Over lidwoorden…

Over lidwoorden…

Over lidwoorden… Ik weet niet wat het is maar als ik heel eerlijk ben erger ik mij groen en geel aan het gebruik van ‘de’ in plaats van ‘het’ door leerlingen en zelfs door onderwijsassistenten.

De meisje
Die verhaal

En het valt me ook op dat er in klassen nauwelijks gecorrigeerd wordt door leraren.

Is dat omdat het ‘zielig’ wordt gevonden om leerlingen te corrigeren? Er is toch niks mis met het verbeteren van fouten? Laat leerlingen in volledige, correct Nederlandse zinnen spreken. Eis 100%. Dat lijkt mij de enige manier om leerlingen de Nederlandse taal goed bij te brengen. Voordoen, herhalen, herhalen en herhalen.

Of zijn wij in Nederland onderweg naar een nieuwe taal, waarin het niet meer uitmaakt welk lidwoord je gebruikt? Ik weet het niet en ik weet niet of het een goede of een slechte ontwikkeling zou zijn, maar ik ben er voorlopig voor om het in ieder geval goed aan te leren.

Hoe doe je dat?

Bij ons op school hingen in alle lokalen (en ook op de gang) lidwoordposters. Op die lidwoord posters stonden 2 plaatjes, gewoon in zwart/wit. Een plaatje van een neus, met daarnaast “de neus” geschreven en een plaatje van een oor, met “het oor” ernaast.

Als een leerling het verkeerde lidwoord gebruikte, wezen wij naar de poster. We zeiden verder niets. De leerling wist dan dat hij het verkeerde lidwoord had gebruikt en corrigeerde zichzelf. Vervolgens gaven we een compliment.

Wij hadden dat zo afgesproken binnen ons team en alle leerlingen waren er van op de hoogte.

En het werkte.

 

 

 

Stuur ze er maar uit!

Stuur ze er maar uit!

Ken je deze al?
De directeur tegen de invaller: “Stuur ze er maar uit!”
De leraar tegen de klas: “Wie ik nu nog hoor, kan vertrekken!”
De leraar tegen de leerling: “Ga er maar uit! Er uit!!!”

Het is een veel voorkomende consequentie van ongewenst gedrag: eruit sturen. En heel eerlijk gezegd… ik weet niet meer hoeveel ik eruit heb gestuurd in meer dan 30 jaar, maar het zouden er best wel honderd kunnen zijn. Ik heb het niet bijgehouden. Ik wou dat ik dat wel had gedaan, eigenlijk. Achteraf. Ik had dat anders moeten aanpakken, maar ik wist toen nog niet hoe.

Ik zie het nu ook nog steeds gebeuren, als ik achter in de klas zit. Soms ben ik het er mee eens; het kan niet anders, de leerling heeft de verkeerde keuze gemaakt en de consequentie was van tevoren duidelijk. Maar meestal snap ik er niets van. Dan is de leraar het zat, schiet uit zijn slof en stuurt er eentje uit. Zomaar. Dat zegt zo’n leerling dan ook vaak: “waarom?” En vervolgens ontstaat er een strijd, is er een hoop gedoe en is de lestijd om. Zonde. Ik ken leerlingen die volgens mij meer tijd op de gang hebben doorgebracht dan in het klaslokaal. Waarom doen we dat? We sturen leerlingen er uit onmacht uit. Eruit sturen is een noodgreep als je niet weet wat je moet doen. Je bent de regie kwijt. En dat terwijl je als leraar te allen tijde de regie moet houden. Eruit sturen moet een consequentie zijn voor ongewenst gedrag waar een hoop stappen voor zitten. En waar voldoende redenen voor moeten zijn. Onmacht is een slechte reden.

Welke redenen zijn er wel?
1. De leerling heeft een grens overschreden waar geen discussie over mogelijk is. Verbaal of fysiek geweld. Discriminatie. Schelden. Vechten. Dergelijk dingen. Daar is geen waarschuwing mogelijk. Wegsturen is de enige optie.
2. Een leerling is een zo grote stoorzender, dat de andere leerlingen onmogelijk kunnen doen wat ze moeten doen. Je stuurt de leerling eruit om andere leerlingen te beschermen. Er zitten wel stappen voor.
3. Een leerling kiest ervoor om door te gaan met het ongewenste gedrag, ondanks de volgende stappen:

Wat zijn de stappen als een leerling iets doet wat niet mag?
1. Nonverbaal corrigeren. Een blik, langslopen, een gebaar…
2. De leerlingen die goed meedoen een compliment geven.

