zo veel en zo snel mogelijk te kunnen ontwikkelen, stelde ik me het doel een opleiding te gaan volgen die mij de grootst mogelijke uitdaging leek. Dat was de lerarenopleiding natuurkunde. Niet omdat ik het leuk vond (integendeel) of omdat ik er goed in was. Maar voor mijn eigen persoonlijke ontwikkeling. Nu ik daar achteraf op terugkijk, vind ik het ontzettend bijzonder dat ik dat op die leeftijd al wist.

Het is dan ook een understatement als ik zeg dat het niet altijd makkelijk was. Ik ben mezelf vaak en hard tegengekomen. Ik heb mezelf meerdere keren afgevraagd waarom ik dit ook alweer deed en of ik dit wel kon. Maar het was nodig dat ik mezelf confronteerde met mijn kunnen en niet kunnen om mijzelf verder te kunnen ontwikkelen. Wat was het zenuwslopend en wat heb ik me vaak gefrustreerd dat dingen niet gingen zoals ik ze wilde, want ik had een duidelijk doel voor ogen en was vastbesloten dat te halen. Ik ben echter altijd blijven geloven dat ik het kon, ondanks de tegenslagen die ik onderweg tegenkwam. Want ik heb hard moeten werken, als je kijkt waar ik vandaan kwam. Ook dit jaar ben ik mezelf weer tegengekomen en wist ik weer waar ik stond. En ook toen was ik nog altijd vastbesloten dat ik mijn doel zou halen. Het moest en zou zo zijn. En nu…. is het gelukt. Het gevoel wat me overvalt bij het schrijven van deze alinea is niet in woorden te beschrijven.

Ik ben nu 22 jaar en in het schooljaar 2017-2018 ben ik student in de afrondende fase van de studie tot leraar natuurkunde van de 2egraad. Een mond vol. Mijn afrondende stage liep ik in combinatie met een baan, waarbij ik aanvankelijk gestart ben met een aanstelling voor 0,6 fte. In mijn stageperiode gaf ik de eerstemaanden les aan twee havo-3 klassen, een mavo-2 klas en drie klassen havo-2. Dit bleek al snel véél te hoog gegrepen, ik had gruwelijk onderschat welke ervaring en vaardigheden het zelfstandig draaien van klassen vraagt. Ik ben erg geschrokken van de weerslag die dit had. Het vroeg namelijk meer dan ik toen aan niveau en ervaring had, waardoor ik vooral aan het overleven was in plaats van dat ik mezelf kon ontwikkelen. In oktober constateerden mijn begeleiders en ik dat het zo niet verder kon, het was zowel voor de klassen als voor mijzelf niet meer verstandig om verder te gaan. Het was een lastige keuze, maar in overleg met mijn begeleiders en leidinggevenden was de beslissing gemaakt: ik ging in aanstelling terug door drie klassen over te dragen aan collega’s. Dit vond ik aanvankelijk erg moeilijk, maar nadat dit gedaan was kon ik me weer vol richten op mijn ontwikkeling naar startbekwaam docent. Dit ging dan ook sneller: de vrijgekomen tijd investeerde ik in mijn ontwikkeling.