  1. De leerling onder vier ogen aanspreken op het gedrag. Je benoemt het gedrag en zegt dat je verwacht dat de leerling de keus maakt om gewenst gedrag (en dat benoem je specifiek) te tonen. Je zegt: “dank je wel” en je loopt weg.
  2. Je geeft één waarschuwing, waarin je vertelt dat de leerling kiest voor de consequentie (nl: eruit gestuurd worden) als hij er voor kiest om iets anders te doen wat jij wilt. En jij benoemt duidelijk welk specifieke gedrag je wilt zien.
  3. Natuurlijk is niet alle ongewenst gedrag een keus. Maar het helpt als je de leerling het idee geeft dat hij of zij wel een keuze heeft. Je moedigt de leerling aan om de juiste keuze te maken.

En dan maakt de leerling een verkeerde keuze. Je stuurt hem eruit. Zorg ervoor dat je rustig blijft, duidelijk vertelt wat hij nu moet gaan doen en wanneer hij weer terug mag komen: geef dus een duidelijke tijd aan. Laat de leerling zelf de tijd bijhouden, anders moet je daar ook nog op letten.

Besteedt verder geen tijd en aandacht aan deze leerling. Ga niet in op discussies of uitstelgedrag. Ga gewoon door met je les.

Als de leerling weigert te vertrekken dan kun je:

  1. Zeggen: “Wat fijn dat je er toch voor gekozen hebt om te blijven en mee te doen met de les. Ga zitten, pak je pen en schrijf over wat er op het bord staat.”
  2. Een andere leerling vragen om hulp te halen.
  3. Wachten en helemaal niets zeggen. Alleen maar stevig staan en de leerling aankijken. Armen over elkaar.

Zorg ervoor dat je later altijd de relatie met de leerling weer herstelt. Maak ook afspraken over hoe de leerling de volgende keer het (zichtbare) gewenste gedrag wel kan vertonen.

Toon begrip, maar stel je normen duidelijk. Vertel hoe jij wilt dat het gaat en laat de leerling vertellen hoe hij dat gaat doen.

Functioneringsgesprek? Ga ervoor!

Functioneringsgesprek? Ga ervoor!

Op de meeste scholen worden functioneringsgesprekken gevoerd. Op alle scholen wordt dat anders geregeld.

Een functioneringsgesprek heeft een andere functie dan een beoordelingsgesprek. Het is zaak om daar alert op te zijn.

Op de site van de AOB staat het als volgt omschreven:
Ken het doel van een functioneringsgesprek
Er bestaat veel onduidelijkheid over het verschil tussen een functioneringsgesprek en een beoordelingsgesprek. Beide gesprekken zijn onderdeel zijn van een cyclus en vinden jaarlijks plaats, maar het doel is anders. Een functioneringsgesprek is een gestructureerd tweerichtingsverkeer-gesprek tussen jou en je leidinggevende. Jullie bespreken de huidige werkpraktijk om knelpunten op te sporen. Voor de geconstateerde problemen bedenk je samen oplossingen en daarover maak je afspraken. Het functioneringsgesprek is dus toekomstgericht. De verbetering staat centraal.

Soms krijg je van te voren een formulier met vragen, of een lijstje met onderwerpen.
Soms is er van te voren een klassenbezoek waar je wordt geobserveerd.
Soms krijg je alleen een datum en een tijd door en moet je maar afwachten wat de onderwerpen zullen zijn.

Soms is degene waar je het gesprek mee hebt ook degene die jou (als je starter of invaller bent) begeleidt. Dat is eigenlijk geen goede zaak; jullie hebben dan allebei twee petten op. In dat geval zou je kunnen vragen of je je functioneringsgesprek met iemand anders mag hebben.

In alle gevallen: ga ervoor! Maak er een leuk gesprek van.

Of je nu invaller bent of vaste kracht, de volgende tips kunnen je helpen.