Ik had een lange weg te gaan, maar ik was vastbesloten dit doel te halen en ben hard aan de slag gegaan. Eerst heb ik gewerkt aan mijn interpersoonlijke competentie door mijn rol als leider te nemen. Ik heb mijn klassenmanagement aangescherpt door een regelsysteem in te voeren en écht daadwerkelijk consequent te handelen (wat ik daarvoor niet deed), ik ging meer werken aan de relatie met de klassen door gesprekken te voeren en de interactie aan te gaan met leerlingen, in plaats van alleen mijn werkwijze op te dringen aan leerlingen (dat deed ik in de eerste periode, omdat ik alleen maar dacht aan de lesstof die af moest en daarin in een tunnelvisie belandde). Toen mijn lessen ordelijk verliepen, kwamen er steeds meer succesmomenten en merkte ik dat ik verder kon met andere leerpunten. Ik ben toen meer activerende didactiek en samenwerkend leren gaan inzetten in mijn lessen. Ik heb hier erg veel mee geoefend en probeerde iedere week tenminste één nieuwe werkvorm uit. Leerlingen vonden dit erg fijn, dit was volgens hen “tenminste een keer wat anders dan altijd luisteren”. Niet gezegd dat dit altijd gelijk goed ging, maar doordat ik dezelfde les 3 keer kon geven (parallelklassen) had ik ook de mogelijkheid om de les tussendoor aan te passen. Zo rond december was ik gewend op school, voelde ik me er erg op mijn gemak en dat werkte zich ook door naar de lessen. Zo ontstond er in alle klassen een fijne taakgerichte en veilige sfeer, waarbij er toch ook ruimte was voor humor.  Dit zorgde ervoor dat ik mijn nauwgezette regelsysteem wat meer los kon laten en meer orde kon houden volgens mijn eigen leiderschapsstijl: duidelijk verwachtingen uitspreken naar leerlingen en wat meer gebruik maken van de band met de klas om samen de orde te handhaven. Hiermee ben ik tot het moment van schrijven nog steeds bezig, omdat ik merk dat je je kan blijven ontwikkelen in dit zogenoemde ‘pedagogische tact’. Verder heb ik bij veel collega’s lesobservaties gedaan, meer gebruik gemaakt van practica in zowel demonstratievorm als in leerlingvorm, heb ik geëxperimenteerd met differentiëren, formatief toetsen en Flipping the Classroom en heb ik voor mijn afstuderen een methode bedacht om leerlingen het vak natuurkunde te laten begrijpen. Het mooie van het onderwijs vind ik dat je jezelf altijd kan blijven ontwikkelen als persoon en professional.

Het papiertje wat ik straks ontvang is mooi, maar het achterliggende doel dat ik mezelf stelde heb ik gewoon gehaald… kippenvel overvalt me. Ik kan het nog niet helemaal beseffen. Ik had dit nooit verwacht. Vaker dan op twee handen te tellen is, ben ik emotioneel thuis gekomen en dacht ik dat ik het niet kon. Maar ik ben altijd doorgegaan, en nu is het gelukt. Nu wil ik dit doorgeven aan anderen. Ik zie van die stille jongetjes (en meisjes) in de klas en die hoop ik te inspireren. Want 5 jaar geleden… was ik net als zij.Het is voor het merendeel van de leerlingen zo, dat het vak natuurkunde niet makkelijk is. Het vergt een groot stuk capaciteit, inzet en doorzettingsvermogen. Ik heb in voorgaande jaren van veel mensen gehoord dat ze het vak niet leuk of zelfs verschrikkelijk vinden, puur en alleen omdat zij het te moeilijk vonden. Maar als ik nu aan mijn leerlingen vraag wat ze van het vak vinden, geven ze aan dat ze de les leuk vinden! Sommige leerlingen zeggen zelfs dat ze uitkijken naar de lessen en één leerling… die wil nu ook NaSk leraar worden. Om stil van te worden.

Ik durf te zeggen dat ik een sociaal experiment heb uitgevoerd met mezelf als proefpersoon. De uitkomst van het experiment is voor mij een eye-opener en een levensles die ik nooit ga vergeten: als je intensief aan jezelf werkt, heb je er de rest van je leven voordeel van. Als ik het niet had gedaan, was ik nog steeds verlegen geweest. Nu ben ik die stap voorbij, en staat de wereld aan mijn voeten. Nu ik dit schrijf, vind ik het wél leuk wat ik doe. Meer dan leuk. Het geeft een grote mate van voldoening, omdat ik anderen kan helpen die in de fase zitten waar ik toen in zat. Ik ben er goed in geworden én ik groei er nog steeds in door. Die keuze van toen en mijn doorzettingsvermogen onderweg is iets waar ik ontzettend dankbaar voor ben. Niets is onmogelijk voor hen die willen.

Ik heb aan mezelf bewezen dat ik dingen kan waar ik nooit van dacht dat ik ze kon bereiken. Mijn doel is bereikt. Mijn verhaal is af. Nu kan ik verder. Ik ben er klaar voor.

LK

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Hoe zit het nou echt met het Nederlandse Rekenonderwijs?