  • Maak van te voren twee lijstjes. Een met dingen die je heel erg leuk vindt in je werk en een met zaken waar je niet blij mee bent. Als je tweede lijstje langer is dan het eerste, zal je je moeten afvragen of je hier wel wilt blijven werken. De uitkomst daarvan is van invloed op het gesprek dat je hebt.
  • De dingen die je leuk vindt, kan je allemaal noemen. Doe dat met enthousiasme!
  • De zaken die je niet leuk vindt, kun je omzetten in “wensen”. Tijdens je gesprek vraag je dan of er mogelijkheden zijn om die wensen te vervullen. Zo zorg je voor een positieve insteek.
  • Spreek vanuit jezelf en niet over, of namens anderen.
  • Je mag je kwetsbaar opstellen, zolang je er een leerdoel aan koppelt. Zo laat je zien dat je je bewust bent van je tekortkomingen, maar dat je er aan werkt.
  • Alles waar je goed in bent, mag je ook zeker benoemen. Geef daar voorbeelden bij.
  • Als je alleen maar kritiek over je heen krijgt, vraag dan a. om voorbeelden en b. vraag wat volgens hem/ haar wel goed gaat.
  • Krijg je geen functioneringsgesprek? Vraag erom.

Succes!

Rommelpiet

Rommelpiet

Weer eens een verhaal met een opgeheven vingertje. Dit verhaal gaat over Sven. Sven is 9 jaar en zit in groep 6. Leuke jongen om te zien, kan goed mee op school, heeft vriendjes, zit op voetbal. Je ziet het niet aan hem, maar hij heeft toch wel wat “dingetjes”.

  1. Hij kan heerlijk wegdromen. Het is dan net alsof hij niet luistert naar wat je vertelt. En dan blijkt later dat hij je best wel heeft gehoord. Maar als je ernaar vraagt, dan kan hij maar moeilijk herhalen wat je verteld hebt.
  2. Bij de gymles en het buitenspelen maakt hij andere leerlingen er steeds weer attent op dat ze zich aan de regels moeten houden.
  3. Hij kan enorm netjes op zijn spullen zijn. Opruimen is ook echt opruimen. Dingen rechtzetten, boeken precies op de hoek van de tafel. En tegelijkertijd is hij slordig op zijn spullen. Raakt dingen kwijt.
  4. Als er een invaller komt, schiet hij meteen in de weerstand. Ook al is de andere juf nog zo aardig tegen hem, hij kan alleen maar nors en boos reageren. Hij snapt zelf niet waarom.
  5. Sommige dingen kan je vijf keer uitleggen, maar dan snapt hij het nog niet. En dat terwijl hij best heel slim is.
  6. Hij kan soms opmerkingen maken waar hij zelf heel hard om moet lachen. Maar de andere kinderen snappen de grap niet, of vinden de grap ronduit beledigend.
  7. Hij is echt heel erg eigenwijs. Hij weet alles beter.

Sinterklaas is weer in het land. En Sven is bang. Niet voor Sinterklaas of Zwarte Piet; daar gelooft hij niet meer in. Maar om wat er vorig jaar gebeurde. Vorig jaar, in groep 5 had de juf op een middag een uurtje te tijd gegeven om met z’n allen de hele klas op te ruimen. Alle laadjes, alle kasten, alle planken. Sven vond het heerlijk. Zijn eigen laadje was zo klaar. Alles in de tas mee naar huis, papieren in de papierbak, laadje lekker leeg. Hij mocht daarna de biebkast opruimen. Sven haal de alle boeken eruit, maakte de kast schoon en zette alle boeken op AVI-volgorde terug. De juf gaf hem een compliment. Sven was zo trots en de ruimte in de klas gaf hem een heel goed gevoel.

Toen Sven de volgende ochtend met hetzelfde gevoel de klas instapte, sloeg de schrik om zijn hart. De rommelpiet was geweest. Zijn bureau stond op zijn kop. En erger nog; de biebkast was helemaal leeggehaald en alle boeken lagen verspreid door de klas. En Sven barstte in huilen uit. De andere kinderen keken hem raar aan en lachten hem uit.

Sinterklaas op school geeft Sven nu een naar gevoel. Hij wil dat het gewoon weer januari is. Zonder rare feestdagen en rommelpieten.

Misschien heb jij ook wel een Sven in de klas. Denk dan twee keer na over hoe je de feestdagen organiseert. Niet alle leerlingen houden van verrassingen. En ja: Sven moet er wel mee leren omgaan. En dat kan jij regelen. Door Sven steeds op de hoogte te houden van alle veranderingen die hij kan verwachten. Wennen en meenemen werkt beter dan in het diepe gooien. Van een trauma wordt tenslotte niemand blij.

Waar zijn de inlogcodes?

Waar zijn de inlogcodes?

In het onderwijs hebben we steeds vaker codes nodig. Voor het digibord, de PC, de methodes, snappet… en we moeten ook nog eens opnieuw inloggen omdat er iets uitvliegt. En door de privacywet veranderen de codes ook steeds, zodat oude codes niet meer werken.

Dit is vooral een probleem voor invallers. Soms zijn zo lang bezig om iemand te vinden die de juiste codes heeft, dat ze nauwelijks tijd hebben om zich even in te lezen in de klassenmap.

Daarom deze week: tips voor iedereen om de inlogcodes te vinden.

  1. Voor leraren: vrijwel iedere klas heeft zijn eigen klassenmap. Zorg ervoor dat op het eerste blad de codes staan en zorg er vooral voor dat ze up to date zijn. Zet er ook bij waar de codes voor zijn en wanneer je ze nodig hebt. Maak een schema in excell of in een tabel, zodat het goed leesbaar is.
  2. Op scholen: zorg ervoor dat een persoon alle gegevens heeft. Het is handig als dat bijvoorbeeld een OOP-er is. De ICT- coördinator is immers niet altijd beschikbaar.
  3. Voor invallers: bel van te voren (een dag eerder of ’s morgens, meteen nadat je bent gebeld om in te vallen) en vraag of iemand de codes klaar kan leggen.
  4. Voor ICT-coördinatoren: zet in je agenda dat iedereen de oude inlogcodes moet vervangen door de nieuwe. Als iedereen het in zijn systeem heeft, hoeft je ook niet meer te controleren of iedereen dat gedaan heeft.
  5. Voor directies/ teamleiders: zorg voor back-upcodes, zodat iedereen altijd overal in kan. Handig is een (gratis) account van ClassroomScreen of een schoolaccount van Gynzy. Dan kunnen invallers en gastdocenten in ieder geval met het digibord werken.

Ik wens jullie veel succes!

PS: HIER kun je alvast mijn nieuwe VLOG beluisteren, over werkdruk.

Pak de orde terug in vijf stappen

Pak de orde terug in vijf stappen

Het is mij best wel vaak gebeurd. Dat ik een klas heb waar het wel aardig loopt. Er zitten wel wat stoorzenders tussen de lieverdjes van leerlingen, maar die weet ik over het algemeen best in het gareel te houden. Meestal gaat het prima met mijn orde in de klas.

Maar dan gebeurt het. HET. Ik ben moe of sjaggerijnig of wat dan ook en in ieder geval niet alert. En ik reageer verkeerd op een leerling. Ik maak een verkeerde opmerking, kijk de verkeerde kant op, of mijn hele houding is gewoon FOUT. En ik voel de orde als zand tussen mijn vingers wegglijden.

Ik probeer dan nog krampachtig te redden wat er te redden valt, maar meestal lukt het niet, is het een kwestie van de les uitzitten en volgende les opnieuw proberen. Het fijne is dat dat ook lukt, omdat leerlingen je altijd weer een nieuwe kans geven. En als je dan zelf alert bent (en uitgeslapen en vrolijk) dan is het net alsof die vorige les nooit geweest is.

Eén keer deed ik iets compleet anders dan anders. En dat werkte echt supersnel; ik had de orde binnen no time terug. Ik heb er vijf stappen van gemaakt die ik hier met jou deel:

  1. Ik ging op een andere plek staan; achter in het lokaal en vroeg de leerlingen op zachte toon om hun spullen op te ruimen en even naar me te luisteren. Ik keek daar heel ernstig, bezorgd bij. Omdat ik iets onverwachts deed, luisterde iedereen redelijk snel. De leerlingen moesten zich omdraaien en waren daardoor met mij bezig en niet meer met elkaar.
  2. Ik stond heel stevig in de grond. Ik haalde een paar keer diep adem en keek omhoog. Dat gaf me nieuwe energie. Ik keek alle leerlingen een voor een aan.
  3. En ik bood mijn excuses aan voor het verstoren van de orde.
  4. En ik stelde de leerlingen voor de keuze. Degenen die geen zin meer hadden in deze les mochten (in stilte) hun huiswerk gaan maken. Degenen die de les nog wel wilden volgen, mochten naar mij luisteren. Twee leerlingen wilden door met de les. De rest ging aan het werk. Ik had de orde terug. Binnen tien minuten deed iedereen weer mee met de les.
  5. Na afloop bedankte ik de leerlingen voor hun coöperatie.