Het stond met chocoladeletters overal in de kranten: “De rekenvaardigheid van onze leerlingen loopt terug.” Afgelopen jaar zijn op de hele wereld op scholen (PO en VO) weer de internationale toetsen afgenomen, die de ranking van het onderwijs op internationaal niveau aangeven. Voor rekenen wordt de TIMSS afgenomen; TIMSS staat voor “Trends in International Mathematics and Science Study”. Sinds 1995 wordt wereldwijd elke vier jaar de kennis van leerlingen in de exacte vakken gemeten met een internationale TIMSS-toets voor het basisonderwijs en/of het voortgezet onderwijs. Voor ons nationale onderzoek kennen we de PPON: Peilingsonderzoek van het CITO. Er worden dus 2 toetsen afgenomen bij onze leerlingen die iets zeggen over het niveau van het Nederlandse (reken)onderwijs. PPON bekijkt verschillen tussen jaargangen en TIMSS geeft een ranking aan op internationaal niveau.

Nederland zakt al 20 jaar langzaam naar beneden, bij beide onderzoeken. Hogescholen en universiteiten klagen over het rekenniveau van de studenten. Voor- en tegenstanders van expliciete directe instructie maken elkaar af op twitter. Kortom: het is de hoogste tijd dat ik er ook iets over zeg.

Helaas ben ik geen alwetend wonder, dus ik moest uitzoeken wie er nu echt verstand van heeft. En ik kwam uit bij Dr. Marian Hickendorff van de Rijksuniversiteit Leiden. Die doet onderzoek naar rekenonderwijs in Nederland. Zij had een aantal boeiende dingen te zeggen, die ik even voor jullie op een rijtje ga zetten. Puntsgewijs. Natuurlijk.

  • Sinds wij/ de methodes volgens het realistisch rekenonderwijs werken, zijn onze leerlingen beter gaan rekenen op deze gebieden: schatten, hoofdrekenen, relaties/ verbanden en procenten. Onze leerlingen hebben dus meer rekeninzicht dan ooit.
  • Onze leerlingen zijn slechter gaan presteren op het gebied van bewerkingen (optellen, aftrekken, tafels, etc.).
  • Gemiddeld scoren onze leerlingen op de PPON dus al jaren op gelijk niveau.
  • De inspectie wil onze leerlingen (ongeacht taalniveau of intelligentie) graag op bepaalde niveaus zien. Zij hebben een fundamenteel niveau vastgesteld (dus het basisniveau dat nodig is om te kunnen functioneren) en een streefniveau (dus een “hoger” niveau).
  • Meer dan 85% van onze leerlingen haalt het fundamenteel niveau en iets minder dan 50 % haalt het streefniveau.
  • Dat betekent dat onze leerlingen dus in principe goed kunnen rekenen. Die 15% is te verklaren vanuit o.a. lichamelijke en geestelijke beperkingen. Dat bijna 50% het streefniveau haalt is heel goed; dat is namelijk meer dan het aantal leerlingen dat uiteindelijk gaat studeren aan de universiteit.
  • Op internationaal niveau dalen we gestaag. We stonden eerst in de top 10, daar zijn we nu uit.
  • We weten niet of wij slechter worden in rekenen of dat de andere landen beter worden of sneller beter worden.
  • Op internationaal niveau scoren wij hoog met onze 50% basisniveau; de andere landen halen dat nauwelijks.
  • Onze sterke rekenaars scoren veel lager dan de sterke rekenaars uit andere landen. We hebben dus minder excellentie. (Hoor ik daar Sander Dekker in de verte?)
  • Hoge verwachtingen van leraren zorgen voor hogere opbrengsten.
  • Het maakt niet uit welke rekenmethode je gebruikt, als je maar weet wat je waarom doet.
  • Hoe beter de leraar is, hoe beter het rekenonderwijs is.
  • Een methode die uitgaat van realistisch rekenen werkt net zo goed als directe instructie. Het gaat erom dat de leraar er goed mee om kan gaan, het een fijne methode vindt en heel goed kan uitleggen.
  • Leraren die bijleren op rekengebied worden steeds beter en hun leerlingen scoren steeds hoger.
  • Voor leerlingen maakt het niet uit wat er gedaan of gekozen wordt, als de leraar maar goed is. Het zou kunnen zijn dat voor leerlingen met een taalachterstand directe instructie effectiever is, maar dat is niet onderzocht.
  • Leerlingen met minder zelfvertrouwen rekenen net zo goed als andere leerlingen.

CONCLUSIE: huiswerk, pre-teaching, verschillende werkvormen, directe instructie, realistisch rekenen, enzovoort… ALLES WERKT zolang de leraar het maar met passie doet.