Maak hier je eigen variatie op; je eigen stappenplan.

  1. Zorg voor (echte) afleiding.
  2. Geef jezelf aarde en energie.
  3. Bied je excuses aan.
  4. Geef de leerlingen de keus. Wel een keus die als vanzelf stilte (en geen geloop door de klas) vereist.
  5. Bedank je leerlingen, of geef ze een compliment.

Activiteiten voor de Mentor

Activiteiten voor de Mentor

Als mentor heb je in ieder schooljaar de schone taak voor je liggen om het gehele schooljaar op nuttige wijze de mentoruren te vullen. In het begin doe je wat kennismakingsspelen en wissel je vooral ervaringen uit. De kans is echter groot dat je daar snel mee klaar bent en dat jouw leerlingen huiswerk gaan maken in jouw mentoruur. Prima natuurlijk, als er ook echt huiswerk gemaakt wordt. Maar ik zie vaak gebeuren dat het gewoon “gezellig” wordt. Leerlingen gaan kletsen, zitten op hun telefoon (want het huiswerk staat in Magister) en doen van alles…. behalve huiswerk maken.

Dus als jij het anders wilt… dan heb ik voor jou zeven mogelijke activiteiten voor de Mentor. Ze staan in willekeurige volgorde.

  1. Spellen waardoor de leerlingen elkaar echt gaan leren kennen. Bijvoorbeeld variaties op “over de streep” en “ga staan als je…”. Het begint natuurlijk bij hobby’s en huisdieren, maar later kun je ook persoonlijkere dingen vragen. Hier vind je nog meer leuke spellen voor in je klas.
  2. Maak groepjes van vier en ga aan de slag met een placematopdracht. Ieder viertal zit rondom 1 tafeltje met ieder een pen. Je zet een open vraag op het bord: bijvoorbeeld “wat zou er op school allemaal anders moeten”. De vraag kan gaan over van alles en nog wat (zelfs over de lesstof). Vervolgens krijgen de leerlingen 3-5 minuten om voor zichzelf (in stilte) het antwoord op te schrijven. Vervolgens kiest iedere groep een voorzitter. De voorzitter heeft als taak om de antwoorden van alle groepsleden te verzamelen, er vragen over te stellen en in het middelste vak een “grote gemene deler” te noteren. Daar krijgen de leerlingen 15 minuten voor. Daarna neem jij de groep weer centraal en verzamel jij de alle “grote gemene delers” van alle groepjes. En jij maakt daar weer een “grote gemene deler” van de hele klas van. Dat doe je allemaal op het bord. Deze opdracht geeft jouw veel inzicht in de leerlingen en de leerlingen leren veel van elkaar. Zorg wel dat je je strak aan de tijd houdt. De placemat kun je downloaden in de SterkNieuws.
  3. Heb het eens over huiswerk maken en het plannen voor proefwerken. De leerlingen moeten leren dat het belangrijk is om:
    1. Huiswerk op te schrijven in een planner of agenda. Plenda is een erg goede, maar prijzig. Hier vind je gratis huiswerkplanners.
    2. Niet langer dan 45 minuten achter elkaar te leren.
    3. Leer- en maakwerk af te wisselen.
    4. Water te drinken tijdens het leren.
    5. Telefoons uit te zetten: een kleine afleiding kost je 7 minuten om weer goed aan het werk te zijn.
    6. Te focussen voor je begint met leren.

Daarnaast is het belangrijk dat de leerlingen hun klachten over huiswerk en planningen (vooral van andere leraren) bij jou kwijt kunnen. Je moet wel duidelijk zijn in wat je wel en niet kunt doen om ze te helpen. Je mag ook je collega’s niet afvallen. Maar de leerlingen moeten wel jouw begrip voelen dus je moet vooral een steunend en luisterend oor zijn.