Ik wens jou dus veel passie.

 

Leer ze schrijven!

Leer ze schrijven!
Leuk… het werken op de laptop, werken met tablets, (snappet), leren op je telefoon… de digitale wereld is helemaal geïntegreerd in ons onderwijs. Je kunt makkelijker differentiëren. En je hoeft minder na te kijken, dàt is vooral heel erg fijn. Maar…. er blijkt ook een schaduwzijde aan dit jubelfeit te zijn. Onze leerlingen kunnen niet meer schrijven! Er worden veel onnodige spellingfouten gemaakt, het schriftelijke werk is vaak onleesbaar en als er al eens geschreven moet worden, beginnen de leerlingen na één minuut al te klagen over pijn in hun hand. Dus vandaag een pleidooi om dit euvel voor eens en altijd uit de wereld te helpen: Leer ze schrijven!

Hoe doe je dat?
Want je wilt toch echt wel blijven werken met de laptop, tablets (snappet) en de telefoon.
1. Tijdens de instructie moeten er aantekeningen gemaakt worden. Alles wat jij op het bord zet, moeten ze overschrijven in hun instructieschrift. Leesbaar! (Anders moet het over…)
2. Leer de leerlingen schrijven in volledige zinnen. Bouw het op. Begin met korte zinnetjes en breidt die zinnen steeds meer uit.
3. Bouw de schrijftijd op. Eerst één minuut, de volgende keer twee minuten, enzovoort. Tot de leerlingen getraind zijn en het klagen is verstomd. Verhalen, brieven, werkstukken, betogen…
4. Kijk in het begin al het schrijfwerk na: eis 100%! Dus zonder spelfouten en in een keurig, leesbaar handschrift. Vertel van te voren wat je precies verwacht en laat ze eventuele fouten verbeteren.
5. Laat alle automatiseringsoefeningen (tafels, grammatica, toepassingen, werkwoordvervoegingen, formules enzovoort) schriftelijk maken.
6. Doe veel fijn-motorische oefeningen tussendoor. Ook leuk als energizer.
7. Pak er gewoon eens een ouderwets schrijfschrift bij. Als tussendoortje. Desnoods een oefenblad uit de jaren 50.

Belangrijk!
Vertel je leerlingen ook waarom het zo belangrijk is dat ze kunnen blijven schrijven:
1. Wie schrijft die blijft, oftewel: je onthoudt gewoon beter wat je opschrijft.
2. Schrijven zorgt er voor dat je ondertussen je gedachten kunt ordenen.
3. Ook al gaat in de toekomst alles digitaal… het is gewoon handig als je kunt schrijven. En het is nog handiger als je ook nog kunt lezen wat je geschreven hebt.

Succes!

Pak het probleem aan

Pak het probleem aan

Ik zie in klassen regelmatig gebeuren dat de meeste leerlingen niet (willen?) nadenken. Ze beginnen er niet eens aan. Ze roepen meteen “ik snap het niet!” voordat je goed en wel hebt uitgelegd wat ze precies moeten doen. Onze leerlingen zijn lui geworden. Alles moet vanzelf gaan. Ik vind dat een probleem. Als jij het ook een probleem vindt, lees dan verder…

Heb jij ook zo’n klas? Dan wordt het de hoogste tijd om gebruik te gaan maken van de “leerkuiltechniek”. Dat wil dus zeggen dat je begint met te vertellen dat het logisch is dat ze het niet snappen. Want: als ze het al zouden snappen, dan hoefden ze het niet meer te leren! Ze hebben gewoon een probleem, en problemen zijn er om op te lossen.

Dan pak je de poster er bij (zie de gratis download in de SterkNieuws) en die hang je duidelijk zichtbaar voor de klas. Projecteren op het bord is nog beter. Vervolgens leg je de denkstappen uit die horen bij de ontwikkeling van een “growth mindset”:

  1. Ik snap het niet. Ik kan het niet.
  2. Ik stop ermee, ik leer het toch nooit. Ik heb er ook geen zin in.
  3. Maar oja… ik moet het nog leren en leren gaat stap voor stap. En zin kan je maken.
  4. Leren gaat niet vanzelf, ik moet er wat voor doen. Een echte Prof doet dat.
  5. Welk talent heb ik nu nodig? In ieder geval het talent “doorzetten”, en dat is een talent dat iedereen heeft, dus ik ook.
  6. Ik geef niet op als het lastig wordt. Ik oefen net zo lang tot ik het kan. Net als een Prof.
  7. Iedereen kan slimmer worden door te oefenen en te herhalen, dus ik ook.
  8. Ik maak een plan. Ik begin bij het einddoel. Ik schrijf stap voor stap op wat ik moet doen om het einddoel te halen.
  9. Ik begin. Ik doe het stap voor stap. Als ik vastloop ga ik een stapje terug. In geval van hoge nood vraag ik om hulp.
  10. Als ik mijn doel bereikt heb ben ik trots op mezelf. En terecht. Net als een Prof.

Je vertelt een verhaal over een voorbeeld waarbij jij zelf deze stappen hebt gezet, met resultaat. Vertel ook hoe goed je je daarna voelde. Geef ook voorbeelden van een Prof. (Voetballer, zanger, danser.)

Je laat de leerlingen zelf een voorbeeld bedenken waarin zij (zelf!) resultaat hebben behaald. Je vraagt ze hoe ze dat gedaan hebben en manipuleert ze in de juiste richting van deze stappen door samenvattende vragen te stellen. Zet dat positieve gevoel bij hen: “Denk eens aan hoe goed je je toen voelde”.

Je vraagt de leerlingen hoe ze het komende probleem gaan aanpakken. En ze gaan aan de slag.

Jullie kunnen met elkaar een quote of yell bedenken die de klas steeds herinnert aan deze “leerkuiltechniek”. Herhaal die quote of yell minimaal 7 keer hardop met de hele klas. Hang de quote of yell duidelijk zichtbaar in het lokaal. Zodra iemand zegt “ik snap het niet” of “ik kan het niet”, spoor dan de hele klas aan (met een vast teken) om de quote of yell hardop te roepen.

Succes!

 

Waarom hebben ze nu weer een onvoldoende?

Waarom hebben ze nu weer een onvoldoende?

Een paar weken geleden was ik in een klas waar een slecht gemaakt proefwerk werd nabesproken. Het proefwerk was niet moeilijk geweest, de docent snapte er niks van.
De leerlingen mopperden.
De docent deed haar best om de moed erin te houden. “Kom op jongens, over twee weken is de herkansing en als jullie nu goed meedoen, dan gaan jullie allemaal een voldoende halen.”
Het gemopper verstomde. Een beetje. En alle leerlingen deden echt hun best om actief mee te doen.
Maar het ging al gauw mis.
De docent las de eerste vraag voor en gaf vervolgens het juiste antwoord.
Een leerling riep: “ja, maar dat bedoelde ik ook! Het staat er toch? En toch heb je me daar geen punten voor gegeven!”
Het werd weer onrustig in de klas. De docent keek een beetje wanhopig rond en wist blijkbaar niet wat ze nu moest doen. Ze zei: “Oké. Als je een individuele vraag hebt, dan mag je na afloop van de les even bij me komen.”
Na afloop van de les bleven alle leerlingen zitten. Ze hadden allemaal een individuele vraag. Ze wilden er punten bij. Want de vraag was onduidelijk gesteld. Of de docent had hun antwoord niet goed begrepen. De docent besloot contact op te nemen met de teamleider, want ze wist niet zo goed wat ze hier mee moest.
De conclusie van de teamleider was, dat de meeste leerlingen de vragen niet goed hadden gelezen. De vragen bestonden uit lange, samengestelde zinnen. Sommige vragen konden anders geïnterpreteerd worden.  De docent had het proefwerk niet zelf gemaakt. Alle parallelklassen hadden hetzelfde proefwerk gemaakt, maar niet in alle klassen zo slecht als bij haar. En de docent had het proefwerk wel nabesproken, maar niet vóórbesproken. En daar zat de crux.