  1. Houd coachgesprekken! Doe dat één op één en geef de rest vrij (als dat kan). Bedenk wel van te voren goede, open vragen om te stellen. Hierdoor bouw je een goede band op met leerlingen. Respecteer wel openlijk hun privacy: vertel niets door en neem geen stelling. Luister goed en betrokken.
  2. Nodig gastsprekers uit. Dat kunnen mensen zijn die de leerlingen zelf bedacht hebben. Laat ze maar eens nadenken over wie ze zouden willen interviewen, of wiens verhaal interessant zou kunnen zijn. Zo had ik zelf jaarlijks een oud-verzetsstrijder te gast. Ieder jaar waren mijn leerlingen weer diep onder de indruk van het verhaal van de man.
  3. Geef les over leren leren. Hoe onthoud je de stof het beste? Oefen geheugentechnieken? Hoe slaan jouw hersenen de stof het beste op? Hier vind je veel tips.
  4. Organiseer een event met de klas. Ideeën kunnen de leerlingen uitwisselen d.m.v. de placematmethode. Het kan een feest worden, een geldinzameling, een project… het maakt niet uit, als er maar heel veel taken zijn, zodat iedereen zijn eigen bijdrage kan leveren. Zorg voor een duidelijk stappenplan, met tijd en deadlines.

Weet jij nog meer activiteiten? Reageer dan via “geef hier een reactie”.

Veel plezier!

Een schoon schoolplein

Een schoon schoolplein

Het lijkt wel alsof iedereen het de hele tijd over het milieu heeft en de klimaatverandering. Plastic Soep is Hot!


Sinds een half jaar speur ik, iedere keer als ik buiten loop, de grond af op zoek naar zwerfvuil. Lege blikjes, plastic zakken, wikkels van snoeprepen… en iedere keer raap ik minimaal 2 dingen op. Ik gooi ze weg in de dichtstbijzijnde vuilnisbak. Dat geeft mij het idee dat ik ook een bijdrage lever aan de vermindering van afval en een beter milieu. Ik heb dat niet zelf bedacht, het stond op feestboek, maar het kost me weinig moeite, eigenlijk. Ik denk er ook makkelijk aan.

Maar het valt me op hoe weinig vuilnisbakken er op straat staan, vooral in de buurt van de scholen waar ik vaak kom. En rondom die scholen kan ik dan zoveel afval oprapen dat ik voor zeker een week mijn taks haal. Ik heb nu dus een plastic (ahum) zak in mijn auto (ahum 2) waar ik het zwerfafval dan in verzamel voor mijn eigen vuilnisbak.

En dan zie ik de kinderen op het plein naar mij kijken. Ze stoten elkaar aan. “Die is gek… dat is toch vies…”  

Ik meen mij te herinneren dat basisschoolleerlingen altijd een enorm hart hebben voor dieren en het milieu. Ze weten ons volwassenen altijd precies te vertellen hoe het moet. Waar zit het pijnpunt?

Is het geen idee om onze leerlingen (ja! Ook die van VO en MBO) ook aan te leren om 2 keer per dag zwerfvuil te rapen rondom de school? Dat kost geen extra tijd. Gewoon in de pauze en vóór en na schooltijd. Zo moeilijk is dat toch niet? Alles voor een beter milieu. Ik geloof in druppels op een gloeiende plaat. Gewoon doen.

Wel daarna even handen wassen. Ja. Dat doe ik ook!

Plastic Soup Foundation

Vakantie!

Vakantie!

Vakantie!
Voor de ene helft van het land is het net begonnen, voor de andere helft zit het er alweer bijna op.
We zien er altijd zo naar uit en voor je het weet is ie weer voorbij. Ik heb van te voren altijd het idee dat ik genoeg tijd heb om honderdduizend dingen te doen. Helaas valt dat altijd tegen…. Iedere vakantie vliegt voorbij en het maakt niet uit hoeveel weken ie duurt.

Mijn lijstje?
Lezen, bakken, naar de bioscoop, afspreken met vriendinnen,  iets leuks doen met de kinderen, alle nieuwsbrieven lezen die nog in mijn “to-read-bakje” in mijn in-box zitten, de schuur opruimen, oude kleren uitzoeken en wegbrengen, alle schoenen poetsen, strijken, keukenkasten schoonmaken, administratie opnieuw indelen, “The Crown” afkijken op Netflix, kijken waar ik heen wil op vakantie, financiën op orde brengen, foto’s uitzoeken, uitslapen (alhoewel dat steeds minder goed lukt naarmate ik ouder wordt), de opzet maken voor mijn nieuwe boek, boeken bestellen (die ik dan eerst moet lezen voordat ik kan beginnen met het vorige actiepuntje) en oh ja!: shoppen. Ik ben echt enorm toe aan nieuwe kleren.