Als je wilt dat je leerlingen een voldoende halen voor een proefwerk, dan kunnen de volgende tips je helpen:

  1. Neem de tijd om (belangrijke) proefwerken voor te bespreken.
  2. Deel een “proef-proefwerk” uit en maak het klassikaal, interactief.
  3. Leer je leerlingen samengestelde zinnen goed lezen.
  4. Laat de leerlingen steeds hardop bedenken: “Wat wordt hier precies gevraagd?”
  5. Laat je leerlingen hun ogen dicht doen en zich inbeelden dat ze in de toekomst zijn. Dat ze hier over een paar weken weer zitten en een voldoende hebben gehaald voor hetzelfde proefwerk.
  6. Laat de leerlingen hun ogen opendoen en vervolgens in tweetallen bedenken wat ze nodig hebben om het proefwerk goed te kunnen maken.
  7. Laat leerlingen een eigen stappenplan maken om een vraag goed te kunnen beantwoorden. Samenwerken mag hierbij.
  8. Zorg dat ze dit stappenplan bij zich hebben bij de toets.
  9. Eindig met een energizer, zodat iedereen fit en vol goede moed het proefwerk kan gaan maken.
  10. Vlak voor het echte proefwerk: doe diezelfde energizer nog een keer!

Welke tips heb jij om onze leerlingen goede cijfers te laten halen? Deel ze in het commentaarveld!

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen

Evalueren en reflecteren met leerlingen: ik vond het altijd erg leuk. Ik vond het zelfs een sport. Ik vroeg het me iedere keer weer af: Zou het me lukken om ook deze keer weer meer antwoorden te krijgen dan alleen:
“Ik weet het niet.”
“Ja, gewoon. Je weet wel.”
of:
” …” (= schouders ophalen)

En toch moeten onze leerlingen het leren, of ze nu willen of niet. Zelfreflectie is een belangrijke vaardigheid. Je moet inzicht hebben in je eigen leren om goed verder te kunnen leren.
Helaas is het iets dat de meeste leerlingen niet vanzelf kunnen. Niet iedere leerling krijgt dit van huis uit mee. De meeste leerlingen moeten het leren. Moeten ja! Omdat anders de achterstand (de “kloof”) nog groter wordt.

Gelukkig zijn er technieken voor die je in combinatie kunt gebruiken. Eerst één, en later de rest ook. Ik zet ze voor je op een rij:
1. Je leert een aantal standaardzinnen aan, die de leerlingen kunnen gebruiken. Dit zijn allemaal zinnen die iets zeggen over hoe zij vinden dat zij zelf iets hebben gedaan. Zorg wel dat ze ook leren wanneer ze welke zin moeten gebruiken. Je zult zien, dat ze na enige tijd (weken, maanden of jaren) weten wat ze moeten zeggen en dat er uiteindelijk meer uit komt dan alleen de standaardzinnen; ze hebben het zichzelf eigen gemaakt en weten nu pas hoe ze echt kunnen evalueren en reflecteren.
2. Je eist dat de leerlingen steeds meer zinnen gaan gebruiken om te antwoorden. In het begin neem je genoegen met één zin (de “wat”). De volgende stap is een tweede zin, waarin de leerling de “wanneer” toevoegt. Vervolgens volgen nog meer zinnen: de “hoe”, de “waarom”, enzovoort.
3. Vervolgens mogen de leerlingen de zinnen uitbreiden naar langere zinnen. Er komt dan achter iedere zin een , omdat….. of , want…

Ik weet het, het klinkt stom. Maar het is echt super-nuttig. Je maakt het leuk voor de leerlingen door er een sport van te maken, met leuke gekleurde en gelamineerde kaartjes en ze leren er ook nog iets van zinsbouw mee.

Het is me gelukt met leerlingen op en onder basisniveau van 15 jaar:
Na 3 maanden oefenen en zeuren kreeg ik eindelijk acceptabele antwoorden op mijn vraag: “Hoe kijk je terug op je stagedag van gisteren?”

Stephan: “Ik mocht voor het eerst helpen met broodjes klaar maken. Ik heb dat goed gedaan, want ik heb niet in mijn vingers gesneden. Ik was op tijd klaar. Ik heb wel een pot mayonaise laten vallen. Dat vond de baas niet leuk. Ik moest het zelf opruimen. Dan was moeilijker dan ik dacht, omdat het lang glad bleef. En dat mocht niet. Want het is gevaarlijk als mensen kunnen uitglijden in de keuken. Gelukkig is er niemand uitgegleden omdat ik het goed had schoongemaakt,”

Ik was echt supertrots.

Wil jij nu de SterkNieuws verder lezen? Klik dan HIER.