Wedden dat ik nog niet eens tot de helft kom?
En dat die andere helft blijft liggen tot de kerstvakantie?
Of nog waarschijnlijker: blijft liggen tot de voorjaarsvakantie, omdat de kerstvakantie altijd vol zit met sociale verplichtingen en ik dan voorbereidingen moet treffen voor een verhuizing in januari.

Vind ik dat erg?
Welnee. Ik ben er inmiddels aan gewend. Mijn lijstje heet dan ook “dingen-om-misschien-wel-te-doen-in-de-vakantie-lijstje” in plaats van “to-do-lijstje”. Ik weiger in de stress te schieten, nog vóór de vakantie is afgelopen.

Dus vandaar: 5 tips voor het voorkomen van stress. In de vakantie, maar ook daarbuiten.

  1. Je weet dat er altijd een moment komt waarop de stress toeslaat. Accepteer dat. Het gebeurt gewoon. Er tegen vechten werkt averechts en levert nog meer stress op.
  2. Bedenk wat er gebeurt als je iets niet Vergaat de wereld dan? Ik denk het niet.
  3. Vervang “Ik moet…” door “Ik wil…” in je spreken en in je denken.
  4. Zorg ervoor dat er minimaal 1 dag in je vakantie is waarop je helemaal niets inplant. Een dag waarop je desnoods de hele dag in je pyjama op de bank hangt en pizza bestelt. Of iets anders (niet) doet waar je (geen) zin in hebt.
  5. Zeg gewoon eens “NEE!” tegen taken die je opgelegd krijgt en waar je het nut niet van inziet.

En 6: heb je wel zin om een goed boek te lezen voor school, maar wil je het wel snel uit hebben? Bekijk dan mijn VLOG!

Fijne vakantie, of fijne werkweek!

En ze praten maar door…

Open

En ze praten maar door…

Ik hoor vaak van (startende) leraren dat ze soms een klas hebben die niet meer stopt met praten. Ze gaan maar door. Soms zijn het maar een of twee leerlingen die hun mond niet kunnen houden, en in de tijd die jij die leerlingen bestraffend (?) toespreekt, beginnen andere leerlingen hun eigen conversatie. En als je hen stil hebt, zijn er weer anderen begonnen. Dat kost je zoveel energie. En tijd. En het verpest (meestal) de sfeer in de klas.

Herken je dit?

Allereerst is het van belang om na te gaan waarom ze maar blijven praten. De volgende vragen kunnen je daarbij helpen:

* Praten ze omdat ze het gezellig vinden in de klas? Omdat ze het idee hebben dat er “een doorlopend theekransje” plaatsvindt?Gezelligheid troef! En alles in goede sfeer!

* Praten ze om jouw les te verstoren? Om je te pesten? Om te kijken waar jouw grens ligt? Omdat ze willen weten wanneer jij “uit je vel springt”? Of omdat de sfeer zo negatief is (geworden) dat ze niet (meer) anders kunnen?

* Praten ze omdat ze niet anders kunnen? Omdat ze “geprogrammeerd zijn” om meteen verbaal te reageren op alles wat er gebeurt in de klas?

Waarschijnlijk weet jij zelf het antwoord op deze vragen. Maar welke van de drie redenen het ook is, in alle gevallen heb jij een probleem dat je wilt en kunt oplossen. Ben je bang dat dit teveel tijd kost? Ga voor jezelf na of je de investering in tijd en energie over hebt om de situatie zo te krijgen zoals jij wilt. Als je blijft doen wat je deed, blijft het zoals het is.

Ik zet (per vraag) wat handvatten op een rij die jou kunnen helpen om het tij te keren.

*Praten uit gezelligheid.
Meestal is dat een hele sociale groep, die oprecht alles met elkaar deelt. Je kunt je probleem gewoon bij hen neerleggen, waarbij je hun behoefte aan sociale conversaties  ook benoemt. Belangrijk is om goed uit te leggen op welke momenten en waarom je wilt dat iedereen zijn mond houdt. Deze momenten kun je met de leerlingen inventariseren. Je vraagt ook aan de leerlingen welke sanctie past bij het overtreden van de regel “je ben stil op deze X momenten”. Jij kiest die sanctie uit die jij passend vindt. Daarnaast geef je ook ruimte aan hun behoefte door meer samenwerkopdrachten te geven en misschien zelfs (aan het begin- en/ of aan het eind van de les) “praatpauzes” van vijf minuten in te plannen.

* Praten om jou te pesten.
In dit geval zal je opnieuw moeten beginnen met de groepsvorming. Deze groep heeft een negatieve houding naar jou toe en die zal je moeten doorbreken. Hier moet je echt veel tijd en energie in investeren en het werkt pas echt goed als je ouders en je eventuele duo-partner (of een collega) hierbij betrekt. Voor een betere sfeer in de groep is een goed stappenplan onontbeerlijk:
1. Je gaat met je duo-partner om de tafel zitten en je maakt duidelijk dat je het voortaan anders wilt. Je vraagt de hulp van je duo-partner (of collega). Zeker als je deze klas maar een of twee dagen per week hebt, gaat het zonder zijn of haar steun niet lukken. Jullie maken samen een plan. Breng het hele team op de hoogte.
2. Jullie sturen (samen) naar alle ouders een e-mail om ze te vertellen dat jullie je zorgen maken over de groep en dat jullie de komende weken de sfeer in de groep “positiever gaan maken”. Omdat dan ook de leerprestaties sterk zullen verbeteren. En dat jullie daarbij de steun en hulp van de ouders nodig hebben. Vraag ouders ook vooral om hun eigen tips, ideeën en aanvullingen. Nog beter is om ook nog een extra ouderavond te organiseren waarbij jullie je mail mondeling toelichten en ook om de mening van de ouders vragen.
3. Jullie vertellen de leerlingen dat het zo niet langer kan en dat jullie de komende weken iedere dag aandacht gaan besteden aan groepsvorming.
4. Je begint met een groepsgesprek over normen en waarden in de klas. Jij vertelt wat je van de leerlingen verwacht en je vraag de leerlingen wat ze van hun klasgenoten verwachten in jouw les. Je geeft alleen de leerlingen de beurt waarvan je weet dat zij een positieve insteek hebben. Zo zet je een positieve norm. De hieruit ontstane regels (waarden) zet je op het bord en hang je ook op in de klas.
5. Iedere dag doe je met de klas een activiteit waarbij deze regels getest worden. Je beloont goed gedrag. Je evalueert met de leerlingen.
6. Vrijwel alle leerlingen zullen zich uiteindelijk neerleggen bij de nieuwe normen en waarden. Met de leerlingen die dit niet kunnen (als dat voorkomt), maak je een aparte afspraak. (Zie volgende…)
7. Houd en breng de ouders & collega’s steeds op de hoogte van de voortgang van het proces. Gebruik je duo-partner (of collega) als klankbord.

* Praten omdat ze niet anders kunnen.
Dit betreft meestal een leerling of een kleine groep. Met deze leerlingen maak je een aparte afspraak voor een gesprek, waarin je vraagt wat deze leerling nodig heeft om zich zo te gedragen zoals jij wilt. Doe dat per leerling individueel, nooit als groep bij elkaar. Stel jouw grenzen hierbij heel duidelijk. Als een leerling bijvoorbeeld zegt: “Ik heb nodig dat jij weg gaat”, is dat (helaas voor die leerling) een onacceptabel antwoord, want jij gaat niet weg. Dat zeg je dus ook. En je stelt de vraag opnieuw. Als een leerling zegt: “Ik weet het niet”, dan zegt jij: “En hoe ziet het er dan uit als je het wel zou weten?” Of: “Hoe doe je dat dan bij meneer X?” Soms zijn dit lange gesprekken, omdat je soms lang moet wachten op een antwoord wat voor jullie allebei acceptabel is. Je eindig altijd met een afspraak. Laat de leerling zelf een sanctie bedenken in geval van overtreding.

* In alle gevallen:
1. Spreek leerlingen niet individueel aan, maar corrigeer algemeen en complimenteer algemeen.
2. Wees heel consequent. Stil is stil. Wacht tot het echt stil is.
3. Ga niet in discussie. Voorkom strijd.
4. Loop door de klas. Ga bij de kletsers staan en laat non-verbaal merken dat jij de enige bent die mag praten.
5. Leg steeds opnieuw uit waarom het echt stil moet zijn.

Sta Sterk voor de Klas!